Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7152

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
6062360 CV EXPL 17-5013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing van vordering in kort geding tot ontruiming van de gehuurde bedrijfsruimte en tot betaling van de huurachterstand van negentien maanden. Het verweer dat de onderhuurder de huurpenningen aan de verhuurder heeft betaald, is afgewezen.

Niet is komen vast te staan dat die betalingen verricht zijn. Zelfs als die betalingen wel verricht zijn, heeft de huurder onvoldoende onderbouwd waarom hij daardoor is bevrijd van de verplichting tot huurbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6062360 CV EXPL 17-5013

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 21 juli 2017

in de zaak van:

[eiser sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1]

en,

[eiseres sub 2] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

eisende partij,

gemachtigde S.F.M. Moonen

tegen:

[gedaagde] ,

handelend onder de naam “ [handelsnaam] ”,

wonend te [woonplaats 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R. Jacobs.

Partijen zullen hierna [eiser] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 juni 2017 met zes producties

  • -

    de vijf door [gedaagde] ingezonden producties

  • -

    de mondelinge behandeling op achtereenvolgens 26 juni 2017 en 18 juli 2017 waarbij mr. Jacobs een pleitnota heeft overgelegd en [eiser] zijn eis vermeerderd heeft.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt op grond van een met [naam verhuurder] (hierna: [naam verhuurder] ) op 25 september 2000 gesloten huurovereenkomst een bedrijfsruimte (een winkelruimte) aan het adres [adres] te [plaats] . De overeengekomen huurprijs bedraagt laatstelijk

€ 320,00 per maand inclusief voorschotten voor gas, water en licht. Destijds is overeengekomen dat het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als cadeauwinkel.

2.2.

Met ingang van 1 maart 2009 verhuurt [gedaagde] de winkelruimte aan de heer [naam huurder] (hierna: [naam huurder] ) voor een huurbedrag van € 650,00 per maand. [naam huurder] exploiteert aldaar een kapperszaak.

2.3.

Vanaf 24 december 2014 is [eiser] eigenaar van de onroerende zaak aan het adres [adres] te Heerlen en vanaf dat moment is hij de (opvolgend) verhuurder van de winkelruimte.

2.4.

Met ingang van januari 2016 heeft [gedaagde] geen huur meer betaald aan [eiser] , noch aan [naam verhuurder]

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na vermeerdering van eis - [gedaagde] te veroordelen (samengevat):

  1. om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten (inclusief de onderhuurder), met machtiging van [eiser] om de ontruiming zelf en voor rekening van [gedaagde] uit te voeren,

  2. tot betaling van de huurachterstand tot en met juli 2017 van € 6.080,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de eerste dag van de maand waarop de respectieve huurtermijnen betrekking hebben,

  3. tot betaling van de huur van € 320,00 per maand met ingang van de maand augustus 2017,

  4. tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 650,00 voor iedere maand of gedeelte van een maand dat [gedaagde] enerzijds na ontruiming en/of ontbinding in het gehuurde verblijft en de winkelruimte anderzijds (nog) niet verhuurd kan worden vanwege noodzakelijke herstelwerkzaamheden,

  5. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 823,37,

  6. tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] de huur met ingang van januari 2016 niet meer betaalt en dat de huurachterstand blijft oplopen. Hieruit volgt dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

4.2.

[gedaagde] stelt dat [naam huurder] met toestemming/medeweten van [eiser] , althans [naam verhuurder] , als onderhuurder een kapperszaak in het gehuurde exploiteert. Die stelling is verder niet relevant voor het onderhavige geschil aangezien [eiser] uitsluitend de huurachterstand aan zijn vordering ten grondslag legt.

4.3.

Vaststaat dat [gedaagde] de huur met ingang van januari 2016 niet meer heeft betaald aan [eiser] of aan [naam verhuurder] Het verweer van [gedaagde] dat [naam huurder] met ingang van die maand huur aan [eiser] of [naam verhuurder] heeft betaald, moet worden verworpen. De juistheid van dit verweer wordt namelijk betwist door [eiser] en [gedaagde] heeft niet aannemelijk weten te maken dat [naam huurder] daadwerkelijk aan [naam verhuurder] heeft betaald. Een nadere toelichting waarom betalingen door [naam huurder] aan [naam verhuurder] [gedaagde] kunnen bevrijden van zijn verplichting tot betaling van de huur aan [eiser] , heeft [gedaagde] overigens niet (voldoende) gegeven. Nergens uit blijkt dat, voor zover van enige betaling sprake is, die betaling namens of ten behoeve van [gedaagde] is gedaan. Een opschortingsrecht jegens [eiser] kan [gedaagde] dus niet aan de beweerde betalingen ontlenen. De door [eiser] gevorderde achterstallige huur van € 6.080,00 over de periode januari 2016 tot en met juli 2017 zal derhalve worden toegewezen.

4.4.

Ook de wettelijke rente (als bedoeld in art. 6:119 BW) zal worden toegewezen, telkens vanaf de eerste dag van de maand waarop de respectieve huurtermijnen die onderdeel van dit bedrag uitmaken betrekking hebben, tot de dag van voldoening. De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag zal worden afgewezen. De huurovereenkomst is immers gesloten vóór 1 december 2002, de datum van inwerkingtreding van art. 6:119a BW.

4.5.

De huurachterstand van 19 maanden zal in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] . Daarop vooruitlopend is de door [eiser] gevorderde ontruiming van het gehuurde door [gedaagde] toewijsbaar. [gedaagde] dient daarbij zorg te dragen dat ook de onderhuurder [naam huurder] het gehuurde ontruimd. Voor de ontruiming zal de gebruikelijke termijn van veertien dagen worden gegeven.

4.6.

De door [eiser] gevorderde machtiging zal worden afgewezen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (art. 555 e.v. Rv in verbinding met art. 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat [eiser] bij toewijzing van een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.7.

[gedaagde] zal verder worden veroordeeld tot betaling van de huur van € 320,00 per maand met ingang van augustus 2017 tot de dag van ontruiming.

4.8.

De door [eiser] gevorderde gebruiksvergoeding voor de periode na de ontruiming en/of de ontbinding van de huurovereenkomst zal afgewezen worden. Die post is te voorbarig om thans beoordeeld te kunnen worden.

4.9.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft op dit punt namelijk niet voldaan aan de stelplicht aangezien hij niets ter onderbouwing van deze post heeft aangevoerd.

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 103,67

  • -

    griffierecht € 223,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

Totaal: € 926,67.

4.11.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan het adres [adres] te [plaats] te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder wie de onderhuurder [naam huurder] , en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 6.080,00, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand waarop de huurtermijnen die onderdeel van deze hoofdsom uitmaken betrekking hebben, tot de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 320,00 huur per maand met ingang van augustus 2017 tot de dag van ontruiming, telkens uiterlijk te voldoen vóór de eerste dag van de maand waarop de huurbetaling betrekking heeft,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 926,67,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 salaris gemachtigde en, indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW