Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7077

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
C/03/232291 / FA RK 17-700
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door stijging van zijn inkomen is de man in staat een hogere kinderbijdrage te voldoen. De man heeft twijfels of de hogere kinderbijdrage wel ten goede komt van de kinderen aangezien de vrouw veel (huwelijkse) schulden heeft en zij weigert inzage te geven in de wijze waarop zij op de schulden aflost. De rechtbank bepaalt dat de man het meerdere aan kinderbijdrage dient over te maken op een gezamenlijke bankrekening, zodat de vrouw de beschikking heeft over het geld voor de kinderen, terwijl de man inzage heeft in de wijze waarop zij het geld voor de kinderen uitgeeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/129
FJR 2018/13.14
PFR-Updates.nl 2017-0222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/232291 / FA RK 17-700

Beschikking van 20 juli 2017 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ( [land vrouw] ), [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.J. Rubberg;

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. S.G.L. Bremen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 14 februari 2017;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 20 april 2017;

- het F9-formuler van mr. Rubberg van 9 juni 2017 met bijlagen;

- het F9-formulier van mr. Bremen van 14 juni 2017, met een bijlage;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017 en waarbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Rubberg;

- de man, bijgestaan door mr. Bremen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

De rechtbank Maastricht heeft op 30 december 2009 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 25 juni 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarigen:

  1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats minderjarige 1] op [geboortedag minderjarige 1] 2003;

  2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats minderjarige 2] op [geboortedag minderjarige 2] 2006.

2.4.

Bij voornoemde uitspraak heeft de rechtbank aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, verder te noemen de kinderbijdrage, opgelegd van € 250,= per maand per kind.

Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage nu € 279,64 per maand per kind.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de kinderbijdrage zal wijzigen en met ingang van 21 november 2016 zal bepalen op € 747,50 per maand per kind, althans een hoger bedrag dan € 279,64 per kind per maand.

3.2.

De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en voert daartoe het volgende aan.

De man is sinds de echtscheiding veel meer gaan verdienen. Het netto gezinsinkomen bedroeg in 2009 ongeveer € 2.250,= per maand, terwijl de man inmiddels een netto besteedbaar inkomen heeft van € 6.250,= per maand.

De vrouw heeft een WIA-uitkering van € 783,33 per maand.

De vrouw is van mening dat Nederlands recht van toepassing is op het alimentatieverzoek en verwijst daarvoor naar artikel 4 lid 3 van het Protocol inzake het recht van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.

De vrouw voert ter zitting aan dat in 2009 een onderhoudsbijdrage van € 250,= per maand tussen partijen is overeengekomen.

De vrouw vindt het ongeloofwaardig dat de man thans in loondienst zou zijn als verkoper, terwijl bij de omschrijving van de werkzaamheden in zijn onderneming staat dat het een markt- en opiniebureau betreft. Volgens de vrouw houdt de man informatie achter. Zij kan niet geloven dat de man geen activiteiten meer binnen zijn onderneming verricht. Dit blijkt ook uit een whatsapp bericht waarin de man, op de vraag van de vrouw of hij de tandartsrekening van de kinderen wenst in verband met de BTW-aftrek, antwoordt dat hij wel een kopie van de rekening wil ontvangen. De vrouw vraagt zich ook af waarom de man een Duits kenteken rijdt. Misschien werkt de man wel voor een ander Duits bedrijf.

De vrouw heeft weinig vertrouwen in de man en zij gelooft niet dat de man opeens op 1 januari 2017 in loondienst is getreden.

Ten aanzien van de huwelijkse schulden voert de vrouw aan dat deze losstaan van de kinderalimentatie. De financiële positie van de vrouw is goed, de kinderen krijgen alles wat ze nodig hebben. De man heeft er bovendien niets mee te maken of de vrouw haar schulden afbetaalt. De vrouw weet niet precies welk bedrag er nog openstaat. Het grootste deel van de schuld betreft een schuld aan de belastingdienst. Hiervoor is een betalingsregeling getroffen.

De vrouw erkent dat de man naast de kinderalimentatie steeds extra lasten voor de kinderen heeft voldaan. De vrouw wil er echter niet meer steeds om hoeven te vragen. Zij vraagt zich af wat de wettelijke grondslag voor het verzoek van de man is om de alimentatie in natura te voldoen. Het merendeel van de kosten voor de kinderen zijn de dagelijkse kosten. De extra kosten voor de kinderen voor school, sport en hobby’s bedragen in totaal maar een bedrag van ongeveer € 20,= per kind per maand.

4 Het verweer

4.1.

De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan, subsidiair te bepalen dat de man de verhoogde bijdrage in natura aan de vrouw dient te voldoen door betaling van de noodzakelijke kosten van de kinderen, en voert daartoe het volgende aan.

De man is van mening dat conform artikel 10:116 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het toepasselijk recht wordt bepaald door het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.

Artikel 3 van het Protocol bepaalt dat het recht van de gewone verblijfplaats van de vrouw (lees: de kinderen) van toepassing is, oftewel Duits recht.

De man is van mening dat hij, voor zover hij al gehouden is een verhoging te betalen, deze in natura aan de kinderen dient te voldoen. De vrouw en haar partner verkeren in een financieel moeilijke positie en het is de vraag of een hogere kinderbijdrage ook terecht komt bij de kinderen, of gebruikt wordt om de schuldenpositie van de vrouw op te lossen.

