Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7480

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
C/03/235322 / KG ZA 17-244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beëindiging maatschapsovereenkomst. Onvoorwaardelijke mededeling voortzetting. Uitleg concurrentiebeding. Verloskundige in eerste en tweedelijns zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4338
TvA 2017/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/235322 / KG ZA 17-244

Vonnis in kort geding van 27 juli 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.L.G.J. Eikelboom,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Campos.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 mei 2017, met producties,

  • -

    de brief van 31 mei 2017 van [gedaagde] , met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 1 juni 2017, met de pleitaantekeningen van [eiseres] en de pleitnota van [gedaagde] ,

  • -

    de brief van 26 juni 2017 van [eiseres] , houdende een akte,

  • -

    de brief van 26 juni 2017 van [gedaagde] , houdende bezwaar tegen de akte van [eiseres] , tevens voorwaardelijke antwoordakte,

  • -

    de brief van 30 juni 2017 van [eiseres] , houdende nadere akte/kennisgeving,

  • -

    de e-mail van 30 juni 2017 van [gedaagde] waarbij vonnis wordt gevraagd,

  • -

    de brief van 3 juli 2017 van [gedaagde] , houdende bezwaar tegen de nadere akte/kennisgeving van [eiseres] , tevens voorwaardelijke antwoordakte.

  • -

    de vonnisbepaling.

1.2.

De voorzieningenrechter honoreert het bezwaar van [gedaagde] tegen de akte van 26 juni 2017 alsmede de akte/kennisgeving van 30 juni 2017. Ter zitting is de behandeling van de zaak aangehouden ten einde partijen de gelegenheid te geven te onderzoeken of zij tot een minnelijke oplossing konden komen. Er is daarbij geen andere procedureafspraak gemaakt dan dat partijen de rechter zullen informeren over het al dan niet slagen van de onderhandelingen, waarna (zo nodig) vonnis zal worden gewezen. Omdat geen gelegenheid is gegeven om aktes te nemen en ook geen verzoek is gedaan om een nadere zitting te houden, zal de voorzieningenrechter de akte(s) van [eiseres] en bijgevolg ook de voorwaardelijke antwoordakte(s) van [gedaagde] buiten beschouwing laten en beslissen op basis van het dossier, zoals dat op de dag van de zitting voorlag en het verhandelde ter zitting.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn per 1 januari 2006 een maatschapsovereenkomst aangegaan om een verloskundige praktijk uit te oefenen, gevestigd in het pand [adres] te [vestigingsplaats] . De laatste versie van de overeenkomst is getekend in mei 2012.

Artikel 16 van de maatschapsovereenkomst luidt:

Indien de praktijk na beëindiging van de maatschap door én van de maten wordt voortgezet, is het de andere maat niet toegestaan binnen een termijn van vijf jaar binnen een straal van 30 kilometer rond [vestigingsplaats] rechtstreeks, of zijdelings deel te nemen in een soortgelijke praktijk als het door de maatschap uitgeoefende, tenzij met schriftelijke toestemming van de andere maat, zulks op verbeurte van ‘een boete van € 5.000 aan de andere maat voor iedere overtreding van deze bepaling en voor iedere dag dat een overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de andere vennoot om volledige schadevergoeding te vragen.

2.2.

[gedaagde] heeft tijdig en volgens de afgesproken regels tegen 31 december 2016 de maatschapsovereenkomst opgezegd, zodat de overeenkomst per die datum is geëindigd.

2.3.

[eiseres] heeft [gedaagde] laten weten dat zij voornemens is de praktijk voort te zetten conform de voortzettingsregeling in de maatschapsovereenkomst, maar slechts voorwaardelijk, in ieder geval omdat zij van [gedaagde] wenst te vernemen of zij zich aan het concurrentiebeding ex artikel 16 van de overeenkomst zal houden.

2.4.

[gedaagde] is na 1 januari 2017 op enig moment in dienst getreden als verloskundige bij het ziekenhuis MUMC+ te Maastricht (hierna: het AZM). [eiseres] heeft [gedaagde] op 24 februari 2017 in gebreke gesteld inzake het concurrentiebeding.

2.5.

[eiseres] en [gedaagde] zijn beiden eigenaar van het praktijkpand. Het pand bevat op de verdiepingen twee appartementen en op de begane grond de verloskundige praktijk. Op 20 februari 2017 heeft de gemeente [vestigingsplaats] beide eigenaren een last onder dwangsom opgelegd om per 20 maart 2018 het praktijkpand in overeenstemming met de bestemming, te weten wonen, te brengen. [eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt. In de legalisatieprocedure verlangt de gemeente thans de ondertekening van een verhaalsovereenkomst en van een parkeerbijdrageregeling.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat – het volgende:

  1. [gedaagde] te veroordelen om de “Verhaalsovereenkomst” én de “Parkeerbijdrage-regeling overeenkomst” als mede-eigenaar mee te ondertekenen, zulks op straffe van een dwangsom;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] een voorschot te voldoen van € 10.000 ter derving van de kosten van het legalisatieproces met betrekking tot de publiekrechteljke bestemmingshandhaving van het praktijkpand;

  3. [gedaagde] te verbieden:

  1. bij - de afdeling Verloskunde van - het AZM de verloskundige praktijk uit te oefenen c.q. werkzaamheden als verloskundige te verrichten,

  2. - rechtstreeks dan wel zijdelings - haar beroep c.q. praktijk als verloskundige binnen een straal van 30 kilometer rond [vestigingsplaats] en voor een periode van 5 jaar na 1 januari 2017 uit te oefenen dan wel bij de uitoefening van een soortgelijke praktijk als die van de [naam praktijk] betrokken te zijn of te zullen zijn,

een en ander op straffe van een dwangsom;

4. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] een voorschot te voldoen van € 50.000,-, als voorschot op de reeds verbeurde boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding vanaf 23 januari 2017;

5. [gedaagde] te veroordelen om het Kamer van Koophandel formulier tot ontbinding van de maatschap per 1 januari 2017 te ondertekenen, zulks op straffe van een dwangsom;

6. [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering samengevat het volgende ten grondslag. Met “praktijk uitoefenen” in artikel 16 van de overeenkomst is uitdrukkelijk bedoeld het uitoefenen van het beroep van verloskundige in welk verband dan ook. Voor het kunnen voortzetten van de praktijk is van belang dat [gedaagde] meewerkt aan de overname van het praktijkpand en aan de procedure tot legalisatie van de bestemming, terwijl [gedaagde] daarvan ook de helft van de kosten dient te dragen. Door elders in dienst te treden als verloskundige en door haar medewerking te onthouden komt [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet na en pleegt zij een onrechtmatige daad jegens [eiseres] . Ook het niet meewerken aan de legalisatieprocedure is onrechtmatig jegens [eiseres] .

3.3.

[gedaagde] voert als verweer het volgende aan.

De voorzieningenrechter is niet bevoegd kennis te nemen van de vordering, omdat de overeenkomst arbitrage voorschrijft.

[eiseres] heeft niet conform de regeling van de artikelen 10 en verder van de maatschapsovereenkomst de voortzetting van de praktijk aangekondigd c.q. in gang gezet. Het concurrentiebeding geldt daarom (nog) niet. Ook als het wel zou gelden, overtreedt zij dat beding niet.

[gedaagde] heeft vordering op het maatschapsvermogen van ca. € 90.000 ter zake eigen kapitaal en heeft recht op een overnamesom bij voortzetting van de praktijk door [eiseres] . Als [eiseres] de praktijk wil voortzetten, gaat dit gepaard met overname van alle bestaande rechten én verplichtingen, terwijl er voor [gedaagde] geen verplichting is om kosten van (onzekere) procedures die daarvoor nodig zijn mede te dragen. De maatschapsovereenkomst beschrijft de procedure. De vorderingen van [eiseres] zijn niet gegrond op die overeenkomst.

4 De beoordeling

De bevoegdheid van de burgerlijke rechter in kort geding

4.1.

De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil. De partijen zijn immers ondanks pogingen daartoe niet in staat gebleken arbiters te vinden om het geschil te beoordelen en beslechten. De door [eiseres] aangedragen arbiter heeft zich om hem moverende redenen teruggetrokken, terwijl een derde arbiter nog niet is aangezocht om benoemd (of aangewezen) te worden. Ook zijn de partijen het niet eens over de aanwijzing van een of meer scheidsmannen in arbitraal kort geding.

Het spoedeisend belang

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de spoedeisendheid voortvloeit uit de aard van de zaak.

Het concurrentiebeding

4.3.

Inzake de uitleg van het in artikel 16 van de maatschapsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding heeft [eiseres] ter zitting desgevraagd verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren of er in 2012 nog over het concurrentiebeding, zoals dat al was opgenomen in de, overigens niet door partijen getekende, maatschapsovereenkomst van 2006, is gesproken. Omdat de kort gedingprocedure zich niet leent voor nadere bewijsvoering door bijvoorbeeld getuigen, zal de voorzieningenrechter zijn oordeel daarom moeten baseren op dat wat door de partijen ter onderbouwing van hun standpunten in geding is gebracht.

4.4.

[eiseres] stelt in dit verband dat op basis van de bewoordingen van artikel 16 elke vorm van het verlenen van verloskundige diensten als zelfstandige, in loondienst in de eerste of de tweede lijn onder het beding valt: er is sprake van verboden concurrentie als [gedaagde] op welke wijze dan ook haar beroep van verloskundige uitoefent binnen een straal van 30 kilometer van [vestigingsplaats] . Het werken in de tweede lijn is daarom ook niet toegestaan. Bovendien ontwikkelt de gezondheidszorg in de richting dat het ziekenhuis steeds meer zorg gaat verlenen op het niveau van de eerste lijn, bijvoorbeeld in geboortecentra.

[gedaagde] stelt dat het in loondienst bij het ziekenhuis als verloskundige werkzaam zijn geen concurrentie is als bedoeld in het beding. Aantasting van het verdienmodel van de praktijk of verlies van de bestaande klantenkring is ook niet aan de orde. Dat het AZM concurreert met de eerstelijns verloskundigen wordt gesuggereerd (participeren in geboortecentra), maar niet onderbouwd. [gedaagde] stelt dat zij in het ziekenhuis geen acquisitiefunctie heeft en dat de verloskundige zorg een andere doelgroep betreft, namelijk vrouwen met een medische indicatie, die worden doorverwezen vanuit de eerste lijn door de eigen verloskundige. Zij onderbouwt haar stelling met een brief van prof.dr. J.G. Nijhuis, afdelingshoofd Obstetrie & Gynaecologie bij het AZM, en met schriftelijke verklaringen van een aantal eerstelijns verloskundigen in het verzorgingsgebied van het ziekenhuis. Ook wijst [gedaagde] op de verklaring van de accountant die destijds betrokken was bij het opstellen van de overeenkomst.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] heeft nagelaten feitelijk te onderbouwen en aannemelijk te maken dat [gedaagde] door in loondienst van het AZM te treden, werkzaam is in een “soortgelijke praktijk als het door de maatschap uitgeoefende”.

Niet weersproken is en overigens ook niet ter discussie staat dat [gedaagde] in de tweede lijn werkzaam is en dat in die tweede lijn vrouwen worden behandeld met een medische indicatie die niet terecht kunnen in de eerste lijn. Dit houdt in dat de normaal verlopende zwangerschap, bevalling en kraamperiode tot het verzorgingsgebied van de eerstelijns zorgverlener behoren – “de door de maatschap uitgeoefende praktijk” – en dat de te verwachten pathologische zwangerschap, bevalling en kraamperiode behoren tot het takenpakket van de tweedelijns zorgverlener (“het ziekenhuis”), dat in beginsel na selectie door de eerstelijns zorgverlener. Dat het AZM nu al participeert in een geboortecentrum, waar ook eerstelijns zorg wordt verleend, en - belangrijker - dat [gedaagde] daarin als verloskundige werkzaam is, is niet gebleken. De voorzieningenrechter hecht bovendien waarde aan dat wat volgt uit de brief van prof.dr. Nijhuis, die hij als terzake deskundige aanmerkt, namelijk dat [gedaagde] werkzaam is in de “categorie C-zorg” - waarbij medische zorg door een gynaecoloog noodzakelijk is zolang als de aandoening zich voordoet - van de Verloskundige Indicatielijst1 en dat [gedaagde] een reguliere formatieplaats invult.

Dat verloskundigen in hun verklaringen vrijwel allemaal wijzen op het verschil in populatie (normale zwangerschap en bevalling tegenover medisch geïndiceerde zwangerschap en bevalling) en dat zij daardoor geen concurrerende activiteit zien van [gedaagde] , zegt weliswaar niets over de bedoeling van partijen bij het aangaan van de maatschapsovereenkomst in 2006 of 2012, maar maakt wel een breed gedeelde opvatting in de branche waarin “de door de maatschap uitgeoefende praktijk” opereerde aannemelijk. De partijen hebben kennelijk in 2006 noch in 2012 aanleiding gezien om de tweedelijns medisch geïndiceerde zwangerschaps-, bevallings- en kraamzorg expliciet te betrekken in het concurrentieverbod, hetgeen gelet op de verklaringen uit het veld wel voor de hand zou hebben gelegen als dat de bedoeling was geweest.

4.6.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat zeer waarschijnlijk is dat de rechter (c.q. een arbitraal college) in een bodemgeschil tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] door als tweedelijns (klinisch) verloskundige in dienst van een ziekenhuis (i.c. het AZM) te treden, niet in strijd handelt met het concurrentiebeding, neergelegd in artikel 16 van de maatschapsovereenkomst.

4.7.

