Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7190

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
C/03/237311 / KG ZA 17-332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag. Heeft gedaagde wel een vordering op eisers? Eisers hebben als vertegenwoordiger van een op dat moment nog op te richten vennootschap overeenkomsten gesloten met de beslaglegger. Zijn zij hoofdelijk verbonden aan de uit de overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen? De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat eisers op de voet van artikel 2:203 lid 1 en 2 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit de overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen jegens gedaagde. De voorzieningenrechter acht ook niet aannemelijk dat zij als vertegenwoordiger van de (bij het aangaan van de huur- en huurkoopovereenkomst nog op te richten) vennootschap, op de voet van artikel 2:203 lid 3 BW aansprakelijk zijn voor de schade die gedaagde lijdt doordat de vennootschap haar verplichtingen uit de bekrachtigde rechtshandeling niet nakomt. Desondanks leidt de te maken belangenafweging slechts tot opheffing van één van de beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/237311 / KG ZA 17-332

Vonnis in kort geding van 24 juli 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers, samen aangeduid als: [eisers] ,

advocaat mr. R.R.H.J. Ramakers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CASTILLO REAL ESTATE B.V.,

gevestigd te Almere,

gedaagde, hierna: Castillo,

advocaat mr. A. Ben Daoued.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    het faxbericht met bijlagen van [eisers] 14 juli 2017,

  • -

    de faxberichten met bijlagen van Castillo van 14 juli 2017,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eisers] ,

  • -

    de pleitnota van Castillo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Castillo is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] .

2.2.

Op 26 mei 2014 is zij met Animo B.V. i.o. (Hotel Animo & Pannenkoek Huis Valkenburg) een overeenkomst aangegaan tot verhuur van het pand voor de duur van vijf jaar aan Animo B.V. i.o. Hiernaast is Castillo met Animo B.V. i.o. een huurkoopovereenkomst aangegaan die strekt tot verkoop van de zich in het pand bevindende inventaris. Animo B.V. i.o. was bij het sluiten van de huur- en de huurkoopovereenkomst vertegenwoordigd door haar (toekomstige) directeuren, [eisers] en [naam] .

2.3.

[eisers] zijn aandeelhouders en bestuurders van Animo B.V. Deze vennootschap exploiteert vanaf 21 augustus 2014, vanuit het pand gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] , hotel Animo en het Pannenkoekenhuis Valkenburg. [naam] is niet bij deze vennootschap betrokken.

2.4.

Castillo heeft, na op 8 juni 2017 daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter, conservatoir (derden)beslag doen leggen op (in ieder geval) de aan [eisers] in eigendom toebehorende onroerende zaak aan het [adres 2] te [vestigingsplaats] (kadastrale aanduiding [kadasternummers] (door partijen afwisselend aangeduid als [adres 2] [X] en [adres 2] [Y] en door de deurwaarder in het exploot van beslaglegging aangeduid als [adres 2] [Z] ), alsmede onder Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Castillo veroordeelt de ten laste van hen gelegde conservatoire (derden)beslagen op de onroerende zaak aan het [adres 2] en onder Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op te heffen en opgeheven te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000 als Castillo niet of niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, te vermeerderen met € 20.000 voor iedere dag dat de niet voldoening voortduurt met een maximum van € 400.000. Hiernaast vorderen [eisers] dat de voorzieningenrechter Castillo in de kosten van deze procedure veroordeelt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn voldaan.

3.2.

Castillo voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Spoedeisend belang

4.1.1.

Het spoedeisend belang van [eisers] bij beoordeling van hun vordering in kort geding vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2.

Opheffing beslagen?

4.2.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 705 Rv. volgt dat de opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, als voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Hiernaast kan opheffing van het beslag worden bevolen indien het beslag onrechtmatig is.

4.2.2.

Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, [eisers] in dit geval, om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig dan wel onrechtmatig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade1.

4.2.3.

[eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat Castillo wat betreft de uit de huur- en de huurkoopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, in verband waarmee de beslagen zijn gelegd, geen vordering op hen heeft, maar uitsluitend op Animo B.V. Zij zijn niet hoofdelijk verbonden aan de uit de huur- en de huurkoopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, aldus [eisers] . Zowel de huurovereenkomst als de huurkoopovereenkomst is na haar oprichting door Animo B.V., de beoogde vennootschap, bekrachtigd en zij hebben niet onrechtmatig gehandeld jegens Castillo, zodat zij om die reden evenmin aansprakelijk is voor schulden van Animo B.V. aan Castillo. Hiernaast stellen zij dat de door de voorzieningenrechter in het kader van de beoordeling van de opheffingsvordering te maken belangenafweging in hun voordeel dient uit te vallen.

4.2.5.

Nu [eisers] stellen dat Castillo geen vordering op hen heeft, terwijl Castillo dat, met een beroep op artikel 2:203 BW, gemotiveerd betwist zal de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of [eisers] hun stellingen in dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

4.2.5.1. Uit artikel 2:203 BW volgt dat degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten vennootschap daardoor hoofdelijk verbonden zijn, totdat de vennootschap (die partijen bij die rechtshandeling op het oog hadden) na haar oprichting de rechtshandeling (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft bekrachtigd, tenzij met betrekking tot die rechtshandeling uitdrukkelijk anders is bedongen. Of de uiteindelijk opgerichte vennootschap moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen in dit geval bij de totstandkoming van de huur- en huurkoopovereenkomst op het oog hadden, hangt af van de omstandigheden van het geval. De in aanmerking te nemen omstandigheden betreffen onder andere de namen van de vennootschap in oprichting en de opgerichte vennootschap, de bij de beide vennootschappen betrokken personen, de aard van het door de vennootschappen uitgeoefende bedrijf; het kapitaal van de opgerichte vennootschap in het licht van de omvang van de transactie, hetgeen in de akte van oprichting omtrent de vennootschap in oprichting is verklaard (daaronder begrepen dat daaromtrent niets is verklaard) en hetgeen omtrent de beide vennootschappen in het handelsregister is ingeschreven.

4.2.5.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisers] in dit kort geding voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Animo B.V. moet worden aangemerkt als de vennootschap die de partijen bij de totstandkoming van de huur- en de huurkoopovereenkomst op het oog hadden.

Hij overweegt hiertoe dat in de aanhef van de op 26 mei 2014 tussen Castillo en Animo B.V. i.o. gesloten de huur- en huurkoopovereenkomst, onder Animo B.V. i.o. “(Hotel Animo & Pannenkoek Huis Valkenburg)” is vermeld. [eisers] en [naam] hebben Animo B.V. i.o. bij het sluiten van de overeenkomsten in de hoedanigheid van (toekomstige) directeuren vertegenwoordigd. Op 5 juni 2014 is Animo B.V. opgericht door [eisers] . Als onweersproken staat vast dat in de oprichtingsakte is vermeld dat de vennootschap ten doel heeft “het exploiteren van een horeca onderneming, zoals een pannenkoekenhuis, (eet)café, bistro, restaurant, hotel of bed and breakfast.” In het handelsregister, zo staat als onweersproken eveneens vast, zijn ten aanzien van de activiteiten van Animo B.V. dezelfde activiteiten vermeld. De doelstelling van Animo B.V. strookt aldus met de inhoud van de huur- en de huurkoopovereenkomst. In de huurovereenkomst is immers vermeld dat het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als “Hotel-Restaurant” en als onweersproken staat vast dat Animo B.V. sinds 21 augustus 2014 het Pannenkoekenhuis [vestigingsplaats] en Hotel Animo in het gehuurde exploiteert.

Tegen deze achtergrond legt het feit dat [naam] uiteindelijk geen bestuurder van Animo B.V. is geworden, onvoldoende gewicht in de schaal om de conclusie te rechtvaardigen dat Animo B.V. niet de vennootschap is die partijen bij het aangaan van de huur- en huurkoopovereenkomst op het oog hadden. Dat [naam] € 30.000 in Animo B.V. zou investeren, hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat [eisers] onweersproken hebben gesteld dat zij het achterwege blijven van deze investering hebben opgevangen door dit bedrag zelf in Animo B.V. te investeren, geldt dat de voorzieningenrechter (het ontbreken van) dit kapitaal, tegen de achtergrond van de huur- en huurkoopovereenkomst, waarbij is overeengekomen dat de huurprijs in het eerste jaar € 48.000 en in het tweede jaar € 60.000 zal bedragen en dat de koopprijs van de inventaris € 35.000 exclusief btw bedraagt, te betalen in 60 termijnen van € 583,33, niet van zodanig gewicht dat op basis hiervan kan worden gezegd dat Animo B.V. niet de vennootschap is die partijen bij het aangaan van de overeenkomsten op het oog hadden.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Castillo nog aan de orde gesteld dat het aanvankelijk de bedoeling was dat naast de heer Naus en [naam] ook een heer Van Kan zou toetreden tot de vennootschap, maar dat laatstgenoemde zich heeft teruggetrokken en dat mevrouw Naus in zijn plaats is toegetreden, maar hieraan gaat de voorzieningenrechter voorbij nu bij het aangaan van de huur- en de huurkoopovereenkomst deze wisseling ook voor Castillo duidelijk, en kennelijk aanvaardbaar, was. Dat dit akkoord slechts is gegeven onder het voorbehoud dat [naam] wél (daadwerkelijk) zou toetreden tot de vennootschap of op zijn minst de investering van € 30.000 zou doen, is niet gesteld of gebleken. Aldus concludeert de voorzieningenrechter dat Animo B.V. de vennootschap is die partijen bij het sluiten van de huur- en huurkoopovereenkomst op het oog hadden.

