Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7610

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
03/866198-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf wegens een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan en bedreiging van een politieagent, door op deze verbalisant in te rijden tijdens een vluchtpoging. Verdachte wordt ook veroordeeld voor het beschadigen van twee auto’s bij die vluchtpoging. De verdachte had niet de intentie om de verbalisant zwaar te verwonden, maar heeft de kans daarop wel bewust aanvaard tijdens zijn vluchtpoging. Vrijspraak ten aanzien van vijf andere verbalisanten, omdat er geen feitelijke kans was dat deze verbalisanten door de auto van de verdachte zouden worden geraakt op de posities waar zij zich bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0676

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866198-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 augustus 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.L. Rinsma, advocaat, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2015 onder het parketnummer 03/721313-13. De verdachte en zijn raadsman waren bij die zitting aanwezig. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten toen kenbaar gemaakt. Op 11 november 2015 heeft de rechtbank ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde feiten vonnis gewezen. Ten aanzien van de feiten 1A, 1B, 2 en 3 oordeelde de rechtbank echter dat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte om over de gevoerde verweren te kunnen oordelen. Zij heeft het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van die feiten dan ook heropend en heeft van het gebeuren op 22 augustus 2013 aan de Heerlerbaan te Heerlen een reconstructie bevolen. Die reconstructie heeft -door omstandigheden- pas op 20 april 2017 plaats kunnen vinden. Tussentijds is een nieuw parketnummer gekoppeld aan de feiten waarover de rechtbank nog moet oordelen, te weten 03/866198-16 en de beoordeling van die zaak ligt thans voor. Op 10 juli 2017 heeft vervolgens de nadere inhoudelijke behandeling plaats gevonden, bij welke gelegenheid de officier van justitie en de raadsman opnieuw in de gelegenheid waren om hun standpunten kenbaar te maken. De verdachte en zijn raadsman zijn daartoe verschenen. Namens de benadeelde partijen was daarbij aanwezig de heer [betrokkene 1] van het team Geweld Tegen Politie Ambtenaren.

Ten slotte is op 21 juli 2017 het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om aan de politieambtenaren [agent 1] , [agent 2] , [agent 3] , [agent 4] , [agent 5] en/of [agent 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en hen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Feit 2: een auto van [benadeelde] heeft vernield en/of beschadigd.

Feit 3: een auto van de politie heeft vernield en/of beschadigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de camerabeelden van coffeeshop [naam coffeeshop] en de animatie van het NFI. Daarop is zichtbaar dat de agenten opzij moesten springen toen de verdachte naar rechts stuurde. Ook is zichtbaar dat een verbalisant weg moest springen op het moment dat de verdachte gekeerd was en flink gas gaf. De reconstructie heeft nog eens extra bevestigd dat in de situatie op 22 augustus 2013 mensen zwaar gewond hadden kunnen raken. Alle verbalisanten moesten continu in beweging blijven om niet te worden aangereden. Verdachte wilde koste wat kost wegkomen en heeft door zijn rijgedrag agenten in gevaar gebracht en bedreigd en bovendien twee auto’s beschadigd. Dat de verdachte niet heeft gehoord of gezien dat het politieagenten waren, is onaannemelijk zoals uit de reconstructie is gebleken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de feitelijke gang van zaken opgesplitst in twee afzonderlijk te beoordelen situaties. Dit betreft de situatie voorafgaand aan het door de politie geloste schot en de situatie daarna.

Ten aanzien van de eerste situatie heeft de raadsman betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1A en feit 1B, omdat uit het dossier en in het bijzonder uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte de auto niet dusdanig heeft bestuurd dat hij op de politieagenten is ingereden dan wel dat zij moesten wegspringen om niet door de auto geraakt te worden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat partieel vrijspraak moet volgen voor deze feiten. De verdachte had immers geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, om de verbalisanten [agent 3] , [agent 4] , [agent 5] , [agent 6] en [agent 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of te bedreigen.

Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor ontslag van rechtsvervolging, omdat aan de verdachte een beroep toekomt op de schulduitsluitingsgrond putatief noodweer.

Ten aanzien van de tweede situatie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ook hier het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [agent 2] of het bedreigen van die [agent 2] niet bewezen kan worden.

Geheel subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, omdat hem een beroep toekomt op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht.

Ook ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman het voornoemde verweer gevoerd, strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Het feitenrelaas

De politie heeft op 22 augustus 2013 een observatieteam (OT) en een aanhoudingseenheid (AE) ingezet ter aanhouding van de verdachte in verband met het feit dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan een aantal vermogensdelicten (ramkraken). De verdachte moest bovendien nog een gevangenisstraf van een jaar uitzitten.2

Bij de politie was ambtshalve bekend dat de verdachte vluchtgevaarlijk was. Om die reden werd besloten om de aanhouding van de verdachte te laten uitvoeren door de AE.3

Het OT heeft de verdachte op 22 augustus 2013 gedurende de dag geobserveerd. De verdachte reed die dag in een Volkswagen Golf. Later bleek die Golf te zijn gestolen. Omwille van de leesbaarheid zal de rechtbank echter in het navolgende steeds spreken over de auto van de verdachte, wanneer die Volkswagen Golf bedoeld wordt.

Tijdens deze observatie raakte het OT de verdachte een paar keer kwijt vanwege de hoge snelheden (van boven de 200 km/uur) waarmee de verdachte reed. Toen de verdachte in Meerssen was, stapte een man (naar later bleek [betrokkene 2] ) als bijrijder bij de verdachte in de auto. Samen reden zij vervolgens naar coffeeshop [naam coffeeshop] , gevestigd aan de Heerlerbaan te Heerlen.4

De verdachte parkeerde de auto (een Volkswagen Golf) op de parkeerplaats bij de coffeeshop, met de voorzijde van de auto richting de gevel van de coffeeshop. Op de parkeerplaats, die geheel is omsloten door woningen en bedrijfspanden, stonden op dat moment nog zes andere auto’s geparkeerd. In de parkeervakken links naast de Volkswagen van de verdachte, stonden drie auto’s geparkeerd. Aan de andere zijde van de parkeerplaats stonden drie auto’s geparkeerd, te weten: een Ford Ka, een Ford Fiesta en een Opel Zafira. Tussen de Ford Ka en de Opel Zafira bevond zich een leeg parkeervak.5

Nadat de verdachte de auto had geparkeerd, is hij uitgestapt en de coffeeshop binnen gegaan. Enkele minuten later, omstreeks 20.55 uur, kwam de verdachte weer naar buiten en stapte in de auto. Op dat moment had de AE al besloten om de verdachte aan te houden. De AE maakte gebruik van twee onopvallende dienstauto’s: een Seat Altea en een Volkswagen Golf (de “pakauto”).6

In de Volkswagen Golf (de “pakauto”) zaten vier verbalisanten: [agent 3] (bestuurder), [agent 4] (bijrijder), [agent 6] (links achterin) en [agent 5] (rechts achterin). In de Seat Altea zaten twee verbalisanten: [agent 2] (bestuurder) en [agent 1] (bijrijder), de laatste als commandant van de AE.7

De gebeurtenissen die zich vervolgens hebben afgespeeld zijn vastgelegd door verschillende bewakingscamera’s, welke zijn bevestigd op de gevel van coffeeshop [naam coffeeshop] . De beelden zijn door de politie geanalyseerd en beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. In

dit proces-verbaal is gerelateerd dat op de camerabeelden het volgende is te zien – zakelijk weergegeven –:8

Omstreeks 20.55 uur loopt de verdachte vanuit coffeeshop [naam coffeeshop] naar de Volkswagen

Golf. Hij opent het bestuurdersportier en stapt in de auto.

Om 20.56 uur komt een Volvo Stationcar de parkeerplaats opgereden. De bestuurder van de Volvo rijdt achter de Volkswagen Golf van de verdachte langs en parkeert de auto achter het gebouw van de coffeeshop. Enkele seconden later komen achtereenvolgens de auto’s van de AE het parkeerterrein opgereden. De zogenoemde “pakauto” (Volkswagen Golf) rijdt als eerste de parkeerplaats op en stopt direct achter de auto van de verdachte. De Seat Altea komt direct daarna de parkeerplaats opgereden en stopt achter de “pakauto”, op zodanige wijze dat de uitgang van het parkeerterrein is geblokkeerd.

Op de beelden is vervolgens te zien dat de verbalisanten [agent 4] en [agent 5] uit de “pakauto” stappen en met versnelde pas richting de auto van de verdachte lopen. Direct daarna stappen ook de verbalisanten [agent 6] en [agent 3] uit de auto. Verbalisant [agent 6] rent naar het bestuurdersportier van het voertuig van de verdachte en verbalisant [agent 3] , die als laatste is uitgestapt, loopt naar de linkerzijde van de auto van de verdachte. Op dat moment is de auto van de verdachte al in beweging.

De verdachte rijdt eerst een klein stukje achteruit. Vervolgens rijdt hij vooruit en maakt een scherpe bocht naar rechts. De verdachte kan de draai niet volledig maken, omdat de Ford Ka in de weg staat. De verdachte remt, rijdt een stukje achteruit en keert zijn auto zodanig dat hij met de neus van zijn auto in de richting van de uitgang van de parkeerplaats staat. Hij geeft vervolgens gas en rijdt vooruit, in de richting van de uitgang van het parkeerterrein. Op het moment dat de verdachte vooruit rijdt, staat verbalisant [agent 2] , die in de tussentijd is uitgestapt, recht voor de auto van de verdachte, op een afstand van ongeveer twee tot drie meter. Op de beelden is te zien dat [agent 2] opzij moet springen om te voorkomen dat

hij wordt aangereden door de auto van de verdachte. Tussen het moment dat [agent 2] opzij springt en het moment dat de verdachte hem passeert, zit slechts een fractie van een seconde. Door verbalisant [agent 5] wordt nadat de verdachte de manoeuvre richting de uitgang van de parkeerplaats heeft ingezet met het dienstvuurwapen een schot in de richting van de door de verdachte bestuurde auto afgevuurd.

