Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7158

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
6030805 AZ VERZ 17-74
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst tussen zorgverlener (werknemer) en pgb-zorgvrager (werkgever). Conflict op 23 februari 2017. Schriftelijke opzegging door bewindvoerder van werkgever op 31 maart 2017 tegen 1 april 2017.

De werknemer verzoekt veroordeling (bewindvoerder) van de werkgever tot (na)betaling van loon, gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en wettelijke rente. De bewindvoerder doet in zijn verweer een beroep op de bijzondere aard van de arbeidsverhouding tussen partijen en op betalingsonmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1073

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6030805 AZ VERZ 17-74

Beschikking van 21 juli 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. M.J. Jacobs-Hellebrekers

tegen

[verweerder] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de goederen die (zullen) toebehoren aan

[onderbewindgestelde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. J.A.H.L. Liégois.

Partijen zullen hierna de [verzoekster] en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met 12 bijlagen (ingekomen op 31 mei 2017)

  • -

    het verweerschrift met zes bijlagen

  • -

    de door [verzoekster] nagezonden bijlage 13

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 juli 2017.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] is bij beschikking van 15 februari 2011 door de kantonrechter benoemd tot bewindvoerder van de goederen die (zullen) toebehoren aan zijn zoon [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ).

2.2.

[onderbewindgestelde] is gehandicapt en heeft daarom begeleiding/verzorging nodig.

2.3.

[verzoekster] is op grond van twee elkaar opvolgende zorg-/arbeidsovereenkomsten met de respectieve ingangsdata 1 november 2009 en 12 februari 2016 als begeleider/verzorger in dienst van [onderbewindgestelde] . [verzoekster] was laatstelijk drie dagen per week werkzaam tegen een brutoloon van € 18,00 per uur. Het loon van [verzoekster] werd namens [onderbewindgestelde] door [verweerder] gefinancierd uit het persoonsgebonden budget (“pgb”) van [onderbewindgestelde] . Het pgb wordt betaald door de SVB.

2.4.

Op 23 februari 2017 heeft [verzoekster] aan [verweerder] toestemming gevraagd om op

6 maart 2017 een uur eerder te mogen stoppen met haar werkzaamheden. [verweerder] heeft dit geweigerd. Vervolgens is een discussie tussen partijen ontstaan waarna [verzoekster] is vertrokken terwijl haar werkdag er nog niet op zat en heeft zij op verzoek van [verweerder] de sleutels van het pand waar zij werkte aan hem overhandigd.

2.5.

Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft [verzoekster] aan [verweerder] het volgende medegedeeld:

“Naar aanleiding van de aanvaring van vandaag, wil ik bij deze even aangeven, dat ik bereid ben volgende week Donderdag te komen werken, mocht je dit niet nodig achten, behoor je me gewoon door te betalen tot einde contract. Verder hoor ik van jou of SVB hoe nu verder.”

[verweerder] heeft op dit bericht niet gereageerd.

2.6.

Partijen hebben vervolgens op 7 maart 2017 via WhatsApp contact gehad.

2.7.

[verweerder] heeft op enig moment daarna een wijzigingsformulier naar de SVB gezonden waarop hij heeft vermeld dat de zorgovereenkomst met [verzoekster] is geëindigd per 1 april 2017.

2.8.

Bij brief van 9 maart 2017 heeft de SVB deze wijziging bevestigd. De brief vermeldt verder:

“Uw zorgverlener heeft het wijzigingsformulier niet ondertekend. Is uw zorgverlener het niet eens met de wijziging? Dan bent u zelf verantwoordelijk voor de eventuele gevolgen.”

2.9.

Bij brief van 13 maart 2017 heeft [verzoekster] aan [verweerder] medegedeeld nog steeds bereid te zijn haar werkzaamheden te hervatten en dat [verweerder] gehouden is tot doorbetaling van het loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.

2.10.

Bij brief van 31 maart 2017 heeft [verweerder] het standpunt ingenomen dat de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd per 1 april 2017 en [verzoekster] medegedeeld deze brief voor zover nodig als een opzegging van het dienstverband per die datum te beschouwen.

2.11.

Bij e-mailbericht van 5 april 2017 heeft Humbet aan [verweerder] medegedeeld dat zij aanspraak maakt op een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en betaling van achterstallig loon. [verzoekster] heeft voorts medegedeeld in het kader van een regeling bereid te zijn om geen aanspraak te maken op een billijke vergoeding.

2.12.

Partijen hebben daarna nog enige tijd gecorrespondeerd, maar dit heeft niet geleid tot een minnelijke regeling.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt [onderbewindgestelde] te veroordelen tot betaling van:

- het loon van € 974,00 bruto over de periode vanaf 23 februari 2017 tot 1 april 2017, onder verstrekking van een bruto-nettospecificatie en te vermeerderen met de wettelijke verhoging,

- een gefixeerde schadevergoeding van primair € 1.584,00 en subsidiair van € 792,00 bruto,

- een transitievergoeding van € 1.848,00 bruto,

- een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto,

- de wettelijke rente over alle voornoemde posten vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening,

- de proceskosten.

3.2.

Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] .

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft haar verzoek gericht tegen [onderbewindgestelde] . Omdat de goederen van [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld zijn met benoeming van (onder anderen) [verweerder] als bewindvoerder, had [verzoekster] in haar verzoek formeel [verweerder] als verweerder dienen aan te merken. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende bij de vervulling van zijn taak immers in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW).

Omdat [verzoekster] in het lichaam van het verzoekschrift vermeldt dat [verweerder] de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is en [verweerder] zelf in de procedure verschenen is, zal de kantonrechter het verzoek aldus verstaan dat het is gericht tegen [verweerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de goederen van [onderbewindgestelde] .

4.2.

Partijen zijn het er min of meer over eens wat gebeurd is op 23 februari 2017. Voor de beoordeling van het verzoek is evenwel niet zo relevant wat er op 23 februari 2017 precies gebeurd is. Partijen zijn het er immers over eens dat de arbeidsovereenkomst op die dag niet is geëindigd. De arbeidsovereenkomst is eerst geëindigd op 31 maart 2017 als gevolg van de opzegging bij brief van [verweerder] van diezelfde datum. Hooguit kan er gediscussieerd worden of [verzoekster] zich na 23 februari 2017 (mede in het licht van de gebeurtenissen op die dag) beschikbaar heeft gehouden voor de werkzaamheden.

4.3.

Van een onverwijlde opzegging wegens een dringende reden is geen sprake. De opzegging is immers gegrond op het gegeven dat de zorgovereenkomst per 1 april 2017 is geëindigd. Dit houdt derhalve in dat [verweerder] als wettelijk vertegenwoordiger van [onderbewindgestelde] als formele werkgever de wettelijke opzegtermijn in acht had dienen te nemen.

De opzegtermijn is op grond van art. 7:672 lid 2 aanhef en onder b BW twee maanden. [verzoekster] was immers langer dan vijf jaar (want sedert 1 november 2009) als werkneemster in dienst van [onderbewindgestelde] . Het verweer van [verweerder] dat de opzegtermijn een maand bedraagt omdat de arbeidsovereenkomst is aangevangen op 12 februari 2016 wordt verworpen. Vast staat namelijk dat de beide arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met een tussenpoos van minder dan zes maanden. [verweerder] heeft dienaangaande verder verklaard dat [verzoekster] ononderbroken met ingang van 1 november 2009 haar werkzaamheden verricht heeft. Voor de vaststelling van de duur van de opzegtermijn dient derhalve van 1 november 2009 als ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst uitgegaan te worden (art. 7:668a lid 1 en lid 4 BW). [verweerder] heeft voorts nog een beroep gedaan op de derogerende werking van de redelijkheid en de billijkheid. Hij stelt in dat verband dat er sprake is van een bijzondere situatie omdat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk is gekoppeld aan de zorgovereenkomst en omdat er geen pgb wordt verstrekt ter bekostiging van de door [verzoekster] verzochte vergoedingen. Deze omstandigheden nopen evenwel niet ertoe om de dwingendrechtelijke wetsbepalingen omtrent de door de werkgever aan de werknemer verschuldigde vergoedingen opzij te zetten. Ook in de bijzondere situatie waarbij het aan de werknemer verschuldigde loon wordt gefinancierd uit een pgb is de werkgever verplicht zich te houden aan de ter bescherming van elke werknemer bestaande wettelijke opzegtermijn. [verweerder] (als bewindvoerder) heeft dat niet gedaan zodat hij gehouden is uit het vermogen van [onderbewindgestelde] de gefixeerde schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen.

4.4.

[verzoekster] stelt dat de gefixeerde schadevergoeding € 1.584,00 bedraagt. Zij gaat daarbij uit van een maandloon van € 792,00 (inclusief vakantiebijslag). [verweerder] heeft dit maandloon betwist omdat [verweerder] per gewerkt uur € 18,00 betaald krijgt. Dit verweer moet worden verworpen. [verzoekster] heeft twee loonspecificaties overgelegd waarop voornoemd bruto maandloon staat vermeld. [verweerder] heeft geen andere loonspecificaties overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] een variabel loon ontving. De vergoeding van

€ 1.584,00 bruto zal derhalve worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal conform art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 31 maart 2017.

4.5.

De verzochte transitievergoeding van € 1.848,00 bruto zal eveneens worden toegewezen. Ook hier heeft te gelden dat 1 november 2009 als aanvangsdatum van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] aangemerkt dient te worden omdat de twee arbeidsovereenkomst van 1 november 2009 en 12 februari 2016 elkaar zijn opgevolgd binnen een periode van ten hoogste zes maanden (art. 7:673 lid 4 BW).

Ook op dit onderdeel ziet de kantonrechter in de door [verweerder] gestelde bijzondere aard van de arbeidsverhouding geen aanleiding om in afwijking van een dwingendrechtelijke bepaling (art. 7:673 BW) geen vergoeding toe te wijzen. De wetgever heeft geen algemene uitzonderingspositie gecreëerd voor een arbeidsovereenkomst met een pgb-zorgvrager (zie: Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:2440).

Ook [verweerder] stelling dat hij financieel niet in staat is tot betaling van de vergoeding leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat een werkgever niet in staat is tot betaling van deze vergoeding is geen wettelijke grond voor afwijzing van een verzoek daartoe. Strikt genomen doet de financiële situatie van [verweerder] bovendien niet ter zake aangezien [onderbewindgestelde] de formele werkgever van [verzoekster] is. Dat [onderbewindgestelde] niet in staat is de transitievergoeding te betalen, is gesteld noch gebleken.

[verweerder] heeft verder op dit onderdeel tevergeefs een beroep gedaan op art. 7:673d BW. Voor toepassing van dit artikel is immers onder meer vereist dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd wegens omstandigheden die het gevolg zijn van de slechte financiële situatie van de werkgever. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

4.6.

Op grond van art. 7:686a lid 1 BW zal de wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen vanaf 1 mei 2017 tot de dag van voldoening.

4.7.

[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met art. 7:671 BW. Hieruit volgt dat de kantonrechter een billijke vergoeding aan [verzoekster] kan toekennen op grond van art. 7:681 BW. Anders dan bij de hiervoor beoordeelde vergoedingen is toewijzing van de billijke vergoeding niet dwingendrechtelijk voorgeschreven. De kantonrechter ziet in de door [verweerder] geschetste bijzondere omstandigheden voldoende grond om het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding af te wijzen. Daarbij is ook betrokken dat ter zitting is gebleken dat de financiële gevolgen van de opzegging voor [verzoekster] relatief beperkt zijn gebleven aangezien zij inmiddels twee dagen per week elders werkt en op korte termijn daarnaast bij Meander zal gaan werken.

4.8.

[verzoekster] verzoekt verder betaling van het loon over de periode vanaf 23 februari 2017 tot 1 april 2017. Zij stelt dat het loon over die periode € 974,00 bruto bedraagt. Tegen de hoogte van dat bedrag heeft [verweerder] aangevoerd dat aan [verzoekster] tot en met

23 februari 2017 het loon uitbetaald is. Dit verweer heeft [verweerder] ook gevoerd in de buitengerechtelijke correspondentie. Noch in die fase noch tijdens dit geding heeft [verweerder] zijn verweer dat hij ook het loon van 23 februari 2017 betaald heeft met stukken onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen aangezien het een bevrijdend verweer is. Vast staat derhalve dat [verweerder] over de periode van 23 februari 2017 tot 1 april 2017 het loon niet aan [verzoekster] betaald heeft. Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoekster] wel recht op loon over die periode. [verweerder] stelt echter hij dat hij erop mocht vertrouwen dat [verzoekster] verlof genoot, althans dat zij door haar vertrek op 23 februari 2017 geen continuering van de arbeidsovereenkomst wenste. Dit verweer moet worden verworpen. [verzoekster] heeft immers diezelfde dag nog aan [verweerder] medegedeeld dat zij haar werkzaamheden de daaropvolgende donderdag wilde hervatten. Ook bij brief van 13 maart 2017 heeft zij zich beschikbaar gehouden om de bedongen arbeid te verrichten. Dan valt niet in te zien waarom [verweerder] meende erop te kunnen vertrouwen dat [verzoekster] verlof genoot en/of dat [verzoekster] zelf geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst wenste. Het enkele feit dat zij op 23 februari 2017 is vertrokken - kennelijk naar de wens althans zonder tegenspraak van [verweerder] - is daarvoor volstrekt onvoldoende.

Het brutoloon over de periode vanaf 23 februari 2017 tot 1 april 2017 van

€ 974,00 zal derhalve worden toegewezen. De wettelijke verhoging over dit bedrag zal eveneens worden toegewezen. De wettelijke rente over het loon alsmede de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de respectieve dagen van verzuim tot de dag van voldoening.

4.9.

[verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht: € 78,00

  • -

    salaris gemachtigde € 400,00

Totaal: € 478,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van € 974,00 bruto (met verstrekking van een bruto-/nettospecificatie), te vermeerderen met de wettelijke verhoging, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van € 1.584,00 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2017 tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van € 1.848,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017 tot de dag van voldoening,

5.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 479,00,

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW