Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7603

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
C/03/236279 / KG ZA 17-283
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ondernemingsrecht. Uitleg non-concurrentiebeding in aandeelhoudersovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0234

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/236279 / KG ZA 17-283

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRIGE HOLDING B.V.,

gevestigd te Breda,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M.T. Nooijen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IZI CONCEPTS GROUP B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MACLAVI B.V.,

beide gevestigd te Beek,

gedaagden,

advocaat mr. J.R. Minneboo,

3. [gedaagde sub 3],

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.R. Minneboo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CANIJO HOLDING B.V.,

gevestigd te Schimmert, gemeente Nuth,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Vles,

5. [gedaagde sub 5],

wonend te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Vles.

en

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IZI MOTIVE B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IZI2CONNECT B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IZI MOTIVE HOLDING B.V.,

alle gevestigd te Beek,

gevoegde partijen,

advocaat mr. J.R. Minneboo.

Partijen zullen hierna eisers, gedaagden en gevoegde partijen genoemd worden, tenzij voor het begrip van het vonnis de eigen naam noodzakelijk is.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 juni 2017, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging,

  • -

    de akte houdende producties van gedaagden 1, 2 en 3,

  • -

    de brief van eisers, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 juni 2017, met de pleitnota van eiseres en de pleitnotities van gedaagden 1, 2 en 3, alwaar het doen van vonnis is aangehouden in afwachting van de uitkomst van onderhandelingen,

  • -

    de mededeling van eisers dat een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting in het incident beslist tot voeging van de drie verzoekende partijen aan de zijde van gedaagden, omdat het verzoek voldoet aan de eis gesteld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en ook overigens partijen daartegen geen bezwaar hadden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn in 2013 met elkaar gaan samenwerken om een innovatief en vernieuwend platform te ontwikkelen voor de auto-onderdelenmarkt.

In dit kader is een managementovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten tussen Prige B.V. (hierna Prige) en IZI2Connect B.V. (hierna: IZI Connect).

[eiser sub 2] is aandeelhouder en bestuurder van Prige.

IZI Connect was een 100%-dochter van IZI Motive B.V.

Aandeelhouder van IZI Motive B.V. was IZI Concepts Group B.V. (hierna: IZI Concepts).

Aandeelhouders en bestuurders van IZI Concepts waren Maclavi (hierna: Maclavi) en Canijo B.V. (hierna: Canijo).

[gedaagde sub 3] is (enig) aandeelhouder en bestuurder van Maclavi.

[gedaagde sub 5] is (enig) aandeelhouder en bestuurder van Canijo.

2.2.

Prige heeft verder tegen betaling van € 150.000,00 33% van de aandelen van IZI Motive B.V. verkregen. Daarbij is een aandeelhoudersovereenkomst gesloten met betrekking tot IZI Motive B.V. Deze aandeelhoudersovereenkomst is neergelegd in een akte van 28 juni 2013. Comparanten bij deze akte zijn (1) [gedaagde sub 3] , handelend als bestuurder van Maclavi en (2) [gedaagde sub 5] , handelend als bestuurder van Canijo, waarbij Maclavi en Canijo handelden als bestuurders van IZI Concepts, en (3) [eiser sub 2] , handelend als bestuurder van Prige.

2.3.

In artikel 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen:

‘Het is de comparanten en vennootschappen A tot en met D [lees: Maclavi, Canijo, IZI Concepts en Prige], alsmede alle rechtspersonen waarin zij op enigerlei wijze, direct of indirect, zeggenschap kunnen uitoefenen, zowel gedurende de looptijd van deze overeenkomst, alsmede na eindigen van de overeenkomst althans van het aandeelhouderschap in het aandelenkapitaal van vennootschap E [lees: de Holding], niet toegestaan activiteiten te verrichten welke soortgelijk of concurrerend zijn aan de feitelijke activiteiten van de vennootschap E.’

2.4.

