Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7920

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1460u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim.

Schijn van (in-)directe betrokkenheid bij de aanwezigheid van een hennepplantage in eisers loods en het niet melden aan verweerder van het aantreffen van de hennepplantage door de politie en de inbeslagname van de auto’s, zijn gedragingen die de rechtbank als plichtsverzuim aanmerkt. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim is het onvoorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang, niet onevenredig aan dit verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 16/1460

Uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.F.J. Bergmans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser de disciplinaire maatregel van strafontslag met bevel tot onmiddellijke uitvoering opgelegd.

Bij besluit van 22 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. McKernan, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. F.J.W. de Boer-Heiligers, coördinator P&O, en mr. E.E.J.P. Aarts-Frehen, adviseur juridische zaken.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 15 januari 1971 werkzaam bij verweerder. Eiser is per 1 november 2002 benoemd in de functie van [functieomschrijving] . Bij overeenkomst van

8 juni 2006 is eiser met ingang van 1 april 2007 ontheven van het verrichten van werkzaamheden, maar is tevens besloten dat eiser tot 29 maart 2017 in dienst van verweerder blijft en salaris blijft ontvangen. Tevens is in deze overeenkomst bepaald dat de bepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) onverkort van toepassing blijven.

Op 16 december 2014 is door de politie in verband met het vermoeden van de aanwezigheid van een hennepplantage een inval gedaan in de woning van eiser aan de [adres 1] en in de woning aan de [adres 2] (eveneens eigendom van eiser of diens echtgenote en bewoond door hun zoon en zijn gezin). Bij deze inval zijn hennepplantages aangetroffen in de loods achter de woning van eiser en in de woning aan de [adres 2] . Eiser is op 17 december 2014 door de politie verhoord. Blijkens het hiervan opgemaakte proces-verbaal zijn er onder meer 172 hennepplanten, 2 hennepstekken, 12 assimilatielampen, 15 afgekoppelde assimilatielampen en 13 transformatoren in de loods aangetroffen.

Bij brief van 18 december 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat verweerder van de politie-inval op het adres [adres 1] vernomen heeft en dat verweerder zich zal beraden op passende personele en/of rechtspositionele maatregelen.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek om openheid van zaken te geven over de aangetroffen hennepplantage. Op 3 maart 2015 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden. Bij brief van 16 juni 2015 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat er sprake is van een zeer ernstig vermoeden van directe dan wel indirecte betrokkenheid bij de aangetroffen hennepplantage. Bovendien bestaat bij verweerder het vermoeden dat eiser in het gesprek op 3 maart 2015 een onjuiste en onvolledige verklaring heeft afgelegd. Aan eiser is de gelegenheid geboden hierop te reageren. Eiser heeft met het emailbericht van 25 juni 2015 op het voorgaande gereageerd, onder verwijzing naar een rapport van Enexis van 29 januari 2015, een inspectierapport van verweerder van 17 december 2014 en een klaagschrift van 19 juni 2015, gericht tegen de inbeslagname.

2. Op 27 augustus 2015 heeft verweerder aan eiser het voornemen uitgebracht tot het opleggen van de disciplinaire maatregel van strafontslag als bedoeld in artikel 8:13 juncto artikel 16:1:1 van de CAR/UWO, met bevel tot onmiddellijke uitvoering. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat eiser zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door zich niet te gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt. Eiser wordt tegengeworpen zijn werkgever niet op de hoogte te hebben gebracht van de politie-inval op zijn woonadres vanwege het vermoeden van een hennepplantage. Eiser wordt verdacht van directe of indirecte betrokkenheid bij de opzet en/of exploitatie van de hennepplantage. Eiser wordt er ook van verdacht een onjuiste en/of onvolledige verklaring hierover te hebben afgelegd. De verdenkingen zijn bij verweerder versterkt door sluiting van de loods, inbeslagname van eisers voertuigen en het verwijderen van een raam uit de verzegelde loods om zich zo toegang te verschaffen tot de loods. Eiser heeft zijn zienswijze tegen dit voornemen bij emailbericht van 7 september 2015 kenbaar gemaakt.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 8:13 juncto artikel 16:1:1 juncto artikel 16:1:5 van de CAR/UWO de disciplinaire maatregel van strafontslag opgelegd, met bevel tot onmiddellijke tenuitvoerlegging. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (zie: ECLI:NL:RBLIM:2015:10032).

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften ongegrond verklaard. Door het niet melden van de politie-inval op 16 december 2014, de inbeslagname van de auto’s, het (laten of mede laten) verwijderen van het raam en het langere tijd geen openheid van zaken geven heeft eiser zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. De gedragingen zijn volgens verweerder van dusdanige ernst en gewicht dat geoordeeld moet worden dat eiser niet heeft gehandeld zoals het een goed ambtenaar betaamt. Verweerder acht het plichtsverzuim niet onevenredig aan het onvoorwaardelijke strafontslag met onmiddellijke ingang.

5. Eiser voert in beroep aan dat er geen sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Eiser bestrijdt dat hij niet heeft gehandeld zoals een goed ambtenaar betaamt. Er is volgens eiser geen sprake van een handelen en/of nalaten aan de zijde van eiser waarmee hij blijk zou hebben gegeven de integriteitseisen te overschrijden. De disciplinaire maatregel van strafontslag geeft geen blijk van een juiste weging van alle relevante feiten en omstandigheden.

6. Bij de beoordeling is het navolgende wettelijk kader van belang.

Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Ingevolge artikel 15:1 van de CAR/UWO is de ambtenaar gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 16:1:1 van de CAR/UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden gestraft. In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, bevat.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1914) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens deze rechtspraak van de CRvB wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

8. De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het tenlastegelegde plichtsverzuim bestaat uit 1) de schijn van directe en/of indirecte betrokkenheid bij de aanwezigheid van een hennepplantage in eisers loods en 2) dat eiser niet uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij verweerder van het aantreffen van de hennepplantage door de politie en de inbeslagname van twee auto’s van eiser op 21 mei 2015. Ter zitting is gebleken dat het voorval met betrekking tot het raam van de loods eiser niet als apart element van het plichtsverzuim wordt verweten, maar door verweerder als strafverzwarend wordt aangemerkt.

9. De rechtbank overweegt ten aanzien van het eerste onderdeel van het verweten plichtsverzuim als volgt.

De rechtbank gaat er op basis van het proces-verbaal van verhoor van 17 december 2014 van de politie eenheid Limburg vanuit dat er sprake is geweest van een eerdere oogst in de ruimte in de loods van eiser. Inclusief de staande oogst, welke ongeveer twee weken oud was, kan volgens het proces-verbaal veertien weken worden teruggegaan met betrekking tot de aanleg van de aangetroffen plantage. Dit betekent dat de hennepplantage medio/begin september 2014 moet zijn aangelegd. Eiser stelt zélf (blijkens zijn verklaring in het proces-verbaal) dat hij de filterinstallatie (voor de vijver) in de loods voor het laatst in september 2014 heeft onderhouden, en dat hij medio september/oktober (voor het stallen van de fietsen) én in december 2014 (vlak voor zijn vakantie) in de loods is geweest. De rechtbank acht het op basis van het vorenstaande dan ook onaannemelijk dat eiser geen weet had van de aangelegde hennepplantage in zijn loods. Bovendien had eiser de loods in gebruik voor de opslag van diverse goederen, zoals fietsen en scooters. In de ruimte waar de fietsen waren gestald, is op 16 december 2014 een grote hoeveelheid goederen ten behoeve van de hennepteelt (zoals assimilatielampen) aangetroffen. De verklaring van eiser dat dit deel van de loods afzonderlijk was afgesloten en hij daardoor niet had gezien dat de goederen stonden opgeslagen, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank acht het namelijk erg onaannemelijk dat eiser en zijn echtgenote gedurende veertien weken geen gebruik gemaakt hebben van de gestalde fietsen en scooters. Kortom, eisers hiertoe afgelegde verklaringen, waaronder dat hij niet op de plekken is geweest waar de hennepplantage en/of de daarmee verband houdende goederen aanwezig waren, dat fietsen en scooters en campers en dergelijke al die tijd niet gebruikt zijn, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser had kunnen weten dat er een hennepplantage in zijn loods aanwezig was en dat hiermee sprake is van schijn van (in-)directe betrokkenheid bij de aanwezigheid van een hennepplantage in zijn loods. Deze gedraging merkt de rechtbank als plichtsverzuim aan.

10. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het verweten plichtsverzuim is de rechtbank van oordeel dat eiser onmiddellijk na de inval van de politie op 16 december 2014 melding had moeten maken van de aangetroffen hennepplantage in zijn loods. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet heeft gedaan. Hieraan doet niet af dat verweerder binnen korte termijn na constatering (twee dagen later) een brief aan eiser heeft gestuurd over het vermoeden van de aanwezigheid van een hennepplantage. Eiser heeft evenmin na deze brief van verweerder van 18 december 2014 contact opgenomen met verweerder. Eerst op 3 maart 2015 vindt op initiatief van verweerder een gesprek plaats. Ook uit eisers houding tijdens dit gesprek, zoals blijkt uit het gespreksverslag (waarbij eiser zich afvraagt hoe verweerder weet heeft van de aangetroffen hennepplantage) blijkt dat eiser geen melding heeft willen maken bij verweerder van de aangetroffen hennepplantage. Evenmin heeft eiser bij verweerder gemeld dat op 21 mei 2015 twee auto’s van hem in beslag zijn genomen. Het niet melden van het aantreffen van de hennepplantage door de politie en de inbeslagname van twee auto’s van eiser is hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond. Ook deze gedraging merkt de rechtbank als plichtsverzuim aan. Aan de stelling van eiser dat hij hieraan niet had gedacht, omdat hij niet meer in actieve dienst was bij verweerder, gaat de rechtbank voorbij. Eiser was namelijk nog wel steeds in dienst bij de gemeente. Juist vanwege zijn lange dienstverband had eiser zich moeten realiseren dat hij deze gebeurtenissen onmiddellijk en uit eigen beweging had moeten melden bij verweerder.

11. Uit hetgeen onder rechtsoverweging 9 en 10 is overwogen volgt dat verweerder bevoegd was eiser een disciplinaire straf op te leggen wegens plichtsverzuim. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank het onvoorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang, niet onevenredig aan dit verzuim. Dit betekent dat het voorval met betrekking tot het raam van de loods onbesproken kan blijven.

12. Voor zover eiser tijdens de behandeling ter zitting een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit beroep niet. De enkele verwijzing naar twee ambtenaren die vanwege witwassen “alleen” geschorst zouden zijn, maar dat geen strafontslag zou zijn gevolgd, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft verweerder ter zitting uitdrukkelijk weersproken dat sprake is van vergelijkbare gevallen.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens (voorzitter), en mr. K.M.P. Jacobs en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 augustus 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.