Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7572

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
C/03/235112 / KG ZA 17-235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsrecht. Primaire en alternatieve locatie. Uitleg en toepassing afstandseis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2017/228
Module Aanbesteding 2017/755
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/235112 / KG ZA 17-235

Vonnis in kort geding van 27 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN KAATHOVEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. L.W.J.P.F. Einig,

tegen

naamloze vennootschap

RWM N.V.,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Serra en mr. R.G.P. Snel,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PEUTE PAPIERRECYCLING BV,

gevestigd te Dordrecht,

tussenkomende partij,

advocaat mr. S.C. Brackmann.

Partijen zullen hierna Van Kaathoven en RWM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 mei 2017, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging, met producties,

  • -

    de brief van 11 juli 2017 van RWM, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 juli 2017, met de pleitnota van Van Kaathoven, de pleitaantekeningen van RWM en de pleitnotities van Peute.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting in het incident beslist tot tussenkomst van Peute, omdat het verzoek voldoet aan de eis gesteld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en ook overigens de gedingvoerende partijen daartegen geen bezwaar hadden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

RWM is een samenwerkingsverband van een viertal gemeentes in de Westelijke Mijnstreek en heeft tezamen met vier gemeentes in Midden Limburg de Europese openbare aanbesteding voor de inzameling en verwerking van oud papier en karton (met kenmerk PM-2016-OR-FV-001) in de markt gezet. In § 5.2 (Gunningscriterium) van het Beschrijvend document (van 1 juni 2016) wordt bepaald dat gunning plaatsvindt aan de inschrijver die voldoet aan de in het beschrijvend documenten gestelde eisen én de laagste prijs heeft geboden.

2.2.

De opdracht is verdeeld in drie percelen. Perceel 3 betreft de inzameling in het werkgebied van RWM. De overeenkomst op perceel 3 heeft een looptijd van twee jaren en kan tweemaal met twee jaren worden verlengd. Het gaat om de inzameling van circa 9.800 ton oud papier en karton.

2.3.

Er zijn twee inschrijvers op perceel 3: Peute en Van Kaathoven.

2.4.

Volgens het Beschrijvend document beoordeelt de aanbestedende dienst na ontvangst van de inschrijving eerst de geschiktheid aan de hand van de uitsluitingsgronden en eisen inzake financieel-economische draagkracht en vakbekwaamheid, vervolgens wordt gecontroleerd of de inschrijving voldoet aan alle inhoudelijke eisen en daarna wordt de inschrijving verder beoordeeld aan de hand van de gestelde gunningscriteria. Indien een inschrijver wordt uitgesloten of niet voldoet aan de geschiktheidseisen wordt de inschrijving niet in behandeling genomen (pagina 4 van 55 Beschrijvend document).

2.5.

In geval van tegenstrijdigheden in de aanbestedingsdocumenten, prevaleert de (laatste) Nota van Inlichtingen (pagina 10 van 55 Beschrijvend document).

2.6.

In de Lijst van eisen (Bijlage III) die voor akkoord getekend (“dat hij zijn diensten/werkzaamheden volledig in overeenstemming met bovengenoemde eisen zal uitvoeren”) bij de inschrijving moet zijn gevoegd (pagina 19 en 45 van 55 Beschrijvend document), zijn in de paragraaf “Overslag- en/of verwerkingslocaties” – onder meer – de volgende eisen opgenomen:

98. Het oud papier en karton wordt door de opdrachtnemer afgevoerd naar een door hemzelf gekozen overslag- en/ of verwerkingslocatie. Overal waar in dit bestek wordt gesproken over overslag- en/ of verwerkingslocatie wordt deze locatie bedoeld. Op deze locatie dient de hoeveelheid ingezameld oud papier en karton gewogen te worden op een weegbrug die voldoet aan de vereisten zoals gesteld in de IJkwet.

Op het formulier dat in Bijlage IX is opgenomen dient van deze overslag- en/ of verwerkingslocatie naam, adres, postcode en plaats te worden vermeld. Op verzoek van opdrachtgever dient opdrachtnemer een (kopie van een) geldig ijkrapport te overleggen, waaruit af te leiden is dat op het moment van de betreffende weging de betreffende weegbrug geijkt was.