De naam van IZI Motive B.V. is later gewijzigd in IZI Motive Holding B.V. (hierna: IZI Holding). Er is een nieuwe vennootschap opgericht met de naam IZI Motive B.V. (hierna: IZI Motive), waarvan de aandelen worden gehouden door IZI Holding.

IZI Motive exploiteert een IT-platform waarbij aanbieders en afnemers van auto-onderdelen bij elkaar worden gebracht. [eiser sub 2] is (voornamelijk) werkzaam bij de ontwikkeling en het beheer van dat platform.

2.5.

Bij brief van 8 februari 2017 heeft Prige de managementovereenkomst met IZI Connect opgezegd per 8 augustus 2017 en haar aandelenpakket in IZI Holding aangeboden aan IZI Concepts.

2.6.

[eiser sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben op 10 en 14 maart 2017 met elkaar gesproken over het uiteengaan van partijen. Er is daarbij onder meer gesproken over een vaststellingsovereenkomst en het non-concurrentiebeding.

Bij e-mail van 14 maart 2017 heeft [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 2] meegedeeld:

‘Zoals besproken, geef ik, [gedaagde sub 3] , zijnde bestuurder van Izi Concepts Group B.V., Izi Motive Holding B.V., Izi Motive B.V., Izi2Connect B.V., Maclavi B.V. bij deze akkoord inzake de passage non-concurrentie/-relatiebepalingen.

Non-concurrentie-/relatiebepalingen:

Partijen verklaren onherroepelijk dat op Prige en [eiser sub 2] geen andere concurrentie of relatiebeperkingen rusten, anders dan die uit de wet en de jurisprudentie voortvloeien. Partijen doen in het olicht hiervan afstand van iedere bestaande of toekomstige aanspraak op een andere partij uit hoofde van het bepaalde in artikel 2 onder g van de tussen partijen gesloten aandeelhoudersovereenkomst d.d. 28 juni 2013. Ieder eventueel tussen Prige en/of [eiser sub 2] enerzijds en één of meer van de overige partijen anderzijds overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding komt te vervallen.’

2.7.

Bij brief van 26 april 2017 heeft IZI Holding aan eisers meegedeeld, kort weergegeven, dat op 14 maart 2017 geen afstand is gedaan van enig beding. [eiser sub 2] heeft volgens IZI Holding misbruik gemaakt van omstandigheden. Niet alleen zou [eiser sub 2] zou [gedaagde sub 3] onder druk hebben gezet te tekenen, maar ook heeft volgens IZI Holding te gelden dat (a) niet alle betrokken partijen bij de aandeelhoudersovereenkomst het bericht van 14 maart 2017 hebben getekend, en (b) [gedaagde sub 3] niet bevoegd was dergelijke afspraak te maken, omdat de aandeelhouders niet besloten hadden af te zien van het enig non-concurrentiebeding, en dat [eiser sub 2] dat wist. IZI Holding beroept zich op nietigheid, althans vernietigt de akkoordverklaring.

Daarnaast is meegedeeld dat [eiser sub 2] de managementovereenkomst stelselmatig niet of niet behoorlijk nakomt en dat er een verplichting op Prige rust om voor 8 augustus 2017 voor een behoorlijke overdracht en oplevering van de activiteiten zorg te dragen.

Voorts heeft IZI Holding eisers in gebreke gesteld ter zake de ondertekening van de in de aandeelhoudersvergadering besproken emissieakte, waarin is vastgelegd dat IE-rechten inzake het izi2connect-platform toebehoren aan IZI Holding.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen:

1. alle non-concurrentiebepalingen, zoals vastgelegd in de aandeelhoudersovereenkomst, indien en voor zover eisers daaraan gebonden zijn, buiten werking te stellen of te schorsen totdat een rechter in een bodemprocedure uitspraak heeft gedaan,

2. te bepalen dat de contractuele boete, zoals vastgelegd in artikel 4 van de aandeelhoudersovereenkomst, voor zover deze zien op non-concurrentieverplichtingen door eisers niet zal worden verbeurd,

3. gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Eisers leggen aan de vordering ten grondslag dat aandeelhouder IZI Concepts ondubbelzinnig, expliciet en onherroepelijk afstand heeft gedaan van iedere aanspraak terzake concurrentie door eisers. Het beding was volgens eisers bovendien slechts bedoeld voor de innovatieve concepten, die niet van de grond zijn gekomen, en niet voor de werkzaamheden van IZI Holding (IZI Connect en IZI Motive), zoals die op dit moment worden ontplooid. Daarnaast betwisten eisers dat eisers misbruik hebben gemaakt van omstandigheden voor het verkrijgen van de afstandsverklaring. [eiser sub 2] heeft [gedaagde sub 3] immers niet onder druk gezet. Voorts betwisten eisers dat de (indirect) aandeelhouders van IZI Connect en Prige partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst en stellen eisers dat IZI Connect rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door [gedaagde sub 3] en dat een besluit van enige aandeelhoudersvergadering voor deze handeling niet nodig was.

Eisers stellen spoedeisend belang bij en recht op gevraagde maatregelen te hebben.

3.3.

Gedaagden voeren verweer. De gevoegde partijen hebben zich bij dit verweer aangesloten.

Gedaagden betwisten dat het non-concurrentiebeding een beperkte werking heeft. Zij stellen dat [eiser sub 2] als ICT-er het platform ontwikkelt en beheert en daardoor een cruciale rol in de bedrijfsactiviteiten – het goed bedienen van klanten – speelt. Doordat het izi2connect-platfom niet is gestandaardiseerd kan het systeem niet zonder meer worden overgenomen door een andere beheerder. Het ontbreekt IZI Holding aan kennis en capaciteit. Daarnaast beslist Prige als aandeelhouder mee en gebruikt zij de afhankelijkheid van de diensten van [eiser sub 2] , zo stellen gedaagden, als drukmiddel.

Gedaagden stellen dat [gedaagde sub 3] op grond van artikel 15 lid 6, aanhef en onder I, van de statuten van IZI Concepts niet bevoegd was en dat Prige dit wist, kon weten dan wel behoorde te weten. [gedaagde sub 3] (Maclavi) en [gedaagde sub 5] (Canijo) beslissen samen over vaststellingsovereenkomsten, compromissen en akkoorden.

Gedaagden betwisten de spoedeisendheid. Prige heeft immers zichzelf in de problemen gebracht door lichthartig de managementovereenkomst op te zeggen en de aandelen aan te bieden.

Gedaagden stellen tot slot dat bij een belangenafweging rekening dient te worden gehouden met de onherstelbare schade die de gevraagde voorziening tot gevolg zal hebben.

3.4.

In het incident vorderen de verzoekende partijen zich te mogen voegen aan de zijde van gedaagden met veroordeling van eisers in de kosten.

3.5.

Gedaagden hebben geen bezwaar tegen voeging. Eisers hebben geen bezwaar tegen voeging, al zien zij geen belang.

3.6.

Ter zitting is de voeging van de verzoekende partijen toegestaan.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de spoedeisendheid voortvloeit uit de aard van de zaak. Dat de tijdsdruk beweerdelijk het gevolg is van door eisers te overhaast genomen beslissing de samenwerking op te zeggen, doet daar niet aan af.

Vraagstelling

4.2.

Kern van het geding is de vraag of eisers door de onder 2.5 geciteerde mededelingen van [gedaagde sub 3] zijn bevrijd van haar verplichtingen uit het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in artikel 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst.

Uitleg non-concurrentiebeding

4.3.

Eisers stellen dat het non-concurrentiebeding enkel ziet op een innovatief concept, dat niet te vermarkten bleek en dus niet van de grond is gekomen. Vervolgens zijn zij dezelfde activiteiten gaan verrichten als die zij voor het aangaan van de samenwerking met gedaagden deden. Op die activiteiten ziet het non-concurrentiebeding niet, aldus eisers.

4.4.

Artikel 2 f en 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst spreken over de ‘feitelijke werkzaamheden’ en ‘feitelijke activiteiten’ van IZI Holding zonder verdere duiding of beperking. Het ligt ook niet in de rede dat partijen een beperking zoals eisers die presenteren, hebben willen aanbrengen. Ook indien de activiteiten van partijen zich anders zouden ontwikkelen dan was voorzien, zou immers behoefte kunnen zijn aan de bescherming van het non-concurrentiebeding. Zonder nadere bewijsvoering, die in de kort geding niet aan de orde is, is de beperkte uitleg, zoals door eisers wordt voorgestaan, dus niet zonder meer voor de hand liggend. Deze stelling van eiseres wordt daarom vooralsnog gepasseerd.

Bevoegdheid [gedaagde sub 3]

4.5.

Ten aanzien van de vraag of eisers zijn bevrijd van hun verplichtingen uit het non-concurrentiebeding moet in de eerste plaats worden nagegaan of [gedaagde sub 3] bevoegd was, althans dat eisers hem voor bevoegd mocht houden, om namens de partijen bij de aandeelhoudersovereenkomst afstand van de rechten uit het non-concurrentiebeding te doen.

4.6.

Uit de tekst van de akte waarin de aandeelhoudersovereenkomst is neergelegd, blijkt dat de drie comparanten bij de akte ( [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 5] en [eiser sub 2] ) zijn opgetreden in persoon en als (middellijke) aandeelhouders en bestuurders voor vijf vennootschappen (A tot en met E): Maclavi, Canijo, IZI Concepts, Prige en IZI Holding en voor andere rechtspersonen waarin zij zeggenschap hebben. Deze personen en vennootschappen hebben volgens de diverse bepalingen van de aandeelhoudersovereenkomst verschillende rechten en verplichtingen gekregen. Het non-concurrentiebeding van artikel 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst betreft [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 5] en [eiser sub 2] en de vennootschappen Maclavi, Canijo, IZI Concepts en Prige en alle rechtspersonen waarin zij op enigerlei wijze zeggenschap hebben. Het is dus niet zo, zoals eisers beweren, dat de aandeelhoudersovereenkomst alleen de verhouding tussen de aandeelhouders van IZI Holding en tussen de aandeelhouders en IZI Holding regelt.

4.7.

Eisers kunnen alleen (volledig) van de verplichtingen uit artikel 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst zijn bevrijd als alle andere partijen daarmee hebben ingestemd. Dat is niet het geval. Het is immers niet gebleken dat [gedaagde sub 5] en Canijo hun instemming hebben gegeven. Feiten of omstandigheden waaraan eisers desondanks het gerechtvaardigd vertrouwen hebben mogen ontlenen dat [gedaagde sub 5] en Canijo hun instemming hadden gegeven, bijvoorbeeld omdat zij mochten aannemen dat [gedaagde sub 3] ook namens hen sprak, zijn vooralsnog niet voldoende aannemelijk gemaakt.

4.8.

Daar komt bij dat [gedaagde sub 3] ook niet als (middellijk) bestuurder van IZI Concepts of in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder van IZI Concepts, alleen kon beslissen over het aangaan van een vaststellingsovereenkomst met eisers en het laten vallen van het non-concurrentiebeding. Op grond van artikel 15 lid 6, aanhef en onder I, van de statuten van IZI Concepts behoeft [gedaagde sub 3] immers als bestuurder de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders – en dus van Canijo – voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst, een compromis of akkoord, zoals het afzien van een concurrentiebeding in het kader van de aandeelhoudersovereenkomst. Niet is gebleken van de instemming van Canijo.

4.9.