Ten zitting heeft [gedaagde] ten overstaan van de rechter verklaard en daarmee tegenover [eiseres] herhaald dat zij niet als verloskundige zal werken in een zelfstandige (eerstelijns) verloskundige praktijk binnen de straal van 30 km van [vestigingsplaats] , zoals bedoeld in artikel 16 van de overeenkomst.

4.8.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een overtreding van het concurrentieverbod aan te nemen noch om vordering 3b toe te wijzen: de voorzieningenrechter zal niet toewijzen wat tussen partijen op grond van de overeenkomst reeds als recht heeft te gelden en thans door [gedaagde] wordt nageleefd. Ook de vordering sub 4 dient te worden afgewezen. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] slechts onder voorwaarden de praktijk wil voortzetten, en dus (nog) geen beroep kan doen op het concurrentiebeding, behoeft dus geen bespreking.

Het verlenen van medewerking.

4.9.

[eiseres] heeft nagelaten conform de regeling van artikel 12 lid 3 van de maatschapsovereenkomst aan [gedaagde] mee te delen gebruik te maken van haar recht van voortzetting/overneming. Een aangetekend schrijven met een daarop gerichte mededeling is niet gedaan en voor zover [eiseres] zo begrepen moet worden dat uit haar voorbereidende handelingen en uit de voorstellen en onderhandelingen met [gedaagde] zou moeten blijken dat zijn daadwerkelijk de praktijk wenst over te nemen, kan de voorzieningenrechter haar daarin niet volgen.

4.10.

De termijn van 8 maanden in artikel 12 lid 3 van de overeenkomst gaf [eiseres] voldoende ruimte om in ieder geval (de waarde van) het maatschapsvermogen in kaart te (laten) brengen en te bezien wat vervolgens benodigd is om [gedaagde] haar aandeel uit te betalen. Tussen de partijen is niet in geding dat de handelingen die in artikel 11 van de overeenkomst zijn beschreven, nog niet (volledig) zijn uitgevoerd, althans dat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt, althans dat [eiseres] aan [gedaagde] nog geen concreet aanbod heeft gedaan tegen welke prijs zij haar aandeel in het maatschapsvermogen wenst over te nemen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behoren onzekere, in de toekomst gelegen factoren als de (handhaving van de) publiekrechtelijke bestemming van het praktijkpand en de keuze om ten behoeve van de legalisatie van de bestemming met de gemeente overeenkomsten te sluiten in beginsel voor rekening en risico te komen van de maat die de praktijk wenst voort te zetten. Zelfs als [eiseres] een onvoorwaardelijke mededeling van overname zou hebben gedaan, is de voorzieningenrechter niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan [gedaagde] gehouden zou zijn de door [eiseres] geëiste medewerking te verlenen. Dit zou mogelijk anders zijn als [eiseres] [gedaagde] voor de (financiële) gevolgen daarvan zou vrijwaren, maar van een dergelijke vrijwaring is in deze procedure niet gebleken. Het inschatten van de goede en kwade kansen van voortzetting van de praktijk in het pand te [vestigingsplaats] is een ondernemersbeslissing van [eiseres] waarvan eventuele negatieve gevolgen of effecten niet (mede) op het bord van de vertrokken maat [gedaagde] kunnen worden gelegd.

4.11.

De gevorderde medewerking aan de ondertekening van overeenkomsten met de gemeente [vestigingsplaats] en het KvK-formulier zal daarom worden afgewezen, alsmede de gevorderde som inzake kosten van de legalisatieprocedure.

Opheffing van het beslag

4.12.

Indien [gedaagde] beoogt de opheffing van het door [eiseres] gelegde beslag te vorderen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hierover zonder (tijdig ingestelde) conclusie in reconventie in deze procedure niet kan worden beslist.

De proceskosten

4.13.

[eiseres] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 816,- aan salaris advocaat en € 883,- terzake griffierecht, vermeerderd met rente als bepaald in het dictum. Voor de door gevorderde veroordeling in de werkelijke kosten van het geding bestaat geen grond, nog los van het feit dat [gedaagde] geen onderbouwing heeft gegeven van die werkelijke kosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.699,00, vermeerderd , indien niet binnen 8 dagen na betekening van het vonnis daaraan is voldaan, met de wettelijke rente, bedoeld in artikel 6:119 BW, tot aan de dag van de algehele betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de kostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard en in het openbaar uitgesproken.2

1 Opgesteld onder verantwoordelijkheid van de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen; http://www.knov.nl/vakkennis-en-wetenschap/tekstpagina/524-2/verloskundige-indicatielijst/hoofdstuk/733/verloskundige-indicatielijst/en Verloskundig vademecum 2003, pagina 37 en bijlage I.

2 type: EvB