99. Om de afvoer van het oud papier gedurende de hele duur van de overeenkomst te garanderen zorgt opdrachtnemer voor een alternatieve overslag- en/ of verwerkingslocatie. Bij de inschrijving wordt de alternatieve locatie overlegd (naam, adres, postcode en plaats vermelden op het formulier dat in Bijlage IX is opgenomen). Daarna jaarlijks bij aanvang van het nieuwe jaar, dit voor het eerst per januari 2018.

101. Indien opdrachtnemer gebruik maakt van de alternatieve overslag- en/ of verwerkingslocatie zijn extra kosten die daardoor ontstaan voor rekening van opdrachtnemer.

104. De overslag- en/ of verwerkingslocatie, alsmede de alternatieve overslag- en/ of verwerkingslocatie, beschikken over alle voor de werkzaamheden vereiste wettelijke voorzieningen en vergunningen. Dit wordt op verzoek van opdrachtgever ter inzage gegeven. Zie ook sub 2.

2.7.

In het deel Bijzondere bepalingen van het Beschrijvend document is bij perceel 3 ter zake de overslag- en/of verwerkingslocatie de volgende eis gesteld:

148. De afstand van de Markt 1 in Geleen tot aan de overslag- en / of verwerkingslocatie mag maximaal 20 kilometer bedragen (zie ook sub 27 voor boetebeding).

2.8.

Bij de Nota van Inlichtingen van 1 juli 2016 wordt op de bij eis 101 gestelde vraag “Aan welke eisen dienst de alternatieve loslocatie te voldoen?” geantwoord: “Aan dezelfde eisen als de primaire locatie. We vragen een alternatieve overslaglocatie om de inzameling en verwerking van het oud papier te waarborgen in geval van calamiteiten.”

2.9.

De inschrijving van Peute is aanvankelijk vanwege een gebrek in de ondertekening uitgesloten en de opdracht voor perceel 3 is gegund aan Van Kaathoven. Peute is daartegen in kort geding opgekomen. Tijdens deze procedure heeft RWM het standpunt ingenomen dat de inschrijving van Peute ook niet voldeed aan eis 148 van het Beschrijvend document. Bij vonnis van 23 november 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank RWM bevolen de gunningsbeslissing in te trekken en de inschrijving van Peute opnieuw te beoordelen. Bij arrest van 21 maart 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat vonnis bekrachtigd. Over het standpunt van RWM dat de inschrijving van Peute niet voldeed aan eis 148, is in die uitspraken geen beslissing gegeven.

2.10.

Bij brief van 13 april 2017 deelt RWM Van Kaathoven mede dat na herbeoordeling van de inschrijving van Peute, die het gevolg is van de uitkomst van de rechterlijke procedure, aan Peute gegund moet worden, omdat zij de aanbieder met de laagste prijs is.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Van Kaathoven vordert

Primair

1. RWM te gebieden binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de gunningsbeslissing in het kader van de aanbestedingsprocedure voor de inzameling en verwerking van Oud Papier en Karton in 8 Limburgse gemeenten, voor zover het perceel 3 betreft, in te trekken en ingetrokken te houden en daaraan geen (verdere) uitvoering te geven;

2. RWM te gebieden, voor zover zij de opdracht nog steeds in wenst te gunnen, de opdracht voor wat betreft perceel 3 te gunnen aan Van Kaathoven.

Subsidiair

1. RWM te gebieden binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de aanbestedingsprocedure voor de inzameling en verwerking van Oud Papier en Karton in 8 Limburgse gemeenten, voor zover het perceel 3 betreft, te staken en gestaakt te houden en daaraan geen (verdere) uitvoering te geven;

2. RWM te gebieden, voor zover zij deze opdracht nog steeds wenst aan te besteden, tot heraanbesteding van deze opdracht.

Uiterst subsidiair

1. Elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Van Kaathoven.

Primair, subsidiair en uiterst subsidiair

1. RWM te veroordelen in de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd;

2. RWM te veroordelen in de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv tot een bedrag van EUR 131,00 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van EUR 68,00 ingeval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd;

3. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,- (zegge: eenhonderd duizend euro), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of per dagdeel dat RWM in gebreke blijft bij de naleving van het vonnis.

3.2.

Van Kaathoven legt aan de vordering ten grondslag dat RWM in de voorgaande procedures inzake de geldigheid van de ondertekening van de inschrijving van Peute tot in hoogtse instantie – naast nog andere redenen – heeft bepleit dat Peute overigens ook ongeldig had ingeschreven omdat de alternatieve overslag- en/of verwerkingslocatie op een afstand groter dan 20 km verwijderd is, als bedoeld in eis 148 van het Beschrijvend document, terwijl RWM daarin thans geen reden ziet om de inschrijving van Peute buiten beschouwing te laten. Van Kaathoven stelt dat de inschrijving van Peute niet voldoet aan hetgeen in de aanbestedingsstukken wordt vereist ter zake de maximale afstand voor de alternatieve locatie. Van Kaathoven stelt dat het daarbij, zoals de normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijver mocht begrijpen, gaat om de daadwerkelijke reisafstand over de weg.

3.3.

RWM en Peute voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4.

Peute vordert Van Kaathoven de vordering te ontzeggen en RWM te veroordelen de beslissing de opdracht te gunnen aan Peute uit te voeren, indien en voor zover RWM de opdracht nog immer wenst te verstrekken een en ander met veroordeling van Van Kaathoven en/of in de (na)kosten van het geding, vermeerderd met rente.

In het incident

3.5.

Peute vordert dat haar wordt toegestaan tussen te komen in het geding tussen Van Kaathoven en RWM met veroordeling van Van Kaathoven in de (na)kosten van het incident, vermeerderd met rente.

3.6.

Van Kaathoven en RWM hebben zich niet tegen tussenkomst verzet.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Ter zitting is Peute toegestaan om in dit geding tussen te komen.

4.2.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om de kosten van het geding in het incident tot tussenkomst te compenseren in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

4.3.

De zaak is naar zijn aard spoedeisend.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat Van Kaathoven onweersproken heeft gesteld dat RWM in het kader van deze procedure als vertegenwoordiger van de aanbestedende dienst heeft te gelden en in die hoedanigheid is gedagvaard. Daar waar hierna RWM wordt aangehaald, wordt voor zover nodig mede de aanbestedende dienst bedoeld.

4.5.

Kern van het geschil is of eis 148 ook geldt voor de door de inschrijver op te geven alternatieve locatie en of eis 148 door een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver moet worden begrepen als maximaal 20 km daadwerkelijke reisafstand.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de opgeworpen kwestie de kern van het beginsel van transparantie raakt.

Het beginsel van transparantie is door het Europees Hof van Justitie in het Succhi dit Frutta-arrest uitgewerkt:

Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, […], alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. (vgl. Succhi di Frutta-arrest, r.o. 110-111, EuHvJ 29 april 2004, C-496/99).

De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat op grond van het transparantiebeginsel bij de uitleg van de bepalingen van aanbestedingsstukken volgens vaste Nederlandse rechtspraak de zogenoemde CAO-norm moet worden toegepast. Dit betekent dat de bepalingen naar objectieve maatstaven dienen te worden uitgelegd en dat de bewoordingen hiervan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingsstukken, van doorslaggevende betekenis zijn.

Gelden alle eisen voor de primaire locatie ook voor de alternatieve locatie?

4.7.

In de Nota van Inlichtingen is op de vraag aan welke eisen de alternatieve locatie dient te voldoen, geantwoord: “Aan dezelfde eisen als de primaire locatie.” Als toelichting op dat antwoord is toegevoegd: “We vragen een alternatieve overslaglocatie om de inzameling en verwerking van het oud papier te waarborgen in geval van calamiteiten.”

4.8.

Van Kaathoven stelt dat uit het antwoord dat in de Nota van Inlichtingen is gegeven volgt dat de afstandseis van eis 148 ook van toepassing is op de alternatieve locatie.

4.9.

RWM stelt dat de inschrijver een alternatieve locatie moeten aanbieden, maar dat niet in beton is gegoten waar die locatie is. RWM stelt dat het nooit de bedoeling is geweest om een afstandseis te stellen voor de alternatieve situatie. De locatie kan immers (a) worden aangepast, en (b) de (extra) kosten voor het gebruik van die locatie zijn voor de inschrijver, terwijl gebruik van de locatie pas aan de orde is (c) in geval van een calamiteit. Voorts wordt aangevoerd dat de boeteclausule geen betrekking heeft op de afstand, maar gerelateerd is aan de tijd die gemoeid is met het onderbreken van een inzameling. RWM stelt dat de alternatieve locatie moet voldoen aan alle (wettelijke) eisen en dat dit volgt uit eis 104, en dat het antwoord op de vraag in de Nota van Inlichtingen slaat op de eisen die aan de locatie zelf worden gesteld en niet aan de geografische ligging van de locatie. De vraag is immers gesteld bij eis 101 in het algemene hoofdstuk over de overslag en/of verwerkingslocatie en niet bij eis 148 in het hoofdstuk bijzondere bepalingen voor perceel 3. Verder stelt RWM dat in het bestek steeds duidelijk is gemaakt voor welke locatie of locaties de eis geldt: ziet de eis op slechts een van de locaties, dan is maar een van de locaties met name genoemd.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de objectieve uitleg van de bewoordingen van het antwoord op de vraag aan welke eisen de alternatieve locatie dient te voldoen, niet anders kan zijn dat elke eis, waar ook in de aanbestedingsstukken, die gesteld wordt aan de primaire overslag en/of verwerkingslocatie ook geldt voor de alternatieve locatie. Dat volgt uit de Nota van Inlichtingen (zie 4.4). Een behoorlijk geïnformeerde normaal oplettende inschrijver hoefde niet anders te begrijpen, omdat het antwoord zonder beperkingen, voorwaarden of uitzonderingen is geformuleerd. Hieruit volgt dat ook de eis 148 geldt voor de alternatieve locatie die moet worden aangeboden.

Dat de feitelijke locatie aan dezelfde eisen moet voldoen en dat het antwoord alleen op de kwaliteit slaat en niet op de afstandseis, zoals RWM stelt, blijkt niet uit de bewoordingen en is overigens ook overigens niet navolgbaar, omdat RWM in dat geval met verwijzing naar eis 104 had kunnen volstaan.

4.11.

Als het niet de bedoeling was de afstandseis te stellen aan de alternatieve locatie, zoals RWM thans, in weerwil van haar eerdere standpunt, stelt, dan had het antwoord daarvan blijk moeten geven, omdat de afstandseis van belang kan zijn voor de prijs waarvoor een inschrijver wenst in te schrijven. Het is immers denkbaar dat een inschrijver een goedkopere alternatieve locatie beschikbaar heeft buiten de straal van 20 km en door de afstandseis zich gedwongen ziet om tegen hogere kosten de beschikking te krijgen over een alternatieve locatie binnen de straal van 20 km. Eis 101, in het kader waarvan de vraag aan welke eisen de alternatieve locatie dient te voldoen, was gesteld, bepaalt ook dat de extra kosten van het gebruik van de alternatieve locatie voor de inschrijver zijn. Tezamen met de inschatting van de inschrijver van de kans op calamiteiten op de primaire overslag- en/of verwerkingslocatie, maakt dat het antwoord op de vraag (mede) bepalend is voor de vraag of en tegen welke inschrijfprijs geboden zal worden.

Dat de ratio van het moeten aanbieden van een alternatieve locatie – “waarborgen in geval van calamiteiten” – in de toelichting op het antwoord wordt gegeven doet aan het vorenstaande oordeel niet af. Het onderstreept enkel dat op basis van dezelfde eisen een vergelijkbare service moet kunnen worden geboden met gebruikmaking van de alternatieve locatie.

Uitleg van eis 148

4.12.

Van Kaathoven stelt dat eis 148 niet anders kan worden begrepen dan dat het gaat om de daadwerkelijke reisafstand en dat deze maximaal 20 km mag bedragen. Zij onderbouwt dit met de eisen zoals die zijn opgenomen in vergelijkbare Europese aanbestedingen: de strekking is daarbij steeds het over de weg af te leggen aantal kilometers.

4.13.

RWM en Peute stellen dat in eis 148 niet wordt aangegeven hoe de afstand van 20 km moet worden bepaald. Dit in tegenstelling tot de door Van Kaathoven in productie 17 bij dagvaarding opgenomen afstandseisen, die vrijwel allemaal naar routebepaling door middel van een routeplanner verwijzen. Om die reden is het standpunt van Peute dat haar alternatieve locatie hemelsbreed op minder dan 20 km afstand ligt van het opgegeven meetpunt, volgens RWM voor juist te houden.

4.14.

De voorzieningenrechter acht de eis in ieder geval zo geformuleerd dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver niet mocht menen dat de afstand meer dan 20 km mocht bedragen, zodat bijvoorbeeld 20,3 km nog binnen de eis zou vallen.