De verdachte rijdt met onverminderde snelheid verder in de richting van de uitgang van

de parkeerplaats en komt in botsing met de aldaar geparkeerde Seat Altea en Ford Fiesta.

Nadat het voertuig van de verdachte tot stilstand is gekomen, wordt de verdachte door de leden van de AE uit zijn auto getrokken en aangehouden.

Tijdens de hiervoor beschreven rijmanoeuvres van verdachte (scherpe bocht naar rechts,

het naar achteren rijden en het naar voren rijden) lopen de verbalisanten [agent 3] , [agent 5] , [agent 6] en [agent 4] aan weerszijden met de auto mee. [agent 6] loopt aan de linkerzijde van de auto en de andere drie verbalisanten aan de rechterzijde van de auto. De verbalisanten

staan (constant) op een afstand van ongeveer een halve tot twee meter van de auto verwijderd.

De camerabeelden van het incident zijn eveneens bekeken en geanalyseerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het NFI heeft een animatie van de beelden gemaakt, waarin met gekleurde kolommen is aangegeven waar de verschillende politieagenten tijdens het incident hebben gestaan/gelopen.

Hetgeen door de politie is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden, wordt ondersteund door de animatie van het NFI.9

Op 23 augustus 2013 hebben twee verbalisanten, tevens werkzaam als ongevallenanalist

bij de afdeling Forensische Opsporing van de politie, een technisch onderzoek ingesteld

op de parkeerplaats bij coffeeshop [naam coffeeshop] . Op het wegdek van de parkeerplaats werd

een acceleratiespoor aangetroffen dat afkomstig was van de door verdachte bestuurde Volkswagen Golf. Op grond van dit acceleratiespoor kon worden vastgesteld dat de verdachte op het einde van het acceleratiespoor, had gereden met een snelheid van

ongeveer 21 tot 26 km/uur.10

De verbalisanten van de VOA verklaren, dat het laatste deel van het sporentraject – de knik naar rechts – niet in de berekening van de snelheid werd meegenomen. Verbalisanten relateren dat gesteld kan worden, dat de gereden snelheid – ter hoogte van deze knik naar rechts – in geringe mate hoger zal zijn geweest.11

Verbalisant [agent 2] heeft op 23 augustus 2013 ten overstaan van de Rijksrecherche verklaard dat hij op 22 augustus 2013 betrokken was bij de aanhouding van de verdachte

op de parkeerplaats bij coffeeshop [naam coffeeshop] in Heerlen. Tijdens de aanhoudingsprocedure sloeg de bestuurder van de Volkswagen Golf (de verdachte) op de vlucht. Hij keerde zijn auto, gaf vervolgens vol gas en reed in de richting van de uitgang van het parkeerterrein.

[agent 2] zag dat de verdachte op hem af reed en sprong opzij.12

Verbalisant [agent 2] heeft op 27 augustus 2013 aangifte gedaan tegen de verdachte ter zake van onder meer poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en bedreiging.

[agent 2] heeft, in aanvulling op zijn verklaring tegenover de Rijksrecherche, verklaard dat hij zich ernstig bedreigd had gevoeld door het rijgedrag van de verdachte. [agent 2] was bang dat hij zou worden aangereden door de verdachte; hij vreesde voor zijn leven.13

Zoals hiervoor reeds aangegeven is de verdachte tijdens zijn manoeuvre met zijn auto in botsing gekomen met een Ford Fiesta toebehorende aan [benadeelde] en een Seat Altea toebehorende aan de politie. Door deze botsing zijn beide voertuigen beschadigd. [benadeelde] en de politie hebben hiervan aangifte gedaan.14

3.3.2

De overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1A tenlastegelegde feit

De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de verdachte erop uit is geweest om de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte heeft verklaard dat hij in paniek is geraakt en dat hij wilde wegvluchten. Het primaire doel was de vlucht. Dat betekent dat geen sprake was van ‘boos’ opzet.

Hoewel de intentie van de verdachte niet gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten, kunnen bepaalde handelingen toch dusdanig gevaarzettend zijn dat reeds in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. Dat heet met een juridische term voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt. Het inrijden op personen kan onder omstandigheden zeker een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebrengen.

De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of de verdachte met zijn rijgedrag voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten [agent 2] , [agent 3] , [agent 6] , [agent 4] , [agent 1] en [agent 5] . Om die vraag te beantwoorden, moet de rechtbank enerzijds vaststellen of er een aanmerkelijke kans was dat de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen door de concrete handelingen van de verdachte en anderzijds vaststellen of de verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval zwaar lichamelijk letsel bij de zes verbalisanten. Daarbij mag de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen. Dat laatste is een zeer belangrijke kanttekening.