Voor zover eisers aanvoeren dat de interne verhoudingen van IZI Concepts niet aan hen kunnen worden tegengeworpen, hebben zij vooralsnog onvoldoende concreet weersproken dat hen de beperking van de bevoegdheid van [gedaagde sub 3] mag worden tegengeworpen gelet op hun wetenschap van de interne verhoudingen. Ook al kenden zij wellicht de statuten van IZI Concepts niet in detail, het is voldoende aannemelijk geworden dat zij vanuit de onderlinge samenwerking met gedaagden en gevoegde partijen wisten dat voor belangrijke beslissingen steeds de stem nodig was van [eiser sub 2] , [gedaagde sub 3] én [gedaagde sub 5] , mede namens de vennootschappen waarin zij zeggenschap hadden.

4.10.

De conclusie is dat er vooralsnog onvoldoende grondslag is om aan te nemen dat eisers door de mededelingen van [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 2] zijn bevrijd van hun verplichtingen uit artikel 2 g van de aandeelhoudersovereenkomst.

Misbruik van omstandigheden

4.11.

Bij deze stand van zaken behoeft niet meer te worden onderzocht of de mededelingen van [gedaagde sub 3] onder ongeoorloofde druk zijn afgedwongen. Er zijn overigens wel aanwijzingen aanwezig dat hiervan sprake is geweest. De activiteit van IZI Motive bestaat in wezen uit het exploiteren van een IT-platform om aanbieders en afnemers van auto-onderdelen bij elkaar te brengen. Het is kennelijk [eiser sub 2] die het platform heeft ontwikkeld en beheert, terwijl aannemelijk is gemaakt dat het platform niet zonder meer aan een ander in ontwikkeling en beheer kan worden gegeven. Alle andere partijen zijn dus in wezen afhankelijk van de inzet van [eiser sub 2] . Het brengt tevens mee dat zij een groot belang hebben bij het concurrentiebeding. Uit de verklaring van [naam] , die met [eiser sub 2] heeft samengewerkt bij het beheer van het platform, en hetgeen daaromtrent ter zitting door [gedaagde sub 3] en [eiser sub 2] is verklaard, kan worden opgemaakt dat [eiser sub 2] zijn medewerking aan belangrijke besprekingen met relaties van IZI Motive, die cruciaal waren voor het voorbestaan van het IT-platform, liet afhangen van het verkrijgen van concessies ten aanzien van het afzien van het concurrentiebeding. Gelet op de afhankelijkheid van de inzet van [eiser sub 2] en het belang bij het non-concurrentiebeding, had [eiser sub 2] niet van die omstandigheden gebruik mogen maken om concessies ten aanzien van het non-concurrentiebeding te verkrijgen.

Slotsom en proceskosten

4.12.

De voorzieningenrechter acht het onvoldoende waarschijnlijk dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel komt dat eisers zijn bevrijd van hun verplichtingen uit het non-concurrentiebeding.

4.13.

Er is ook geen grondslag om bij wijze van voorlopige maatregel het non-concurrentiebeding om andere redenen geheel of gedeeltelijk te schorsen. Eisers hebben immers niet duidelijk gemaakt welke activiteiten zij wensen te ondernemen, zodat niet kan worden beoordeeld of die activiteiten de belangen van gedaagden en de gevoegde partijen wezenlijk raken. Integendeel, de indruk bestaat dat eisers ‘vrij’ willen zijn, juist om activiteiten te gaan verrichten die rechtstreeks concurreren met het IT-platform van gedaagden en de gevoegde partijen.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde voorlopige maatregelen moeten worden afgewezen.

4.15.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de gedaagden tot op heden begroot op € 618,00 voor griffierecht en € 816,00 voor salaris advocaat.

Aan de zijde van gevoede partijen worden deze kosten begroot op € 816,00 ter zake salaris advocaat.

4.16.

De kosten van het geding in incident zullen worden gecompenseerd in de zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers in kosten van het geding aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.434,00,

5.3.

veroordeelt eisers in kosten van het geding aan de zijde van gevoegde partijen tot op heden begroot op € 816,00,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de kostenveroordelingen,


in het incident

5.5.

staat de voeging van verzoekende partijen aan de zijde van gedaagden toe,

5.6.

compenseert de kosten van het geding in de zin dat elk der partijen zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: WL coll: