Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7729

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
AWB 17/1850 + AWB 17/2238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 23 maart 2017 een nader besluit is en dat het bezwaar en beroep gelet op artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op dit nadere besluit. In het besluit van 23 maart 2017 is bepaald dat de sluiting in twee delen zal plaatsvinden en dat de eerste drie maanden ingaan per 17 juli 2017.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gelet op de aangetroffen hoeveelheid metamfetamine (10,9 gram), zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een handelshoeveelheid is. Dit betekent dat verweerder in beginsel bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan. Het moet eiser worden toegegeven dat 10,9 gram geen grote handelshoeveelheid is, maar het is wel een hoeveelheid meer dan voor eigen gebruik. In een dergelijk geval ligt het – volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling – op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien eiser een plausibele, concrete verklaring had gegeven voor de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn woning en uit deze verklaring het tegendeel zou volgen, had eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat eiser het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt in redelijkheid niet in te zien dat met een sluiting van de woning per 17 juli 2017 voor een periode van drie maanden nog wordt tegemoetgekomen aan de doelstellingen, zoals deze in de beleidsregel zijn opgenomen. Desgevraagd verklaarde de gemachtigde van verweerder ter zitting niet te weten of zich sinds 15 november 2016 nog incidenten hebben voorgedaan in of rondom de woning. Tegenover het algemene belang – waarvan de voorzieningenrechter in redelijkheid niet inziet dat dit thans nog wordt gediend – staat het individuele belang van eiser, zijn kinderen en de dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 17/1850 en AWB/ROE 17/2238

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[…] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.D. Regter),

en

de burgemeester van de gemeente Brunssum, verweerder

(gemachtigde: mr. H.W. van Haaren).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van de woning gelegen aan de [adres] te Brunssum voor de duur van zes maanden.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter op 16 februari 2017 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder AWB 17/470. Eiser heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen 10 maart 2017 ingetrokken.

Partijen hebben op 8 maart 2017 afspraken gemaakt. Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder (onder meer) medegedeeld dat de sluiting van de woning zal plaatsvinden per

17 juli 2017 voor de duur van drie maanden.

Op 4 juli 2017 heeft eiser een nieuw verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de voorzieningenrechter op 10 juli 2017 schriftelijk meegedeeld te wachten met sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, AWB 17/2238, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Uit het politierapport van 15 november 2016 volgt dat op dinsdag

15 november 2016 op het perceel en in de woning van eiser een onderzoek is ingesteld in het kader van de Opiumwet. In de keuken van de woning is in een zwarte ijzeren ketel, die stond op de koelkast, één gripzakje gevonden, met als inhoud witte kristallen, met een nettogewicht van 0,4 gram. Middels een MMC-kleurentest werd positief gereageerd op crystal meth. In een servieskast, in de keuken van de woning, is in een koffiekopje één gripzakje gevonden, met als inhoud witte kristallen met een nettogewicht van 10,5 gram. Middels een MMC-kleurentest werd ook positief gereageerd op crystal meth. Tevens is door een medewerker van Enexis vastgesteld dat sprake is van gasfraude omdat in de woning gebruik werd gemaakt van een niet-geregistreerde gasmeter. In een rapport van 5 december 2016 van het Nederlands Forensisch Instituut wordt geconcludeerd dat het betreft: metamfetamine. Metamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet.

3. Eiser is eigenaar van voormelde woning. Hij staat samen met zijn twee kinderen van twaalf en achttien jaar oud ingeschreven op voornoemd adres in de Basisregistratie Personen. Bij brief van 17 november 2016 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt om eisers woning voor de duur van zes maanden te sluiten. Tegen dat voornemen heeft eiser op 28 november 2016 respectievelijk 2 december 2016 zijn zienswijze ingediend. De door eiser ingediende zienswijze heeft geen verandering gebracht in het voornemen van verweerder. Bij het primaire besluit heeft verweerder gelast eisers woning te sluiten voor een periode van zes maanden overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en de door verweerder vastgestelde beleidsregels.

