Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7942

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
03/661080-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Limburg heeft op 15 augustus 2017 een 55-jarige man en zijn 28-jarige vriendin, uit Venray veroordeeld. De man is veroordeeld wegens uitkeringsfraude en verboden wapenbezit. De vrouw is veroordeeld wegens opzetheling. Beide verdachten zijn vrijgesproken van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661080-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 augustus 2017

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [postcode en woonplaats] , [adres 2] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 augustus 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: uitkeringsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten aan de gemeente Venray, afdeling sociale zaken, gegevens te verstrekken die nodig waren voor de vaststelling van zijn recht op een bijstandsuitkering dan wel voor de hoogte of de duur daarvan.

Feit 2: samen met een ander een pistool en in totaal 31 patronen voorhanden heeft gehad.

Feit 3: samen met een ander een hoeveelheid geld (1.300 euro en/of 2.660 euro en/of 4.330 euro en/of 6.400 euro en/of 1.620 euro en/of 17.000 euro) heeft witgewassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de feiten 1, 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard. Ter zake van feit 1 heeft de officier van justitie betoogd dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen wijzigingen aan de gemeente heeft doorgegeven, terwijl de verdachte daartoe wel verplicht was.

Ter zake van feit 3 heeft de officier van justitie betoogd dat sprake is van geld verkregen uit eigen misdrijf, anders dan het ‘zwart werken’ door de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij een bijstandsuitkering genoot en het laatste jaar volgens eigen zeggen zo’n € 2.500,- per jaar bijverdiende met zwart werken. Onder verwijzing naar het stamproces-verbaal heeft de officier van justitie betoogd dat er zeer grote onverklaarbare contante stortingen en betalingen zijn gedaan. De verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde contante bedragen. De officier van justitie heeft er ten slotte op gewezen dat er geen sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 3, nu feit 3 niet ziet op de verdiensten uit de uitkeringsfraude maar op verdiensten met een andere illegale herkomst.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten 1 en 2 bewezen kunnen worden verklaard.

Ter zake van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte enkel heeft nagelaten door te geven dat hij werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot. Van belang is volgens de raadsman dat de verdachte tot eind 2010 werkzaamheden verrichtte met instemming van de afdeling Sociale Zaken van gemeente Venray en dat daarom niet de hele periode zoals die is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat de verdachte beschikte over vermogen in de zin van geld of een auto. De verdachte heeft weliswaar beschikt over een geldbedrag uit een lening, maar nu hiertegenover een betalingsverplichting staat, kan dit niet worden aangemerkt als ‘vermogen’. De verdachte heeft bovendien geen auto op zijn naam gehad.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verdachte van feit 3 moet worden vrijgesproken, nu de criminele herkomst van de in de tenlastelegging genoemde contante stortingen en geldbedragen niet kan worden vastgesteld. De verdachte heeft bovendien aannemelijke verklaringen voor de herkomst van het geld gegeven. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 3.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1

Bewijsmiddelen

Bijstandsuitkering verdachte: aanvang en beëindiging

Bij beschikking van 18 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: het college) de aanvraag van de verdachte van 23 januari 2009 gehonoreerd en hem met ingang van 9 januari 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) naar de norm van een alleenstaande. Daarbij heeft het college de verdachte erop gewezen dat hij verplicht is om – conform het bepaalde in artikel 17 van de Wwb – direct alles te melden wat van invloed kan zijn op zijn uitkering en zijn mogelijkheden om aan het werk te gaan.2

Uit het stamproces-verbaal volgt, zakelijk weergegeven, dat aan uitkeringsgerechtigden van de gemeente Venray tot 1 januari 2013 maandelijks een door hen in te vullen en in te leveren rechtsmatigheidsonderzoeksformulier beschikbaar werd gesteld. Ingaande 1 januari 2013 heeft de gemeente Venray gekozen voor een andere werkwijze. Uit onderzoek naar de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren is niet gebleken dat de verdachte een wijziging in de woonsituatie of inkomen heeft doorgegeven. De uitkering van de verdachte is vervolgens per 1 oktober 2014 beëindigd vanwege de inschrijving van de medeverdachte [naam medeverdachte] op het BRP-adres van de verdachte. De verdachte heeft aldus van 9 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Venray. Uit het onderzoek bleek voorts niet dat de verdachte andere geregistreerde inkomsten had. Van de medeverdachte [naam medeverdachte] zijn na 7 november 2010 geen geregistreerde inkomstenbronnen bekend.3