4.2.5.3. De vraag of [eisers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de huur- en de huurkoopovereenkomst door Animo B.V. zijn bekrachtigd, beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend, nu als niet weersproken vaststaat dat de huurpenningen, voor zover deze zijn betaald, steeds door Animo B.V. en vanaf de bankrekening van Animo B.V. aan Castillo zijn voldaan. Animo B.V. heeft daarmee uitvoering gegeven aan de huurovereenkomsten en de rechtshandeling van Animo B.V. i.o. stilzwijgend bekrachtigd. Nu de betalingen aan Castillo zijn gedaan, heeft de bekrachtiging Castillo bereikt.

Geen van partijen is ingegaan op de vraag of de huurkoopovereenkomst door Animo B.V. is bekrachtigd. Voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk of de krachtens de huurkoopovereenkomst verschuldigde betalingen zijn verricht, en zo ja, door wie deze zijn verricht. De voorzieningenrechter gaat er echter, gelet op de samenhang tussen de huurovereenkomst en de huurkoopovereenkomst, voorshands, bij gebrek aan aanwijzingen die op het tegendeel duiden, van uit dat de huurkoopovereenkomst eveneens door Animo B.V. is bekrachtigd.

4.2.5.4. Dit alles betekent in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat [eisers] op de voet van artikel 2:203 lid 1 en 2 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de uit de huur- en de huurkoopovereenkomst voortvloeiende verbintenissen jegens Castillo.

4.2.5.5. Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter toekomt aan de vraag of zij als vertegenwoordiger van de (bij het aangaan van de huur- en huurkoopovereenkomst nog op te richten) vennootschap, op de voet van artikel 2:203 lid 3 BW aansprakelijk zijn voor de schade die Castillo lijdt doordat Animo B.V. haar verplichtingen uit de bekrachtigde rechtshandeling niet nakomt. Een dergelijke aansprakelijkheid bestaat op het moment dat moet worden aangenomen dat [eisers] wisten of redelijkerwijs konden weten dat dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen.

Zij hebben in dit verband onweersproken gesteld dat Castillo ermee bekend was dat de exploitatie van het pannenkoekenrestaurant en hotel door Animo B.V., vanwege een aantal redenen, er een van de langere adem zou zijn en dat Castillo ook ermee bekend was dat de huurpenningen en de huurkooppenningen moesten worden voldaan uit de opbrengst van de exploitatie van het restaurant en het hotel, alsmede dat Castillo wist dat er sprake was van achterstallig onderhoud in het pand en dat zij, als verhuurder, (ook) flink moest investeren in het pand, wat zij niet heeft gedaan. Op basis van deze omstandigheden stelt Castillo zich nu op het standpunt dat [eisers] wisten of redelijkerwijs moesten weten dat Animo B.V. haar verplichtingen niet kon nakomen. Hierin volgt de voorzieningenrechter haar niet. Op basis van deze omstandigheden kan worden gezegd dat ten tijde van het aangaan van overeenkomsten nog niet duidelijk was of de exploitatie van het pannenkoekenrestaurant en hotel succesvol zou zijn en daarmee ook of de huurpenningen normaal zouden worden voldaan. Die onduidelijkheid is echter tot op zekere hoogte inherent aan het ondernemerschap en onvoldoende om zonder meer aannemelijk te achten dat [eisers] wisten of redelijkerwijs konden weten dat Animo B.V. niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

Overigens geldt dat als het standpunt van Castillo zou worden gevolgd, Castillo zelf, nu zij ook bovenbedoelde omstandigheden kende, óók zou hebben geweten of redelijkerwijs zou moeten hebben geweten dat Animo B.V. haar verplichtingen uit hoofde van de huur- en huurkopovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Niet valt in te zien waarom Castillo beide overeenkomsten dan toch zou zijn aangegaan.

Andere argumenten op grond waarvan wel kan worden aangenomen dat [eisers] wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat Animo B.V. haar verplichtingen jegens Castillo niet zou kunnen nakomen, zijn niet aangedragen. Bij deze stand van zaken kan, in ieder geval in dit kort geding, niet worden geconcludeerd dat [eisers] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade die Castillo lijdt doordat Animo B.V. de krachtens de huur- en huurkoopovereenkomst op haar rustende verplichtingen niet nakomt.

4.2.5.6. Op grond van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter, met inachtneming van de beperkingen van deze procedure in kort geding, dat [eisers] erin zijn geslaagd aannemelijk te maken dat de door de Castillo gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.2.5.7. Dit laat, zoals hiervoor onder 4.2.2. al is overwogen, onverlet dat de vraag of de gelegde beslagen dienen te worden opgeheven, niet kan worden beantwoord zonder een afweging van de wederzijdse belangen daarbij.

Die belangenafweging valt wat betreft het onder Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. gelegde beslag uit in het voordeel van [eisers] . Zij hebben gesteld dat zij volledig afhankelijk zijn van door Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. aan hen verschuldigde huurpenningen om aan hun andere financiële verplichtingen, onder andere jegens de Rabobank in verband met de financiering van het pand aan het [adres 2] en jegens een andere financier, te kunnen blijven voldoen. Zij hebben hierbij toegelicht dat deze financier heeft aangezegd dat hij de financiering zal opzeggen als zij niet stipt aan hun verplichtingen ter zake voldoen. In dit geval is de kans op een faillissement reëel, aldus [eisers] .

Castillo heeft dat niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. Zij stelt weliswaar terecht dat niet inzichtelijk is gemaakt wat de omvang is van deze verplichtingen en dat niet duidelijk is wat onder het beslag kleeft, maar dat laat onverlet dat zij niet bestreden heeft dat [eisers] niet over andere financiële middelen beschikken om aan deze verplichtingen te voldoen en dat de geschetste kans op een faillissement van hen reëel is als zij die verplichtingen niet nakomen. Om die reden prevaleert hun belang bij opheffing van het beslag boven het belang van Castillo bij handhaving daarvan. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat, in ieder geval in deze procedure, niet zonneklaar is dat Castillo de door haar gestelde vordering heeft. Dat voorshands niet valt uit te sluiten dat dit in een bodemprocedure wel komt vast te staan maakt dit, gelet op het zwaarwegende belang van [eisers] bij opheffing, niet anders.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot opheffing van het onder Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. gelegde beslag zal worden toegewezen.

4.2.5.7. De belangenafweging valt anders uit als het gaat om het op de onroerende zaak aan het [adres 2] gelegde beslag. [eisers] hebben niet gesteld welk belang zij hebben bij opheffing van dit beslag, terwijl Castillo er onmiskenbaar belang bij heeft om in het geval in de bodemprocedure zou worden beslist dat zij wél een vordering heeft op [eisers] , over een verhaalsmogelijkheid te beschikken. Castillo heeft bovendien voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar verhaalsmogelijkheden, onder andere vanwege de omstandigheid dat [eisers] een schuld van ca. € 300.000 aan de al eerder genoemde financier heeft, beperkt zijn.

Hierop gelet en in aanmerking nemende dat ook voor een vooralsnog onbewezen vordering conservatoir beslag kan worden gelegd2 en het conservatoir beslag ertoe strekt dat wordt voorkomen dat de vordering alsdan niet kan worden verhaald, zal de vordering tot opheffing van het beslag op de onroerende zaak aan het [adres 2] worden afgewezen.

4.2.6.

Dwangsom

4.2.6.1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te beperken tot € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat Castillo niet binnen drie dagen na betekening aan de veroordeling tot opheffing van het onder het Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. gelegde beslag voldoet, met een maximum van € 100.000,00.

4.3.

Proceskosten

4.3.1.

Aangezien beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De over en weer gevorderde proceskostenveroordelingen zullen daarom worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Castillo tot opheffing van het ten laste van de eisers onder Pannenkoekenparadijs Cauberg B.V. gelegde beslag, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis,

5.2.

veroordeelt Castillo tot betaling van een dwangsom aan de eisers van € 1000,- per dag voor iedere dag dat zij nalaat aan de hiervoor genoemde veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,-,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2017.3

1 Hoge Raad, 14 juni 1996, NJ 1997/481

2 Hoge Raad, 25 november 2005, NJ 2006/148

3 type: NL