4. Op 8 maart 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Uit de brief van verweerder van 23 maart 2017 blijkt dat de volgende afspraken zijn gemaakt:

  1. “Uw jongste kind is schoolgaand (groep 8) in de onmiddellijke nabijheid. In het belang hiervan schort ik de uitvoering van de sluiting op tot de datum van 17 juli 2017 zodat uw kind haar schoolperiode vanuit de haar vertrouwde woonomgeving kan afronden.

  2. Door deze opschorting kunt u tevens de voorgenomen verkoop van uw woning doorgang laten vinden.

  3. Uw woning wordt per 17 juli 2017 voor een 1e periode van drie maanden gesloten.

  4. In de periode van sluiting sta ik niet toe dat de thans aanwezige dieren ter plaatse verzorgd gaan worden. Door voornoemde opschorting van mijn besluit stel ik u in de gelegenheid om een passende oplossing te vinden voor de aanwezige (huis)dieren.

  5. In de periode voorafgaand aan de sluiting (voorafgaand aan 17 juli) laat u elke vorm van maatschappelijke hulp, Toegangsteam Jeugd toe en handelt u conform gemaakte afspraken met deze instanties.

  6. In de periode voorafgaand aan de sluiting (voorafgaand aan 17 juli) komt u niet meer in aanraking met verdovende middelen of pleegt u andere gedragingen die bij wet verboden zijn.

  7. Na de 1e periode van sluiting gaan we opnieuw met elkaar in gesprek om te bezien op welke wijze invulling gegeven gaat worden aan de 2e periode van sluiting (2e drie maanden).”

5. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. De Commissie voor de bezwaarschriften (de Commissie) heeft verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Verweerder heeft dit advies gevolgd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een handelshoeveelheid verdovende middelen. Conform het beleid wordt de woning voor de duur van zes maanden gesloten. Volgens verweerder is voldoende rekening gehouden met de belangen van eiser en zijn kinderen met de maatwerkafspraken, zoals weergegeven in de brief van 23 maart 2017.

6. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen en heeft samengevat aangevoerd dat in de woning en op het erf huisdieren verblijven. Eiser heeft geen mogelijkheden om voor hem, zijn kinderen en de aanwezige huisdieren alternatief onderdak te vinden. Ter onderbouwing van zijn financiële situatie heeft eiser rekeningafschriften overgelegd. Sluiting van de woning zullen de kinderen en de huisdieren onevenredig hard treffen. Eiser is van mening dat de burgemeester in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind handelt. Ook heeft de burgemeester niet gemotiveerd waarom een last onder dwangsom minder effectief is dan een last onder bestuursdwang en heeft evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet van zijn beleid wil afwijken.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 23 maart 2017 een nader besluit is en dat het bezwaar en beroep gelet op artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op dit nadere besluit. In het besluit van 23 maart 2017 is bepaald dat de sluiting in twee delen zal plaatsvinden en dat de eerste drie maanden ingaan per 17 juli 2017. De voorzieningenrechter kan niet anders dan concluderen dan dat deze brief op rechtsgevolg is gericht en verder gaat dan enkel de feitelijke uitvoering. In het bestreden besluit heeft verweerder niet onderkend dat de brief van 23 maart 2017 een besluit is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het bestreden besluit reeds hierom te vernietigen, omdat met de nadere afspraken wel rekening is gehouden in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat onduidelijk is gebleven wanneer verweerder het tweede deel van de sluiting wil effectueren. Hierover heeft geen besluitvorming plaatsgevonden en desgevraagd verklaarde de gemachtigde van verweerder ter zitting dat nog geen concrete plannen bestaan, omdat eerst deze uitspraak wordt afgewacht.

9. De voorzieningenrechter stelt vast aan dat het besluit van verweerder om de woning met ingang van 17 juli 2017 te sluiten overleg met eiser heeft plaatsgevonden. Dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt veronderstelt een wederzijdse instemming. Aan de andere kant heeft eiser de bezwaarprocedure voortgezet, waaruit reeds volgt dat hij het überhaupt niet eens was met de sluiting van zijn woning. De voorzieningenrechter zal daarom de besluitvorming verder bespreken aan de hand van de aangevoerde gronden.