Inschrijvingen volgens BRP

Uit de BRP-uitdraai op naam van de verdachte blijkt dat hij per 15 december 2008 stond ingeschreven op het adres [adres 3] te Venray, per 7 september 2010 op het adres [adres 1] te Venray en per 10 juni 2015 op het adres [adres 2] te Venray.4

Uit de BRP-uitdraai op naam van de medeverdachte [naam medeverdachte] blijkt dat zij per 24 april 2007 stond ingeschreven op het adres [adres 3] te Venray, per 22 november 2010 op het adres [adres 4] te Venray, per 25 juli 2014 op [adres 1] te Venray en per 10 juni 2015 op het adres [adres 2] te Venray.5

Bevindingen van de sociale recherche

Op 1 april 2015 heeft er op het adres [adres 1] te Venray een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van binnentreden volgt, zakelijk weergegeven, dat de gehele woning een grote luxe uitstraalt door de aanwezigheid van een grote tv, nieuwe meubelen, koelkast, Boretti gasfornuis / oven en voeding in overvloed. Tevens werden er contant betaalde facturen aangetroffen die het bijstandsniveau vele malen overstijgen. Op de ouderslaapkamer werd bovendien een contant geldbedrag van € 16.530,00 aangetroffen. Op de tweede slaapkamer werd een contant geldbedrag van € 1.170,00 aangetroffen.6

Uit onderzoek aan de in de woning inbeslaggenomen administratie volgt, zakelijk weergegeven, dat aan de hand van voornoemde aangetroffen facturen de volgende contante uitgaven zichtbaar zijn:

  • -

    2009: een totaalbedrag van € 3.423,50;

  • -

    2010: een totaalbedrag van € 7.924,90;

  • -

    2011: een totaalbedrag van € 5.736,70;

  • -

    2012: een totaalbedrag van € 9.330,40;

  • -

    2013: een totaalbedrag van € 14.171,00;

  • -

    2014: een totaalbedrag van € 16.900,00.7

De verklaringen van de medeverdachte [naam medeverdachte]

Op 2 april 2015 heeft de medeverdachte [naam medeverdachte] verklaard, zakelijk weergegeven, dat [naam verdachte] (de verdachte) bij haar is komen wonen vlak nadat zij op het adres [adres 3] te Venray is gaan wonen. In haar verklaring van 3 april 2015 geeft de medeverdachte [naam medeverdachte] aan dat zij – vanaf het moment dat [naam verdachte] en zijn dochter op de [adres 3] kwamen wonen – zij samen leefden als een normaal huishouden8. [naam verdachte] heeft op een gegeven moment de woning aan de [adres 1] toegewezen gekregen. Zij is toen direct met hem meeverhuisd vanaf de [adres 3] .9

Op 3 april 2015 heeft de medeverdachte [naam medeverdachte] ten slotte verklaard, zakelijk weergegeven, dat de BMW 645 CI van haar vader is. Deze auto staat nu voor hun deur, omdat haar vader dat heeft gevraagd. [naam verdachte] rijdt nu in deze auto.10

De verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft op 1 april 2015 verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij in 2009 de bovenverdieping op de [adres 3] te Venray bij [naam medeverdachte] (de medeverdachte) heeft gehuurd. Hij heeft toen bij de gemeente een uitkering aangevraagd, die aan hem is toegekend. Uiteindelijk werd aan hem in 2010 de woning [adres 1] te Venray toegewezen. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij, als hij inkomsten zou ontvangen of bijvoorbeeld een prijs zou winnen, dit door had moeten geven.11

Op 3 april 2015 heeft de verdachte vervolgens verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij van Wonen Venray € 15.000,- heeft ontvangen toen hij in 2002 of 2003 de woning aan de [adres 5] uit moest. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij in 2006 of 2007 een straatprijs heeft gewonnen met zijn ex-partner. Die prijs hebben zij gedeeld. Per persoon was dit tussen € 7.000,- en € 9.000.-. De verdachte heeft deze bedragen nooit aan de gemeente doorgegeven. De verdachte heeft verklaard, nadat hem een wijzigingsformulier Wwb was voorgehouden, het formulier te herkennen maar nooit wijzigingen te hebben doorgegeven aan de gemeente.12

Op 2 april 2015 heeft de verdachte voorts verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij begrijpt dat hij met [naam medeverdachte] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, dat hij dit had moeten melden en dat hij dat niet heeft gedaan. De verdachte is in 2010 gelijktijdig met zijn dochter en [naam medeverdachte] vanuit de [adres 3] in de woning op de [adres 1] te Venray getrokken. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij de vrije beschikking heeft over de BMW van de vader van [naam medeverdachte] . Deze staat sinds ongeveer 1 jaar voor zijn huis geparkeerd. De verdachte heeft verder verklaard dat hij wel gek zou zijn als hij de vergoeding van de herinrichtingskosten van Wonen Venray en de straatprijs zou hebben opgegeven, want dan zou hij dit geld kwijt zijn. Ten slotte heeft de verdachte over de luxe goederen in zijn woning verklaard dat hij deze in de loop der jaren heeft aangeschaft uit de inkomsten van bijverdiensten door het uitlezen en meten van elektronica. De verdachte doet dit zijn hele leven al. Het laatste jaar heeft hij dit ongeveer 50 keer gedaan. De ene keer verdiende hij daarmee twee tientjes en de andere keer vijftig euro. De verdachte heeft verklaard dat hij deze inkomsten niet heeft opgegeven bij de sociale dienst van de gemeente Venray.13

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij zijn handtekening – op de plaats van handtekening partner - herkent op een door de rechtbank aan hem getoond rechtmatigheidsformulier d.d. 1 februari 2013, waarop ‘nee’ staat aangevinkt bij de vragen over ‘vermogen’ of ‘overige wijzigingen’14. Hij heeft eveneens verklaard ook na die datum gedurende de uitkeringsperiode op geen enkel moment wijzigingen te hebben doorgegeven. De verdachte heeft ook verklaard dat hij op 3 december 2009 een bedrag van € 15.000,- heeft geleend van familie [naam familie] . Deze lening heeft hij evenmin opgegeven aan de sociale dienst. Het geld van de lening is, samen met geld van de zus van [naam medeverdachte] , door de politie aangetroffen in de woning.15

Nadeel door de verdachte veroorzaakt

Uit de berekening van het nadeel door de gedragingen van verdachte blijkt, zakelijk weergegeven, dat het bruto benadelingsbedrag over de jaren 2009 tot en met 2014 als volgt bedraagt:

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2009 bedraagt € 13.914,66;

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2010 bedraagt € 14.354,05;

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2011 bedraagt € 17.990,66;

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2012 bedraagt € 18.964,33;

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2013 bedraagt € 19.398,15;

  • -

    het bruto benadelingsbedrag over 2014 bedraagt € 15.488,40.16

Overwegingen

Uit de bevindingen van de sociale recherche volgt dat de verdachte in de periode van 9 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 een bijstandsuitkering in de zin van de Wwb heeft ontvangen. Tijdens deze periode was de verdachte verplicht om op grond van artikel 17 van de Wwb alles te melden wat van invloed kon zijn op zijn uitkering. Bovendien is de verdachte op deze verplichting uitdrukkelijk gewezen bij de beschikking van het college van 18 februari 2009. Uit zijn verklaringen volgt dat de verdachte van deze verplichting op de hoogte was.

De sociale recherche heeft op basis van onderzoek, voor wat betreft de periode tot 1 januari 2013 mede op basis van de rechtmatigheidsonderzoeks-formulieren, geconstateerd dat de verdachte nooit wijzigingen aan de gemeente Venray heeft doorgegeven die van belang waren of konden zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand of de hoogte en/of de duur ervan. De verdachte heeft dit ten overstaan van de sociale recherche beaamd en ter terechtzitting bevestigd dat dit geldt voor de gehele uitkeringsperiode. Uit de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] en uit hetgeen is aangetroffen in hun gemeenschappelijke woning aan de [adres 1] te Venray is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zijn verplichting ex artikel 17 van de Wwb heeft geschonden. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij al zijn hele leven lang zwart werkt. De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van de verdachte vast dat hij dit ook tijdens de looptijd van zijn bijstandsuitkering heeft gedaan. Uit deze werkzaamheden heeft de verdachte inkomsten genoten en daarvan luxe goederen aangekocht. De verdachte heeft verklaard dat hij deze verdiensten niet heeft doorgegeven aan de gemeente. Dat de verdachte – zoals de raadsman heeft betoogd – gedurende de looptijd van de bijstandsuitkering enige tijd met goedkeuring van de gemeente werkzaamheden heeft verricht, doet niet af aan het feit dat de verdachte zijn zwart werk en de bijverdiensten daaruit niet heeft gemeld. Het verweer van de raadsman faalt aldus.

Voorts heeft de verdachte, blijkens zijn eigen verklaringen en die van medeverdachte [naam medeverdachte] , vrijelijk kunnen beschikken over de auto van de vader van medeverdachte [naam medeverdachte] . Deze auto is een op geld waardeerbaar goed. Dit betekent dat de verdachte dagelijks beschikte over vermogen in de vorm van een voertuig, hetgeen van invloed had kunnen zijn op de hoogte van zijn bijstandsuitkering. De verdachte heeft evenmin gemeld dat hij over deze auto beschikte.

De rechtbank constateert ten slotte op grond van de bevindingen van de sociale recherche én het aangetroffen contant geld in de woning dat de verdachte tijdens de looptijd van de bijstandsuitkering beschikte over grote hoeveelheden contant geld. De verdachte heeft dermate wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van deze contante geldsommen dat de rechtbank diens verklaringen ongeloofwaardig acht. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat de op 1 april 2015 aangetroffen hoeveelheid contant geld en de in de loop der tijd met contant geld aangeschafte luxe goederen, zoals eveneens aangetroffen op 1 april 2015, deel uitmaakten van het vermogen van de verdachte. Noch deze contante geldbedragen noch de daarmee in het verleden aangeschafte luxe goederen, heeft de verdachte opgegeven aan de gemeente Venray.

Nu de verdachte heeft nagelaten de gemeente te informeren over zijn bijverdiensten en zijn vermogen in de vorm van een auto en contante geldsommen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met zijn verplichtingen ex artikel 17 van de Wwb. De verdachte wist dat hij verplicht was om deze gegevens aan de gemeente Venray te verstrekken. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Bewijsmiddelen

Op 1 april 2015 werd de woning van de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] , gelegen aan de [adres 1] te Venray, doorzocht. Uit het proces-verbaal van binnentreden volgt, zakelijk weergegeven, dat in de trapkast van deze woning door de politie een vuurwapen en een aantal patronen werden gevonden.17 Door de politie werden een vuurwapen, 26 patronen van 9 mm en 5 .22-patronen in beslag genomen.18

Het vuurwapen en de patronen zijn door de politie onderzocht. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt, zakelijk weergegeven, dat het inbeslaggenomen wapen een pistool betreft van het merk Radom, model VIS-35, 9 mm Para met 1 patroonmagazijn. Het voorwerp is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De 26 patronen van het kaliber 9mm en kaliber 9mm Luger van diverse merken alsmede de 5 patronen van het kaliber 25Auto patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de WWM.

De politie heeft ten slotte geconcludeerd dat het voorhanden hebben van het bovenomschreven vuurwapen en munitie is strafbaar gesteld in artikel 26, lid 1, in verband met artikel 55, lid 1 c.q. lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie.19

Uit het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek volgt nog, zakelijk weergegeven, dat het vuurwapen in 2015 is onderworpen aan Ibis-onderzoeken. Uit dit Ibis-onderzoek volgt dat het vuurwapen tijdens het proefschieten vier laadstoringen vertoonde, maar dat het verder naar behoren functioneerde.20

Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij het pistool en de munitie samen in een doek heeft gewikkeld en deze in zijn woning heeft weggelegd.21

Overwegingen

Gelet op het aantreffen van het pistool en de munitie in de trapkast van de woning van de verdachte, het daaraan verrichte politieonderzoek en de verklaring van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 1 april 2015 een pistool en 26 patronen van kaliber 9 mm en 5 patronen van kaliber 25Auto voorhanden heeft gehad.

De verdachte heeft verklaard dat hij het pistool in september 2014 op enige afstand van zijn woning heeft aangetroffen na een inbraak in die woning, maar dat hij er niet aan heeft gedacht die vondst aan de politie te melden. De rechtbank acht het nauwelijks voorstelbaar dat iemand de vondst van een pistool in de nabijheid van de woning net nadat daar een inbraak heeft plaatsgevonden, ‘zo maar’ vergeet bij de politie te melden. Die verklaring wordt echter nog ongeloofwaardiger nu uit de verklaringen van de medeverdachte [naam medeverdachte] volgt dat zij op enig moment wetenschap had van het vuurwapen in de woning en dat zij verdachte toen heeft gesommeerd dit onmiddellijk uit de woning te verwijderen. Ook die sommatie was voor de verdachte kennelijk geen aanleiding de vondst van het vuurwapen alsnog bij de politie te melden.

Nu niet exact valt vast te stellen vanaf welke datum de verdachte het pistool en de patronen voorhanden heeft gehad, zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van de tenlastegelegde periode en de aanwezigheid bepalen op de dag van de doorzoeking, te weten 1 april 2015.

De medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat zij op enig moment wetenschap had van het vuurwapen in de woning, maar zij heeft tevens verklaard dat zij na de vondst van dit wapen direct de verdachte heeft gesommeerd om dit uit de woning te verwijderen. Uit het procesdossier volgt voorts niet dat de medeverdachte [naam medeverdachte] wist dat er zich op 1 april 2015 nog steeds een vuurwapen en patronen in de woning aan de [adres 1] te Venray bevonden. Nu er geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] kan worden vastgesteld, zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde bestanddeel ‘medeplegen’.

Ten aanzien van feit 3

Aan de verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 9 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 een hoeveelheid geld heeft witgewassen. De in de tenlastelegging genoemde geldsommen kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën, te weten:

a. a) de overschrijving door ene [V.] op de rekening van de medeverdachte [naam medeverdachte] (ad 6.400 euro),

b) de contante geldbedragen die op de rekening van de medeverdachte [naam medeverdachte] zijn gestort (ad 2.660 euro, 4.330 euro en 1.620 euro),

c) het geldbedrag in contanten zoals aangetroffen in de woning (ad 17.000 euro).

Op grond van het procesdossier, met name gelet op de opsomming van de sociale recherche van overboekingen en contante stortingen op de rekening van de medeverdachte [naam medeverdachte] én het door de sociale recherche aangetroffen geld in de woning van beide verdachten, is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de verdachte alle genoemde geldbedragen op enig moment gedurende de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad. De rechtbank overweegt daarbij dat de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] reeds sinds 2009 een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij de kosten van die gemeenschappelijk gevoerde huishouding hetzij van de rekening van de verdachte hetzij van de rekening van de medeverdachte werden voldaan. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over contante stortingen die op de rekening van zijn partner, de medeverdachte [naam medeverdachte] , werden gedaan, waarmee vaststaat dat hij deze gelden voorhanden heeft gehad.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of deze geldbedragen al dan niet afkomstig zijn uit enig misdrijf.

De rechtbank stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaringen afgelegd voor het feit dat hij in de tenlastegelegde periode contante gelden aanwezig heeft gehad. Niet alleen heeft de verdachte verklaard dat hij in 2006 of 2007, samen met zijn toenmalige partner, op de Langstraat te Venray een straatprijs heeft gewonnen en dat hij dit geld bewaard heeft om een eigen bedrijf te kunnen beginnen, maar ook heeft hij verklaard in 2002 of 2003 een vergoeding van Wonen Venray van € 15.000,- wegens herinrichtingskosten aan een woning te hebben ontvangen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij gedurende zijn hele leven al bijklust door het uitmeten van apparatuur in auto’s. Ten slotte heeft hij verklaard dat hij in 2009 een leenovereenkomst heeft gesloten met familie [naam familie] .

Hiermee heeft de verdachte concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen gegeven over de herkomst van de contante stortingen en gelden. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er weliswaar enige kritische kanttekeningen bij deze verklaringen van de verdachte kunnen worden geplaatst, had het wel op de weg van het openbaar ministerie gelegen om (eenvoudig) nader onderzoek te verrichten naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van gelden. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zou mogelijk kunnen blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de bedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De officier van justitie heeft evenwel – desgevraagd – ter terechtzitting te kennen gegeven dat het openbaar ministerie bewust heeft afgezien van het verifiëren van de verklaringen van de verdachte dienaangaande.

Nu dergelijk onderzoek achterwege is gebleven, zijn er onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp in de tenlastelegging onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.


Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feit 3 heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in het tijdvak van 9 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 te Venray, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten krachtens artikel 17 van de wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, niet aan de gemeente Venray, afdeling sociale zaken doorgegeven dat hij

- werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot

- over vermogen beschikte o.a. een hoeveelheid geld en een auto;

2.

op 1 april 2015 te Venray, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk radom, model VIS-35, en munitie van categorie III, te weten 26, patronen kaliber 9 mm en 5 patronen van kaliber 25Auto, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten 1 en 2 uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst en duur van de door de verdachte gepleegde feiten en de maatschappelijke ongewenstheid van dergelijke feiten, alsook met de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de oplegging van een taakstaf passend zou zijn, gelet op de medische toestand van de verdachte, de gevolgen van deze strafzaak voor de verdachte en diens gezin en het feit dat er sprake is van samenloop tussen de feiten 1 en 3. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de gemeente de verstrekte bijstandsuitkering heeft teruggevorderd van de verdachte. De verdachte zal de gemeente niet kunnen terugbetalen indien hij gedetineerd raakt en daardoor zijn baan verliest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van zes jaar uitkeringsfraude gepleegd. Hij heeft jarenlang verzuimd om, terwijl hij een bijstandsuitkering ontving, aan de gemeente Venray door te geven dat hij inkomsten verwierf uit ‘zwart werk’ en dat hij beschikte over vermogen in de vorm van een auto, luxe goederen en contant geld. Als gevolg hiervan heeft de gemeente de rechtmatigheid en omvang van zijn uitkering niet kunnen beoordelen. Ten gevolge van deze uitkeringsfraude heeft de verdachte een voordeel genoten van ruim 100.000 euro.

Dit is een ernstig strafbaar feit. Nederland kent van oudsher een traditie dat degene die hulp nodig heeft om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien, kan worden bijgestaan vanuit de sociale- of de werknemersverzekeringen. Dat zijn kostbare voorzieningen waaraan elke belastingbetaler dan wel werknemer zijn steentje bijdraagt. Indien men wel kan voorzien in de kosten van bestaan, heeft men geen recht op bijstand. De verdachte heeft door zijn handelen jarenlang gelden uit deze voorzieningen ontvangen waarop hij geen recht had. Door dit handelen van verdachte wordt het stelsel van sociale zekerheid ondermijnd en heeft de gemeenschap forse schade geleden. De verdachte heeft bovendien geen blijk gegeven van enig inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen. De verdachte hield er tijdens de bewezenverklaarde periode een luxueuze levensstijl op na, die op geen enkele wijze strookt met het bestaansminimum waarop de meeste bijstandsgerechtigden noodgedwongen leven. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat de verdachte jarenlang uit louter winstbejag de maatschappij forse schade heeft berokkend. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.

Ten slotte heeft de verdachte ook een vuurwapen en munitie in zijn woning voorhanden gehad.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Voor fraudezaken, waaronder volgens het LOVS tevens uitkeringsfraude valt, met een schadebedrag tussen de € 70.000,- tot € 125.000,- geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden. De rechtbank slaat tevens acht op de door het LOVS geformuleerde strafvermeerderende en strafverminderende omstandigheden ter zake van de uitkeringsfraude. In onderhavige zaak is van belang dat verdachte jarenlang uitkeringsfraude heeft gepleegd door te beschikken over inkomsten uit werk en vermogen in de vorm van een auto en contante geldbedragen, zonder deze – conform zijn verplichtingen op grond van de Wwb – te melden bij de gemeente. Dit heeft geleid tot een zeer aanzienlijk voordeel voor de verdachte van ruim € 100.000,-. Voorts is de verdachte reeds herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking geweest. Deze omstandigheden nopen de rechtbank ertoe uit te gaan van de in het oriëntatiepunt genoemde bovengrens van 9 maanden gevangenisstraf ter zake van de uitkeringsfraude.

Ook voor het bezit van het vuurwapen en de munitie zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Hieruit volgt dat voor het bezit van een pistool een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als uitgangspunt geldt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de door de raadsman geschetste persoonlijke omstandigheden en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit legt echter onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de hiervoor door de rechtbank genoemde strafverzwarende omstandigheden.

De rechtbank heeft ten slotte geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM van circa drie maanden. Gelet op de beperkte omvang van deze overschrijding zal de rechtbank hieraan geen consequenties verbinden en het laten bij de vaststelling dát de redelijke termijn is overschreden..

Alles in ogenschouw nemende acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest van de verdachte, passend en geëigend. De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel of een andere strafmodaliteit. De ernst van het feit geeft daartoe ook geen enkele aanleiding.

Met de oplegging van deze straf zal de rechtbank de eis van de officier van justitie overstijgen omdat het witwassen is verdisconteerd in de eis en de rechtbank de verdachte hiervoor niet zal veroordelen. De rechtbank ziet hiertoe echter voldoende aanleiding gelet op de hiervoor benoemde strafverzwarende omstandigheden, waarbij met name de duur en de volharding van verdachte in zijn gedragingen en diens gebrek aan inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen van zwaar gewicht zijn.

7 Het beslag

Tijdens het onderzoek is een grote hoeveelheid goederen in beslag genomen.

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de goederen, genummerd 18 en 20, omdat deze goederen in conservatoir (strafvorderlijk) beslag zijn genomen in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Uit de wet en de jurisprudentie volgt dat op een zodanig beslag geen beslissing bij einduitspraak in de strafzaak mogelijk is.

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen, nog niet teruggegeven, overige voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard. Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien het voorwerpen betreffen, waarmee of in verband waarmee de feiten 1 en 3 zijn begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 57, 63 en 227b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

584301 1 1.00 STK Spelcomputer Kl:zwart

NINTENDO Wii wup101 FEM 10591967

584307 12 1.00 STK Afstandsbediening Kl:zwart

NINTENDO wup005 controller voor Wii

584310 21 1.00 STK diverse goederen Kl:zwart

behorend bij Nintendo Wii

584314 22 1.00 STK Modem Kl:wit

re 700 range extender

584317 23 1.00 STK Computer Kl:zwart

NINTENDO Wii KEH703366816 incl sensor

584321 24 1.00 STK Antenne Kl:zwart

radio antenne

  • -

    584325 25 8.00 STK Kabel Kl:divers

  • -

    584332 26 1.00 STK Spelcomputer Kl:zwart

SONY Playstation 3

584333 27 1.00 STK Tuner Kl:grijs

MARANTZ sr6005 serienr M001031000287

584334 2 1.00 STK Spelcomputer Kl:zwart

NINTENDO Wii wup010 JEM114415660

584336 3 1.00 STK Filmcamera Kl:zwart

LOGITECH webcam

584337 4 3.00 STK Afstandsbediening

SAMS ONKYO LOGI 3 afstandsbedieningen

584338 5 1.00 STK Kabel

HDMI kabel

584340 6 7.00 STK Boek

gebruikershandleidingen

584343 7 1.00 STK Tunerversterker Kl:zwart

ONKYO HTR 693 3871MP5470600277

584344 8 1.00 STK Afstandsbediening Kl:wit

PHANTOM PT behorend bij een drone

584346 9 2.00 STK Geluidsbox Kl:zwart

ONKYO SKR590

584347 10 1.00 STK diverse goederen Kl:wit

PHANTOM Behorend bij een drone, type Pt 642580842

584349 11 1.00 STK diverse goederen Kl:wit

PHANTOM pt Behorend bij een drone, type Pt 6452807

61

584351 13 1.00 STK Computer Kl:wit

PHANTOM drone PH 645339894

584353 14 1.00 STK Computer

PHANTOM pv331 drone PH645280761

584354 15 1.00 STK Geluidsbox Kl:zwart

ONKYO skc591n

584356 16 1.00 STK Batterij

PHANTOM 52 mah 11,1 volt

584362 17 1.00 STK Geluidsbox Kl:zwart

ONKYO skf 693

584365 19 1.00 STK Geluidsbox

TANNOY MercuryS10 subwoofer serienr 004803

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en

mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus 2017.

Buiten staat

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 9 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014

te Venray, althans in het arrondissement Roermond en/of Limburg, in elk geval

in Nederland,

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde

verplichting, te weten krachtens artikel 17 van de wet werk en bijstand,

opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,

en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,

terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die

gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond

van de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die

verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, geheel of

gedeeltelijk niet aan de gemeente Venray, afdeling sociale zaken doorgegeven

dat hij

- werkzaamheden verrichtte en/of inkomsten genoot

- over vermogen beschikte oa een hoeveelheid geld en/of een auto;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 september 2014 tot en met 01 april 2015

te Venray, in elk geval in het arrondissement Limburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk radom, model VIS-35,

en/of munitie van categorie III, te weten een of meer, althans 26, patronen

klabier 9 mmen/of 5 patronen van kaliber 25Auto, voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij een of meermalen in of omstreeks het tijdvak van 9 januari 2009 tot en met

31 oktober 2014, te Venray, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (ongeveer 2.660 euro

en/of 4.330 euro en/of 6.400 euro en/of 1.620 euro en/of 17.000 euro),

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben

overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid

geld, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn medeverdachte

wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van sociale recherche Limburg-Noord, proces-verbaalnummer 120003-2014, gesloten d.d. 20 mei 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 952.

2 Brief van de gemeente Venray aan [naam verdachte] d.d. 18 februari 2009, zonder doornummering.

3 P-v d.d. 20 mei 2016, p. 8, 10, 13.

4 BRP-uitdraai op naam van verdachte [naam verdachte] d.d. 10 juni 2015, p. 42.

5 BRP-uitdraai op naam van verdachte [naam medeverdachte] d.d. 10 juni 2015, p. 43.

6 P-v van binnentreden d.d. 13 april 2015, p. 557 tot en met 587.

7 P-v d.d. 20 mei 2016, p. 33.

8 P-v d.d. 3 april 2015, p. 624 e.v.

9 P-v verhoor verdachte [naam medeverdachte] d.d. 2 april 2015, p. 619 tot en met 623.

10 P-v verhoor verdachte [naam medeverdachte] d.d. 3 april 2015, p. 624 tot en met 631.

11 P-v verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 1 april 2015, p. 590 tot en met 592.

12 P-v verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 3 april 2015, p. 597 tot en met 600.

13 P-v verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 1 april 2015, p. 597 tot en met 600.

14 Rechtmatigheidsformulieren WWB, periode 1 januari 2013 t/m 31 januari 2013 ten name van de heer [naam verdachte] , gedateerd 1 februari 2013, niet genummerd.

15 De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 1 augustus 2017.

16 Berekening nadeel, p. 928 tot en met 933.

17 P-v van binnentreden d.d. 13 april 2015, p. 558 en 561.

18 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 1 april 2015, p. 688 tot en met 690.

19 P-v omschrijving wapens en munitie d.d. 11 mei 2015, p. 681 tot en met 683.

20 P-v uitslag sporenonderzoek d.d. 31 juli 2017, zonder doornummering.

21 P-v verhoor verdachte [naam verdachte] d.d. 3 april 2015, p. 666 en de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 augustus 2017.