Het voorgaande impliceert dat de rechtbank - achteraf - vast moet stellen of er daadwerkelijk een feitelijke kans was dat de verbalisanten geraakt konden worden op de posities waar zij zich bevonden én of er een aanmerkelijke kans bestond dat zij daardoor zwaar gewond zouden raken. Zoals hiervoor reeds vermeld is dit een heel objectieve en feitelijke benadering, die mogelijk geen recht doet aan het gevoel dat ter plaatse bij de betrokken verbalisanten heeft bestaan. Van de rechtbank wordt echter verwacht dat zij op basis van objectieve feiten oordeelt en niet op basis van gevoelens, ongeacht hoe invoelbaar deze gevoelens ook mogen zijn.

Dat gezegd hebbende, zal de rechtbank nu over gaan tot beoordeling van de feitelijke situatie.

De rechtbank stelt op grond van de camerabeelden vast dat de verdachte tijdens zijn poging om te vluchten niet daadwerkelijk met de door hem bestuurde Volkswagen Golf is ingereden op de verbalisanten [agent 1] , [agent 4] , [agent 5] , [agent 3] en [agent 6] .

De verbalisanten [agent 3] , [agent 5] , [agent 4] en [agent 6] bevonden zich tijdens het incident aan weerszijden van de auto van de verdachte. Zij hebben hun posities weliswaar moeten aanpassen aan het rijgedrag van de verdachte, maar de feitelijke kans dat zij zouden worden geraakt door de auto van verdachte is - gezien hun posities ten opzichte van de auto van de verdachte - niet aanmerkelijk te noemen. Dat geldt ook voor verbalisant [agent 1] .

De rechtbank zal de verdachte, gelet op het vorenstaande, vrijspreken van de onder feit 1A tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten [agent 1] , [agent 6] , [agent 5] , [agent 3] en [agent 4] .

Ten aanzien van verbalisant [agent 2] komt de rechtbank tot een ander oordeel.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte, nadat

hij zijn auto had gekeerd, vol gas heeft gegeven en vervolgens richting de uitgang van de parkeerplaats is gereden. Verbalisant [agent 2] stond op dat moment voor de auto van

de verdachte en moest opzij springen om een aanrijding te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich, door te handelen als hiervoor omschreven, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat verbalisant [agent 2] zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Voor de verdachte moet het voorzienbaar zijn geweest dat hij verbalisant [agent 2] , indien deze niet tijdig opzij zou zijn gesprongen, frontaal zou hebben aangereden met zijn auto. De kans dat verbalisant [agent 2] als gevolg van die frontale aanrijding zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De verdachte wilde koste wat kost vluchten en heeft daarbij de kans op de koop toegenomen dat hij [agent 2] zou aanrijden met zijn auto. Het onder 1A ten laste gelegde feit, te weten de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [agent 2] , kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1B tenlastegelegde feit

De verfeitelijking van de onder 1B ten laste gelegde bedreiging houdt in dat de verdachte met zijn auto opzettelijk dreigend is ingereden op de verbalisanten [agent 2] , [agent 1] , [agent 3] , [agent 4] , [agent 6] en [agent 5] en/of dat de verdachte op een zodanige wijze heeft gereden dat de verbalisanten steeds in beweging moesten blijven om een aanrijding met de auto van verdachte te voorkomen.

De rechtbank kan zich goed voorstellen dat de verbalisanten de gebeurtenissen, zoals die zich hebben voorgedaan in de vroege avond van 22 augustus 2013 op de parkeerplaats bij coffeeshop [naam coffeeshop] , als bedreigend hebben ervaren. De rechtbank moet echter beoordelen

of de bedreiging, zoals die door het openbaar ministerie aan de verdachte ten laste is gelegd, kan worden bewezen. Dat betekent dat de rechtbank moet bewijzen dat de verbalisanten zich bedreigd voelden doordat de verdachte op hen inreed dan wel dat zij opzij moesten springen om niet geraakt te worden door de auto van de verdacht.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, blijkt uit de camerabeelden niet dat de verdachte met zijn auto op de verbalisanten [agent 1] , [agent 3] , [agent 4] , [agent 6] en [agent 5] is ingereden dan wel dat de verdachte op een zodanige wijze heeft gereden dat die verbalisanten steeds in beweging moesten blijven teneinde niet door de door verdachte bestuurde auto te worden aangereden.

Nu deze wezenlijke onderdelen van de tenlastelegging niet kunnen worden bewezen, kan geen grondslag worden gevonden voor een bewezenverklaring van de bedreiging van de verbalisanten [agent 1] , [agent 3] , [agent 4] , [agent 6] en [agent 5] . Verdachte zal daarom

(partieel) worden vrijgesproken van de bedreiging van deze verbalisanten.

De rechtbank acht de onder feit 1B tenlastegelegde bedreiging ten aanzien van verbalisant [agent 2] wel bewezen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte met de auto opzettelijk dreigend op verbalisant [agent 2] is ingereden. [agent 2] moest, zoals gezegd, opzij springen om een aanrijding te voorkomen.

Door het handelen van de verdachte kon bij [agent 2] de redelijke vrees ontstaan dat hij door hem zou worden aangereden. Gelet op de snelheid waarmee de verdachte heeft gereden (tussen 21 en 26 km/uur) is het niet aannemelijk dat een aanrijding de dood van verbalisant [agent 2] tot gevolg zou hebben gehad. Wel acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat een dergelijke aanrijding zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben gehad. De rechtbank acht de onder feit 1B ten laste gelegde bedreiging van verbalisant [agent 2] dan ook bewezen.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte op 22 augustus 2013 te Heerlen, opzettelijk en wederrechtelijk een Seat Altea, toebehorende aan de regiopolitie Limburg-Zuid, en een Ford Fiesta, toebehorende aan [benadeelde] , heeft beschadigd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1A.

op 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [agent 2] , brigadier van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto op genoemde [agent 2] is ingereden en/of op een zodanige wijze met een door hem, verdachte, bestuurde auto heeft gereden dat genoemde [agent 2] weg/opzij is moeten springen teneinde niet door de door hem, verdachte, bestuurde auto aangereden dan wel overreden te worden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1B.

op 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen [agent 2] , brigadier van politie, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto op genoemde [agent 2] ingereden en/of heeft hij, verdachte, op een zodanige wijze met een door hem, verdachte, bestuurde auto gereden dat genoemde [agent 2] steeds in beweging moest blijven teneinde niet door de door hem, verdachte, bestuurde auto te worden aangereden;

2.

op 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Ford Fiesta, toebehorende aan [benadeelde] , heeft beschadigd;

3.

op 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Seat Altea, toebehorende aan Politie Regio Zuid-Limburg, heeft beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

1A.

Poging tot zware mishandeling.

1B.

Bedreiging met zware mishandeling.

2.

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

3.

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In de situatie voorafgaand aan het schot was volgens de verdediging sprake van putatief noodweer en in de situatie daarna van psychische overmacht. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft de raadsman namens de verdachte aangevoerd dat de verdachte niet heeft gehoord of gezien dat de mensen bij zijn auto politieagenten waren en dat hij dus in redelijkheid mocht veronderstellen dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke (dreigende) aanranding van zijn lijf toen er mannen achter zijn auto stopten en op de auto begonnen te slaan. Op basis van de reconstructie kan worden vastgesteld dat de verklaring van de verdachte inderdaad aannemelijk is: het is goed mogelijk dat hij niet gehoord of gezien heeft dat het om politieagenten ging. Ook na het schot geldt dat geen sprake was van wetenschap dat de mannen op de parkeerplaats politieagenten waren, aldus de verdediging. De raadsman handhaaft het verweer dat na het schot sprake was van psychische overmacht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat na de gehouden reconstructie juist onaannemelijk is dat de verdachte niet heeft gehoord of gezien dat hij benaderd werd door politieagenten. Dat was namelijk wel duidelijk hoorbaar én zichtbaar. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij wel kon communiceren met zijn bijrijder en stelt hij wel gehoord te hebben dat de mannen riepen: “eruit, eruit”. De officier van justitie acht niet geloofwaardig dat de verdachte dit alles heeft gehoord, maar niet gehoord heeft dat er ook “politie” werd geroepen.

Om het oordeel van de rechtbank inzichtelijk te maken, zal zij eerst de juridische toetsingskaders uiteen zetten alvorens over te gaan tot de feitelijke beoordeling van de verweren.

De juridische kaders

Putatief noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan.

Zo moeten de begane feiten:

1) geboden zijn door de noodzakelijke verdediging van eigen of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed;

2) tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding;

3) en moet de verdediging proportioneel zijn in verhouding tot de aanranding.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van een verontschuldigbare vergissing aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij kon en ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld of de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Psychische overmacht

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. De raadsman heeft die drang nader omschreven als doodsangst, toen de verdachte hoorde en zag dat er geschoten was. Onder omstandigheden kan het feit dat de verdachte zichzelf heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

De feiten

Toetsend aan voornoemd juridisch kader zou sprake kunnen zijn van een noodweersituatie, als een auto je klem rijdt en daaruit in het donker geklede mannen stappen die verbaal en fysiek proberen om jou uit je auto te krijgen. De wederrechtelijkheid van die aanranding en daarmee de noodzaak om jezelf te verdedigen vervallen echter, als het om politieagenten blijkt te gaan die een bevel tot aanhouding uitvoeren. De verdachte stelt nu juist dat hij niet wist dat het agenten waren en daarom mocht menen dat hij zich tegen de (dreigende) aanranding mocht verdedigen.

Om de aannemelijkheid van de verweren van de verdachte te toetsen dat hij noch gezien noch gehoord heeft dat het politieagenten waren, heeft de rechtbank een reconstructie gehouden van het gebeuren op 22 augustus 2013. Daarbij zijn de omstandigheden van die dag zo goed mogelijk nagebootst. Zo werden een soortgelijk type auto en geluidsinstallatie gebruikt, werd dezelfde muziek in de auto van de verdachte afgespeeld, droeg de AE dezelfde kleding en was uitgezocht op welk tijdstip de lichtomstandigheden gelijk waren aan de lichtomstandigheden toen het incident plaats vond.

Steeds opnieuw is de aanhouding nagespeeld door de AE zodat de rechtbank, de officier van justitie, de raadsman en de verdachte zelf konden waarnemen wat de verdachte gehoord en gezien moet hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat de arrestatie-eenheid steeds volgens een vast patroon handelde: klaarblijkelijk de standaardbenadering voor aanhoudingen. De rechtbank heeft zelf waargenomen dat in de auto duidelijk hoorbaar was dat meermalen “politie” werd geroepen, terwijl op de ramen geslagen werd. Dat er luide muziek gedraaid werd, deed hier niets aan af.

Dit ligt iets anders wat het zichtaspect betreft. De agenten zijn met de auto van de verdachte meegelopen, waardoor zij niet op hun rug zichtbaar waren alwaar relatief groot ‘politie’ gedrukt staat. Het politie-embleem op de borst en het logo op de schouder waren daarentegen niet duidelijk zichtbaar onder de gegeven omstandigheden, zo heeft de rechtbank tijdens de reconstructie geconstateerd. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat, anders dan de verdachte destijds, de rechtbank natuurlijk gefocust was op het kunnen herkennen van de politieagenten als zodanig.

Dat het zichtaspect wellicht nog ter discussie zou kunnen staan, wordt naar het oordeel van de rechtbank volledig teniet gedaan door het feit dat de verdachte gehoord moet hebben dat de mannen rondom zijn auto meermalen “politie” hebben geschreeuwd. Dit was namelijk duidelijk hoorbaar boven uit het geluid van de muziek en het geluid van het bonzen op de ramen. Daardoor moet de verdachte geweten hebben dat hij met de politie te maken had en dat hij zich moest overgeven. De constatering dat de verdachte moet hebben kunnen horen wat van buiten de auto tegen hem geroepen werd, vindt bovendien steun in de verklaring

van de verdachte zelf. Hij heeft namelijk naar eigen zeggen wel gehoord dat men “eruit, eruit” riep. Het is niet aannemelijk dat de verdachte dan niet gehoord heeft dat men ook “politie” riep.

Verder betrekt de rechtbank bij haar overweging de persoon en de achtergrond van de verdachte. Hij is vaker met justitie in aanraking geweest en moest nog een jaar gevangenisstraf uitzitten vanwege een eerdere veroordeling. Op het moment van aanhouding reed hij nota bene in een gestolen auto. Hij was die dag al gevolgd door een observatieteam, waarbij geconstateerd werd dat de verdachte met die auto snelheden van 200 km/h per uur bereikte. Vanuit die invalshoek bekeken lag misschien juist een aanhouding in de lijn der verwachting toen de verdachte klemgereden werd. Dat de verdachte bang moest zijn voor andere acties dan een aanhouding door de politie, is uit het onderzoek ter terechtzitting ook niet gebleken.

Het verweer van putatief noodweer wordt aldus verworpen, omdat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte kon denken dat hij door anderen belaagd werd dan (de arrestatie-eenheid van) de politie en tegen welke anderen hij zich dan zou mogen verdedigen.

Dan moet de rechtbank nog beoordelen of sprake was van psychische overmacht. Uit de onder 3.3 vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte al vóór het schot gas had gegeven met de bedoeling om een vluchtweg te forceren door de afzetting heen. Daarmee wordt de stelling van de verdachte verworpen dat hij na het afgevuurde schot uit doodsangst het gaspedaal heeft ingetrapt. En zelfs als dit pas na het afvuren van het schot was gebeurd, dan kan gesteld worden dat de verdachte zichzelf in een situatie heeft gebracht waarin een agent het noodzakelijk vond om zijn dienstwapen te gebruiken. Hierdoor is een beroep op psychische overmacht niet gerechtvaardigd.

Conclusies

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting zijn de aan de verweren ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden. Alle gevoerde verweren worden verworpen.

De verdachte is aldus strafbaar voor het inrijden op en het bedreigen van [agent 2] en het beschadigen van twee auto’s, omdat ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tijdens die proeftijd moet de verdachte zich aan de volgende, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden houden:

- meldplicht;

- verplichting tot ambulante behandeling;

- opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijk opvang.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Dat de redelijke termijn is overschreden, komt niet door toedoen van de verdachte. De verdachte heeft vier jaren moeten wachten op afdoening van zijn strafzaak en is in die vier jaren beperkt geweest in zijn mogelijkheden, omdat hem gevangenisstraf boven het hoofd hing. Concrete voorbeelden van de ervaren beperkingen zijn het afzien van het volgen van een langdurige opleiding en twijfel over het betrekken van een eigen woning.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft geprobeerd om aan één politieagent zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat de verdachte deze politieagent heeft bedreigd. Bovendien heeft de verdachte twee auto’s beschadigd.

De verdachte heeft op niets- en niemand ontziende wijze aan zijn aanhouding proberen te ontkomen door een vluchtweg te forceren. Hij heeft zijn auto als een wapen ingezet. Achteraf kan weliswaar vastgesteld worden dat er maar ten opzichte van één verbalisant daadwerkelijk concreet gevaar heeft bestaan, maar dat doet niets af aan de gevoelens die de verdachte die avond bij de verbalisanten heeft losgemaakt. Namelijk het gevoel dat zij ontsnapt zijn aan een doorgewinterde en kille crimineel die niets en niemand uit de weg gaat om zijn doelen te bereiken. Een van de verbalisanten heeft zich zelfs genoodzaakt gevoeld om zijn vuurwapen te trekken en te schieten. Dat handelen heeft weer een procedure en een rechtszaak tot gevolg gehad, die een enorme impact op betreffende politiefunctionaris, en de aanhoudingseenheid in het algemeen hebben gehad. Hoewel dit gegeven los staat van de strafzaak tegen de verdachte, wil de rechtbank ook dit gevolg van verdachtes handelen niet onbenoemd laten.

Normaal gesproken zoekt de rechtbank bij de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS, maar in deze zaak acht de rechtbank het oriëntatiepunt voor zware mishandeling niet passend. Dit heeft te maken met de zojuist geschetste aard en ernst van de feiten en de gevolgen voor de politieagenten, maar ook met de achtergrond van de verdachte. In zijn relatief jonge leven heeft hij een fors strafblad opgebouwd met meerdere vermogensdelicten en hij schuwde ook het gebruik van geweld niet. In dit verband is nog van belang dat de verdachte in november 2015 voor de toen van deze zaak afgesplitste feiten al veroordeeld is tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf, terwijl de onderhavige feiten voor die datum gepleegd zijn. De wet verplicht de rechtbank om bij haar strafoplegging met die veroordeling rekening te houden. Ook met de veroordeling tot gevangenisstraf in 2017 ter zake van andere feiten waartegen de verdachte in hoger beroep is gegaan moet de rechtbank rekening houden. Desondanks vindt de rechtbank dat zij hier niet kan volstaan met een lichtere straf dan onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft ook oog voor de forse overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen verdachtes berechting had moeten plaatsvinden. Die overschrijding is verklaarbaar, maar om redenen die geheel buiten verdachtes schuld liggen.

Inmiddels zijn er vier jaren verstreken. In die jaren heeft de verdachte zijn goede wil getoond tijdens het opgelegde reclasseringstoezicht en heeft hij stappen gemaakt in zijn ontwikkeling. De rechtbank noemde het al eerder: de verdachte is relatief jong en het is voor de verdachte nooit te laat om zijn leven een positieve wending te geven.

Het strafrecht dient evenwel verschillende doelen. Vergelding voor het aangedane leed aan de politieagenten en andere benadeelden is daar één van. Ook dient een krachtig signaal aan de maatschappij te worden gegeven dat het gedrag van de verdachte absoluut niet getolereerd wordt. Naast deze zogenaamde algemene preventieve werking, wordt met de oplegging van een straf tevens beoogd dat een verdachte zich in de toekomst niet opnieuw schuldig maakt aan dit soort feiten. De hoogte van de straf kan afschrikkend werken, maar de rechtbank kijkt ook naar de onderliggende problematiek. Strafoplegging biedt een uitgelezen mogelijkheid om iemand te dwingen aan zijn probleemgebieden te werken. De rechtbank is van oordeel dat ook de verdachte nog het nodige werk in zijn leven te verzetten heeft en meent dat reclasseringstoezicht hem hierbij de nodige steun in de rug kan bieden. Begeleiding door de reclassering acht de rechtbank passend en zij zal deze begeleiding als voorwaarde stellen bij een voorwaardelijk op te leggen strafdeel. Het is dan aan de veroordeelde om deze kans te grijpen. Laat hij dit na of werkt hij onvoldoende mee, dan moet hij alsnog de volledige gevangenisstraf uitzitten.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden. Om de hiervoor genoemde redenen zal de rechtbank een deel van die straf, te weten drie maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.

Gedurende die proeftijd moet de verdachte zich melden bij de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering nodig acht. Ook moet de verdachte zich houden aan alle voorschriften en aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Gelet op het toezicht dat reeds loopt, zal de rechtbank geen nadere invulling aan het toezicht geven maar dit aan het inzicht van de reclassering overlaten.

Aangezien de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan waarvan de officier van justitie in zijn eis is uitgegaan, behoeft geen verdere motivering dat zij tot een andere straf is gekomen dan door de officier van justitie is geëist.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [agent 2] , [agent 1] , [agent 4] en [agent 5] vorderen elk een vergoeding wegens immateriële schade van € 758,- ter zake van de onder 1A en 1B ten laste gelegde feiten.

De benadeelde partij Politie Limburg-Zuid vorder een vergoeding wegens materiële schade van € 3.881,70 ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen [agent 1] , [agent 4] en [agent 5]

De rechtbank zal de benadeelde partijen [agent 1] , [agent 4] en [agent 5] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de poging tot

het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan c.q. de bedreiging van deze verbalisanten.

De benadeelde partij [agent 2]

De rechtbank stelt voorop dat de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte gevallen toewijsbaar is. De Nederlandse wet kent immers een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van een dergelijke vergoeding. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

  1. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

  2. ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

  3. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die [agent 2] stelt te hebben geleden, valt onder categorie b. Uit het eerste lid onder b van voormeld artikel volgt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding, als de benadeelde (onder meer) in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

[agent 2] stelt, in het door hem ingediende voegingsformulier, dat hij op andere wijze
in zijn persoon is aangetast. [agent 2] is hevig geschrokken van de gebeurtenis die zich heeft voorgedaan op de parkeerplaats bij coffeeshop [naam coffeeshop] te Heerlen en hij heeft zich tijdens dat incident onveilig gevoeld. Sinds de gebeurtenissen is hij voorzichtiger

en waakzamer geworden op zijn werk.

De rechtbank begrijpt dat [agent 2] deze negatieve gevoelens graag op de dader wil verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen op daders van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake als het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft.

Gevoelens van angst en schrik vallen volgens vaste rechtspraak niet onder het bereik van

het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door [agent 2] aangevoerde gegevens onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal [agent 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De benadeelde partij Politie Limburg-Zuid

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat Politie Limburg-Zuid materiële schade heeft geleden als gevolg van de door de verdachte gepleegde beschadiging van de Seat Altea. Deze schade is niet betwist door of namens de verdachte. De rechtbank zal de vordering daarom volledig toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte zal worden vergoed, zal de rechtbank

aan tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 57, 63, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1A, 1B, 2 en 3 tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. meldplicht, zo vaak en zo lang als de reclassering dit nodig acht;

  2. zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij Politie Limburg-Zuid toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Politie Limburg-Zuid van € 3.881,70, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen over de periode vanaf 22 augustus 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij Politie Limburg-Zuid in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer Politie Limburg Zuid een bedrag van € 3.881,70 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 48 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis

de betalingsverplichting niet opheft en te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen over de periode vanaf 22 augustus 2013 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

  • -

    verklaart de benadeelde partij [agent 2] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen

de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [agent 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen

de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [agent 4] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen

de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [agent 5] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen

de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.A.F.M. Krol, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. P.H.M. Kuster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme en mr. R.E.J. Maas, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2017.

Buiten staat

Mr. P.H.M. Kuster is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De (gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1A.

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] en/of [agent 4] , (allen) brigadier van politie en/of [agent 5] en/of [agent 6] , (beiden) hoofdagent van politie opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto op genoemde [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] en/of [agent 4] en/of [agent 5] en/of [agent 6] is ingereden en/of op een zodanige wijze met een door hem, verdachte, bestuurde auto heeft

gereden/gemanoeuvreerd dat genoemde [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] en/of [agent 4] en/of [agent 5] en/of [agent 6] weg/opzij is/zijn moeten springen teneinde niet door

de door hem, verdachte, bestuurde auto aangereden dan wel overreden te worden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1B.

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] en/of [agent 4] , (allen) brigadier van politie en/of [agent 5] en/of [agent 6] , (beiden) hoofdagent van politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto op genoemde [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] en/of [agent 4] en/of [agent 5] en/of [agent 6] ingereden en/of heeft hij, verdachte, op een zodanige wijze met een door hem, verdachte, bestuurde auto gereden/gemanoeuvreerd dat genoemde [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3]

en/of [agent 4] en/of [agent 5] en/of [agent 6] , die zich op dat moment in de directe nabijheid van de door verdachte bestuurde auto bevonden, steeds in beweging moest(en) blijven teneinde niet door de door verdachte bestuurde auto te worden aangereden;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Ford Fiesta, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

3.

hij op of omstreeks 22 augustus 2013 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Seat Altea, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Regio Zuid-Limburg, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie Noord- en Midden-Limburg en de aanvulling op dat procesdossier, voorzien van proces-verbaalnummer 2013091216, gesloten op respectievelijk 7 oktober 2013 en 7 januari 2014. Het dossier is doorgenummerd van pagina’s 1 tot en met 320 .

2 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [agent 2] (brigadier van de politie en tevens lid van de aanhoudingseenheid van de politie), pag. 52.

3 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [agent 2] (brigadier van de politie en tevens lid van de aanhoudingseenheid van de politie), pag. 52.

4 Het proces-verbaal, pag. 116 tot en met 118 en het proces-verbaal van verhoor van de getuige L115, pag. 121.

5 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [adres coffeeshop] op 22 augustus 2013, pag. 104 en 105.

6 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [adres coffeeshop] op 22 augustus 2013, pag. 104 en 105.

7 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [adres coffeeshop] op 22 augustus 2013, pag. 104.

8 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [adres coffeeshop] op 22 augustus 2013, pag. 105 tot en met 113 en het proces-verbaal van bevindingen (correctie op PV.08 van [agent 7] / [agent 8] ), pag. 193.

9 De animatie van het NFI, opgeslagen op een DVD, welke als bijlage is gevoegd bij het dossier.

10 Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, pag. 142 en 143.

11 Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, pag. 143.

12 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [agent 2] (brigadier van de politie en tevens lid van de aanhoudingseenheid van de politie), pag. 52 en 53.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [agent 2] , pag. 49.

14 De processen-verbaal van aangifte van [benadeelde] en de politie, pag. 91 t/m 94.