10. Uit het voorgaande volgt dat thans ter beoordeling voorligt de sluiting van de woning van eiser voor de duur van zes maanden, de effectuering van de sluiting van drie maanden per 17 juli 2017 en het opschorten van de uitvoering van de sluiting van drie maanden voor onbepaalde tijd. De voorzieningenrechter stelt vast dat geen beroepsgronden zijn aangevoerd tegen het laatstgenoemde onderdeel van het besluit.

11. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijke herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van deze wet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362).

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gelet op de aangetroffen hoeveelheid metamfetamine (10,9 gram), zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een handelshoeveelheid is. Dit betekent dat verweerder in beginsel bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan. Het moet eiser worden toegegeven dat 10,9 gram geen grote handelshoeveelheid is, maar het is wel een hoeveelheid meer dan voor eigen gebruik. In een dergelijk geval ligt het – volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling – op de weg van eiser om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien eiser een plausibele, concrete verklaring had gegeven voor de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn woning en uit deze verklaring het tegendeel zou volgen, had eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat eiser het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser stelt over de drugs dat hij deze eind augustus heeft gevonden na een tuinfeest, waar ongeveer zeventig personen aanwezig waren. Vervolgens was hij vergeten dat hij de drugs in huis had. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de voorzieningenrechter eiser uitgebreid bevraagd over dit tuinfeest. Volgens eiser hebben bekenden – eiser heeft niet genoemd wie – dit tuinfeest bij hem gehouden tegen een vergoeding van € 150,-. De afspraak was dat eiser de dag erna zijn perceel/de tuin zou opruimen. Er lag heel veel rommel op het perceel, zoals lege blikjes, maar ook deze twee zakjes met verdovende middelen. Eiser wist wat dit was, omdat hij in het verleden ook gebruikte, maar op dit moment niet meer. Hij heeft de zakjes in de keuken gelegd, buiten het bereik van de kinderen en is dit daarna helemaal vergeten, omdat net op dat moment de bel ging en hij de deur moest openmaken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser met deze verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze verdovende middelen aanwezig waren voor eigen gebruik, althans dat deze drugs niet was bestemd voor de handel. De voorzieningenrechter acht de verklaring van eiser ongeloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat eiser de overige rommel meteen weggooide, maar de drugs niet. Aan zijn verklaring dat hij deze door het toilet wilde spoelen, hecht de voorzieningenrechter geen geloof, omdat dan niet valt in te zien waarom hij dit niet heeft gedaan. Feit is immers dat de drugs in de keuken is aangetroffen op twee verschillende plekken. Nu eiser het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan de voorzieningenrechter – gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling – niet anders dan concluderen dat verweerder bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan.

14. Vervolgens ligt de vraag ter beoordeling voor of verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

15. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter die bevoegdheid terughoudend moet toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingsduur heeft verweerder beslissingsruimte. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld, “Beleidsregels van de burgemeester van Brunssum voor de toepassing van artikel 13b Opiumwet en artikel 174 Gemeentewet”. Op grond van dit beleid wordt in geval van handel in harddrugs in woningen, de woning bij een eerste overtreding gesloten voor de duur van zes maanden.

Bij het toepassen van bestuursdwang wordt in beginsel gekozen voor sluiting van woning of lokaal. Dit is de meest effectieve maatregel om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen. Tevens is in verweerders beleid opgenomen dat als regel wordt gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een dwangsom. Bestuursdwang is een directer middel. Van een dwangsom mag in de meeste gevallen weinig effect worden verwacht, gelet op het feit dat het financiële gewin in het drugscircuit zodanig groot is, dat met een dwangsom naar verwachting niet zal worden bereikt, dat een overtreding ophoudt of niet meer wordt herhaald. Als begunstigingstermijn wordt (behoudens spoedeisende gevallen en harddrugs) een periode van 3 x 24 uur aangehouden waarbinnen betrokkene zelf in de gelegenheid is om gevolg te geven aan de opgelegde last.