4.15.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat eis 148 op basis van enkel de bewoordingen geen uitsluitsel geeft over de wijze waarop de afstand van Markt 1 te Geleen tot de alternatieve overslag- en/of verwerkingslocatie moet worden gemeten. Er wordt in de tekst simpelweg geen aanknopingspunt daarvoor gegeven.

4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de eis niet anders heeft kunnen begrijpen dan dat het gaat om de lengte van de daadwerkelijk af te leggen route naar de alternatieve locatie. Een hemelsbrede afstand is weinigzeggend, terwijl de reisafstand betekenis kan hebben voor de bereikbaarheid. Dat sluit aan bij de betekenis die kennelijk in de markt gebruikelijk is waar het gaat om een afstandseis als de onderhavige. Telkens gaat het om de daadwerkelijk af te leggen afstand. Een en ander is treffend door Van Kaathoven geïllustreerd met voorbeelden, waarin overigens ook een met de uitvraag van RWM vergelijkbare “kale” variant is te vinden (productie 17O). Als RWM een van het gebruikelijke afwijkende norm wilde toepassen – te weten hemelsbreed – dan had zij dat in haar uitvraag expliciet moeten opnemen, zodat inschrijvers daarmee rekening hadden kunnen houden.

Toetsing aan eis 148

4.17.

Volgens Peute is eis 148 geen minimumeis, maar een uitvoeringseis, zodat de inschrijving daaraan niet mocht wordt getoetst.

4.18.

De voorzieningenrechter verwerpt dit betoog. De omstandigheid dat de inschrijver de alternatieve locatie bij de inschrijving moest opgeven en de uitdrukkelijke vermelding dat voor de alternatieve locatie dezelfde eisen gelden als voor de primaire locatie, brengt mee dat de aanbestedende dienst moest toetsen of de inschrijving op het punt van de alternatieve locatie voldeed aan eis 148.

Rechtsverwerking

4.19.

De voorzieningenrechter kan Peute niet volgen waar zij stelt dat Van Kaathoven de inschrijving van Peute niet meer met succes kan betwisten op gronden die RWM niet in de oorspronkelijke gunningsbeslissing aan Peute heeft tegengeworpen. Er is geen enkele regel – op grond van wet of rechtspraak – die Van Kaathoven ervan weerhoudt de nieuwe gunningsbeslissing voluit op rechtmatigheid te laten toetsen. Te meer niet omdat in de eerdere procedure geen oordeel is gegeven over andere afwijzingsgronden dan die inzake de rechtsgeldige ondertekening van de inschrijving van Peute.

Slotsom

4.20.

De inschrijving van Peute had RWM dus ongeldig moeten verklaren. De voorzieningenrechter komt op grond van het bovenstaande niet meer toe aan bespreking van de overige stellingen en verweren. De primaire vordering van Van Kaathoven dient te worden toegewezen.

4.21.

De vordering in de hoofdzaak van de tussengekomen partij Peute dient in navolging van het bovenstaande te worden afgewezen.

Proceskosten

4.22.

RWM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Van Kaathoven. Deze kosten worden begroot op

  • -

    exploot van dagvaarding € 85,21

  • -

    griffierecht € 618,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

totaal € 1.519,21.

De nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

5.1.

wijst de vordering tot tussenkomst toe,

5.2.

compenseert de kosten van het geding, in de zin dat elk der partijen haar eigen kosten draagt,


in de hoofdzaak

5.3.

gebiedt de aanbestedende dienst (RWM) binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de gunningsbeslissing van 13 april 2017 in het kader van de aanbestedingsprocedure voor de inzameling en verwerking van Oud Papier en Karton in acht Limburgse gemeenten, voor zover het perceel 3 betreft, in te trekken en ingetrokken te houden en daaraan geen (verdere) uitvoering te geven,

5.4.

gebiedt de aanbestedende dienst (RWM), voor zover zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, de opdracht wat betreft perceel 3 te gunnen aan Van Kaathoven,

5.5.

veroordeelt RWM in de kosten van het geding aan de zijde van Van Kaathoven begroot op € 1.519,21, vermeerderd met de nakosten ad € 131,00 indien slechts aanschrijving en geen betekening van dit vonnis plaatsvindt, en met € 199,00, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.3., 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst de vordering van Peute af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: