Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7744

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/03/238690 / HA RK 17-174
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Datum beslissing: 8 augustus 2017

Zaaknummer / rekestnummer: C/03/238690 / HA RK 17-174

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [adresgegevens verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Meerssen,

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

de gehele rechtbank Limburg en van mr. W.J.J. Los, rechter in deze rechtbank.

1 De procedure

Op 8 februari 2017 is door deze rechtbank vonnis gewezen in de onteigeningszaak tussen de provincie Limburg en verzoeker waarbij (onder meer) een descente is gelast op 20 juni 2017 om 14.00 uur. Bij brief van 12 juni 2017 heeft de (toenmalige) gemachtigde van verzoeker de rechtbank op de hoogte gesteld van het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 8 februari 2017. Tevens is verzocht om schorsing van de procedure.

De rechtbank heeft, bij rolbeslissing van 14 juni 2017, dit verzoek afgewezen. Een daaropvolgend verzoek tot heroverweging heeft niet tot een andere uitkomst geleid. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker de rechter die de descente zou houden, mr. A.H.M.J.F. Piétte, gewraakt. Gelet hierop heeft de descente geen doorgang gevonden.

Vervolgens heeft de provincie Limburg verzoeker in kort geding gedagvaard. De rechtbank heeft bepaald dat dit kort geding op 10 juli 2017 zal worden behandeld.

Op 4 juli 2017 heeft verzoeker om verdaging van de behandeling verzocht in verband met zijn vakantie, waarbij hij het spoedeisend belang van de provincie in twijfel heeft getrokken. Vervolgens is op 6 juli 2017 namens verzoeker om (verder) uitstel verzocht vanwege twijfel ten aanzien van de absolute bevoegdheid van de rechter in kort geding en het onderzoek dat verzoeker dienaangaande wil uitvoeren. Beide verzoeken zijn afgewezen. Verzoeker heeft vervolgens op 7 juli 2017 een verzoek tot schorsing van de procedure en tot uitstel van het kort geding ingediend, onder verwijzing naar artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit verzoek is door de rechter afgewezen. Op 10 juli 2017 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de behandelend rechter, mr. Los, ingediend. Kort samengevat komen de gronden van dat wrakingsverzoek erop neer dat mr. Los méér rekening heeft gehouden met de belangen van de Provincie dan met de belangen van verzoeker en daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Mr. Los heeft niet in de wraking berust.

Bij beslissing van 21 juli 2017 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van mr. Los en het verzoek tot wraking van mr. Piëtte ongegrond geacht en daarom afgewezen.

De rechtbank heeft op 21 juli 2017 een nieuwe datum bepaald voor de behandeling van het kort geding, zijnde 25 juli 2017 om 15.00 uur. Datum en tijdstip zijn telefonisch meegedeeld aan mr. Cratsborn, advocaat van verzoeker.

Op maandag 24 juli 2017 om 13.42 uur is door mr. Cratsborn om aanhouding van de behandeling van het kort geding gevraagd in verband met nog te verrichten onderzoek, waarvan de uitkomsten bepalend zouden kunnen zijn voor de vraag of de rechtbank wel rechtsmacht toekomt. Dit verzoek is afgewezen, hetgeen aan partijen per e-mail is meegedeeld.

Eveneens op maandag 24 juli 2017 om 21.37 uur is door mr. Cratsborn een voorwaardelijke vordering in reconventie ingediend ten behoeve van de zitting van 25 juli 2017 te 15.00 uur.

Op dinsdag 25 juli 2017 om 00.42 uur heeft mr. Cratsborn per e-mail een brief naar de voorzieningenrechter gestuurd. Hij maakt daarin melding van het feit dat hij namens verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2017 en verzoekt een bevestiging van de voorzieningenrechter dat het geagendeerde kort geding –“in verband met het ingestelde hoger beroep en de daaruit voortvloeiende schorsing van het geding”- geen doorgang kan vinden. Het beroepschrift is bij de brief gevoegd.

Op 25 juli 2017 om 08.32 uur wordt mr. Cratsborn door een medewerkster van de griffie van de rechtbank per e-mail ervan op de hoogte gesteld dat de geplande zitting op 25 juli 2017 om 15.00 uur doorgang zal vinden.

Op 25 juli 2017 om 13.35 uur heeft de heer [verzoeker] vervolgens het onderhavige verzoek tot wraking ingediend.

De wrakingskamer heeft een zitting bepaald voor de behandeling van het verzoek tot wraking, te weten 25 juli 2017 om 15.00 uur. Verzoeker is op 25 juli 2017 om 14.37 uur in kennis gesteld van de dag en het tijdstip van de behandeling van het wrakingsverzoek. Mr. Los heeft per e-mail te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en heeft zijn (eerste) schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.

Vanwege de korte tijdspanne tussen de oproeping van verzoeker en het geplande tijdstip van behandeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer op 25 juli 2017 besloten de behandeling te schorsen tot 3 augustus 2017 om 16.00 uur. Dit tijdstip is op 25 juli 2017, direct na afloop van de zitting, aan alle betrokkenen kenbaar gemaakt.

Mr. Los heeft per e-mail van 27 juli 2017 nog een tweede aanvullende reactie op het wrakingsverzoek gegeven.

De voortzetting van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 3 augustus 2017, waar verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen. Mr. Los is niet verschenen. Namens de provincie is de zitting bijgewoond door mr. C. van Andel, advocate te Arnhem, en mr. [naam] , werkzaam bij de provincie.

2 De gronden van het wrakingsverzoek

Door en namens verzoeker is aangevoerd dat -in onderling verband en samenhang bezien- de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan het wrakingsverzoek:

  • -

    de afwijzing door de rechter van het verzoek tot aanhouding in verband met het te verrichten onderzoek,

  • -

    de korte tijdspanne tussen het bekend maken van het tijdstip waarop het kort geding zou plaatsvinden en de feitelijke behandeldatum,

  • -

    het niet vragen door de rechter naar verhinderdata,

  • -

    het toch laten plaatsvinden van het kort geding, ondanks het ingestelde beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer.

Door zo te handelen heeft mr. Los alle rechten en belangen van verzoeker miskend en is alleen het door de Provincie gestelde “spoedeisend belang” maatgevend geweest voor de door de rechter genomen beslissingen. Een en ander is het gevolg van de grote druk die de Provincie - getuige alle correspondentie die er is geweest onder meer richting het bestuur van de rechtbank - aan de rechtbank Limburg en mr. Los heeft opgelegd. Dit getuigt niet alleen van schijn van vooringenomenheid maar ook van daadwerkelijke vooringenomenheid van de gehele rechtbank Limburg en van mr. Los.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter verwijst in zijn schriftelijke reactie naar de reactie die hij heeft gegeven naar aanleiding van het eerdere wrakingsverzoek. Uit de omstandigheid dat hij het belang van de provincie Limburg bij het doorgaan van de zitting zwaarder heeft gewogen dan het belang van de verzoeker, kan volgens de rechter geen vooringenomenheid worden afgeleid, nu het doorgaan van de zitting los staat van de vraag of de vordering van de provincie Limburg zou kunnen worden toegewezen.

Aanvullend heeft de rechter nog aangegeven dat de “druk” die de Provincie heeft uitgeoefend, niet anders is dan de “druk” die elke procespartij uitoefent, indien zij meent dat zij een groot belang heeft bij een zitting op de kortst mogelijke termijn.

De uitstelverzoeken ná de beslissing op het eerste wrakingsverzoek zijn volgens de rechter van gelijke aard als de eerdere uitstelverzoeken.

Het instellen van hoger beroep tegen de beslissing op het eerste wrakingsverzoek is voor mr. Los geen reden geweest om de mondelinge behandeling uit te stellen, nu tegen deze beslissing geen voorziening open staat. Het verzoek tot wraking dient daarom volgens de rechter te worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij dienen feiten en omstandigheden te worden gesteld, die de rechter betreffen tegen wie het wrakingsverzoek zich richt.

Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen individuele rechters die de zaak behandelen. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel, zoals door verzoeker wordt verzocht.

Voor zover het verzoek tot wraking ziet op wraking van de gehele rechtbank Limburg kan verzoeker daarom niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek tot wraking dat is gericht tegen mr. Los, beoordeelt de wrakingskamer of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3.

De wrakingskamer stelt vast dat voor zover er al concrete gronden tegen de rechter zijn aangevoerd, deze zien op door hem genomen procesbeslissingen - namelijk het vaststellen van de datum en het tijdstip van de behandeling van het kort geding. Een procesbeslissing vormt in beginsel geen grond voor wraking, ook niet als die beslissing de verzoeker onwelgevallig is. Dat kan anders zijn indien voor die beslissing geen andere verklaring te geven is dan dat die door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.4.

De redenen waarom verzoeker aanhouding van de behandeling van het kort geding op 25 juli 2017 heeft gevraagd en waarop de voor verzoeker negatief uitgevallen procesbeslissing is genomen, zijn gelijk aan de redenen die ten grondslag lagen aan een eerder aanhoudingsverzoek. De wrakingskamer heeft al bij beslissing van 21 juli 2017 geoordeeld dat de afwijzing van dit verzoek, met inachtneming van de door de rechter in zijn reactie gegeven motivering van zijn procesbeslissingen, geen aanwijzing oplevert voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing. Het gegeven dat nu als grondslag voor een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het kort geding op 25 juli 2017, het lopende hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2017 erbij is gekomen, maakt dit niet anders. De rechter heeft geoordeeld dat dit geen reden was om de behandeling van het kort geding aan te houden, omdat zijns inziens tegen de beslissing van de wrakingskamer geen hoger beroep open staat, waarbij hij verwijst naar artikel 39 lid 5 Rv. Ook dit is geen beslissing waaruit enige vooringenomenheid van de betreffende rechter kan worden afgeleid.

Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 3 augustus 2017 verzoeker niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van 21 juli 2017.

4.5.

Het verzoek is dan ook ongegrond en zal daarom worden afgewezen.

4.6.

Evident is dat verzoeker groot belang heeft bij vertraging van de verschillende procedures die betrekking hebben op door de Provincie onteigende/te onteigenen gronden. Immers, indien de Provincie in de verschillende procedures het gelijk aan haar zijde krijgt, betekent dit voor verzoeker dat de gronden ook daadwerkelijk door de Provincie in gebruik genomen kunnen en gaan worden.

Uit de onder 1. beschreven gang van zaken blijkt dat verzoeker al het mogelijke doet om die onteigening te voorkomen en dat de daarmee samenhangende procedures mede daardoor al geruime tijd slepen. Dat er voor verzoeker grote belangen op het spel staan betekent niet dat, op momenten dat verzoeker geen andere uitweg meer ziet, het wrakingsinstrument door hem mag worden gebruikt om de lopende procedures te vertragen. Daarvoor is dit middel niet bedoeld. Verzoeker voert in de wrakingsprocedures steeds min of meer dezelfde gronden aan. Gronden die niet kunnen leiden tot een geslaagde wraking omdat geageerd wordt tegen (onwelgevallige) procesbeslissingen.

De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, zodat er sprake is van misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 Rv bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

5 De beslissing

De rechtbank

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover het de gehele rechtbank Limburg betreft;

 wijst het verzoek tot wraking van mr. W.J.J. Los af;

 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en mr. J.H. Klifman, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.