16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit beleid niet als onredelijk worden aangemerkt. De Afdeling heeft in een vaste jurisprudentielijn meerdere malen beleidsregels, waarin is vastgesteld dat in geval van harddrugs wordt overgegaan tot onmiddellijke sluiting, niet onredelijk geacht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362). Ook het uitgangspunt dat in een dergelijk geval de woning voor de duur van zes maanden wordt gesloten acht de voorzieningenrechter niet onredelijk.

17. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verweerder in het geval van eiser niet overeenkomstig de beleidsregel heeft gehandeld. De reguliere begunstigingstermijn is namelijk 3 x 24 uur en als sprake is van harddrugs, wordt normaliter zelfs een kortere begunstigingsperiode gehanteerd, zo begrijpt de voorzieningenrechter de beleidsregel althans. Verweerder hanteert thans feitelijk een begunstigingsperiode van ongeveer acht maanden. Verder heeft verweerder bij besluit van 23 maart 2017 de sluitingsperiode in tweeën geknipt, waarbij nog geen ingangsdatum is vastgesteld voor het tweede deel van de sluiting. Hoewel in de beleidsregel geen regel is opgenomen dat de sluiting aaneengesloten dient plaats te vinden, zal dit in de praktijk wel altijd het geval zijn, gelet op de in de beleidsregel opgenomen doelstellingen (motieven). Door het hanteren van een lange begunstigingstermijn en door de sluitingsperiode op te knippen, houdt verweerder weliswaar rekening met de belangen van het minderjarige kind, maar deze handelwijze valt niet te verenigingen met de motieven voor sluiting van de woning, zoals deze in de beleidsregel zijn geformuleerd. De voorzieningenrechter onderkent dat verweerder in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit in veel gevallen niet tot onmiddellijke sluiting zal overgaan, maar rekening houdend met de belangen van de bewoners en de mogelijkheden tot het inroepen van rechtsbescherming, een langere begunstigingstermijn zal hanteren. In dit geval heeft verweerder echter op verdergaande wijze afgeweken van de reguliere begunstigingstermijn en de sluitingsperiode in tweeën gesplitst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt in redelijkheid niet in te zien dat met een sluiting van de woning per 17 juli 2017 voor een periode van drie maanden nog wordt tegemoetgekomen aan de doelstellingen, zoals deze in de beleidsregel zijn opgenomen. Desgevraagd verklaarde de gemachtigde van verweerder ter zitting niet te weten of zich sinds 15 november 2016 nog incidenten hebben voorgedaan in of rondom de woning. Tegenover het algemene belang – waarvan de voorzieningenrechter in redelijkheid niet inziet dat dit thans nog wordt gediend – staat het individuele belang van eiser, zijn kinderen en de dieren. Eiser heeft enig inzicht gegeven in zijn financiële situatie door het overleggen van de bankafschriften. Verweerder heeft deze financiële gegevens niet weersproken. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat eiser op dit moment niet de financiële middelen heeft om een alternatieve woning te bekostigen. Dat de woning te koop staat en dat eiser, zijn kinderen en de dieren bij verkoop de woning ook zullen verlaten, acht de voorzieningenrechter niet relevant. Bij verkoop komen de vaste lasten ten aanzien van de woning te vervallen. Tevens zal eiser dan met de koper afspraken kunnen maken over het opvangen van de duiven, die uitvliegen en terug zullen keren naar hun nest.

18. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door de primaire besluiten te herroepen. Dit betekent dat verweerder de woning niet mag sluiten. Omdat de voorzieningenrechter hiermee het geschil finaal heeft beslecht, is het niet nodig een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

19. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht (tweemaal € 168,-) terugbetaalt.

20. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.475,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 2.475,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.S.J.M. Naebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 augustus 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.