Ter zitting voert de man aan dat zijn huidige inkomen het inkomen van partijen in 2009 tezamen overschrijdt. De man is in 2011 een eigen onderneming gestart. Omdat hij de afgelopen jaren slechts één opdrachtgever heeft gehad, is hij in overleg met deze opdrachtgever, uiteindelijk vanaf januari 2017 bij deze opdrachtgever in loondienst getreden. De man ontvangt een vast salaris van € 3.000,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt de man provisie, waarvan het voorschot, gelet op het gemiddelde over de afgelopen jaren, is gesteld op € 4.500,= bruto per maand. Netto krijgt de man uitbetaald een bedrag van € 4.500,= per maand. Daarin zit nog een bedrag aan kilometer- en telefoonvergoeding van in totaal € 350,= per maand, zodat voor het berekenen van de behoefte en draagkracht uitgegaan dient te worden van € 4.250,= per maand.

De man verricht geen werkzaamheden meer in zijn onderneming omdat hij een fulltime contract heeft en hij dit ook niet van zijn werkgever mag. Vanwege een hartaanval in 2016 is het de keuze van de man geweest om minder te gaan werken en om meer zekerheden te hebben.

De man heeft zijn onderneming in 2009 gevestigd in Duitsland en sindsdien rijdt hij een auto met een Duits kenteken.

De man heeft steeds extra kosten voor de kinderen voldaan. De vrouw kan hem altijd voor alles betreffende de kinderen benaderen. De man werd dan ook overvallen door het verzoek van de vrouw om de alimentatie met € 500,= per kind per maand te verhogen.

Voor de man is het van belang om te weten hoever de vrouw de huwelijkse schuld al heeft afgelost. De man is al tot 2020 bij met het betalen van zijn aandeel van de aflossing. De man wil voor de kinderen blijven betalen maar hij is bang dat een hogere kinderalimentatie gebruikt wordt voor het aflossen van schulden en derhalve niet ten goede komt aan de kinderen.

5 De beoordeling

5.1.

Rechtsmacht en toepasselijk recht.

Aangezien het inleidende verzoekschrift is ingediend na de inwerkingtreding van de verordening (EG) nr. 4/2009 (Alimentatie-verordening), zal de rechtbank aan de hand van de bepalingen van deze verordening moeten beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek aangaande de onderhoudsverplichting kennis te nemen.

De rechtbank is als het gerecht van de plaats waar de man zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd om van het verzoek kennis te nemen (artikel 3, aanhef en sub a van de Alimentatie-verordening).

Artikel 10:16 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het recht dat toepasselijk is op verplichtingen tot levensonderhoud in casu wordt bepaald door het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.

Artikel 3 van het Protocol betreft de algemene regel inzake toepasselijk recht en bepaalt dat, tenzij dit Protocol anders bepaalt, onderhoudsverplichtingen worden beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft.

Lid 2 bepaalt, in geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, dat het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing is vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt.

In artikel 4 worden bijzondere regels gesteld die bepaalde onderhoudsgerechtigden begunstigen.

Lid 3 bepaalt, in afwijking van artikel 3, dat indien de onderhoudsgerechtigde de zaak aanhangig maakt bij de bevoegde autoriteit van de Staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft, het recht van het forum van toepassing is. Indien de onderhoudsgerechtigde op grond van dit recht echter geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige kan verkrijgen, is het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing.

Nu de vrouw het verzoek aanhangig heeft gemaakt in de staat waar de man zijn gewone verblijfplaats heeft, en zij op grond van dat recht levensonderhoud kan verkrijgen, is naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht van toepassing op het verzoek.

5.2.

De grondslag van het verzoek

Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, eerste volzin, BW kan – voor zover hier van belang - een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het inkomen van de man gestegen is en dat dit een relevante wijziging van omstandigheden met zich meebrengt.

5.3.

De behoefte

De rechtbank is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat zijn netto inkomen € 4.250,= netto per maand is, te vermeerderen met 5% vakantietoeslag. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw waarbij zij de geloofwaardigheid van de wijze waarop de man zijn werkzaamheden inricht in twijfel trekt. De vrouw heeft deze stellingen niet onderbouwd, terwijl uit de loonstroken van de man blijkt dat hij voor 40 uur per week in loondienst is bij zijn werkgever. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat de man daarnaast nog werkzaamheden in zijn onderneming zou verrichten. Dit kan niet worden afgeleid uit het feit dat de man aan de hand van een factuur de tandartsrekening voor de kinderen heeft voldaan of uit het feit dat de man sinds hij zijn onderneming in Duitsland is gestart een auto met Duits kenteken rijdt. Uit artikel 9 van het arbeidscontract van de man blijkt ook dat de man geen nevenactiviteiten mag verrichten, behoudens met uitdrukkelijke toestemming van zijn werkgever.

Nu de man een Duits salaris ontvangt gaat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de kinderen uit van het voor hem gestelde netto salaris, vermeerderd met 5% vakantietoeslag, zonder rekening te houden met eventuele fiscale aspecten.

De rechtbank becijfert de behoefte van de kinderen uitgaande van een netto inkomen van

€ 4.462,50 per maand en 2 kinderbijslagpunten op € 1.030,= per maand, zijnde € 515,= per kind per maand.

5.4.

De draagkracht

De rechtbank becijfert de draagkracht van de man op € 1.553,= per maand, uitgaande van zijn netto inkomen van € 4.462,50 per maand.

De vrouw is, gelet op haar WIA-uitkering van € 783,33 niet in staat om bij te dragen in de kosten van de kinderen.

De rechtbank is van oordeel dat de man recht heeft op een zorgkorting van 15%, aangezien de man eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag omgang met de kinderen heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, ook niet nu de man een hoog en de vrouw een laag inkomen heeft. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van

€ 77,25 per kind per maand. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt derhalve € 437,75 per kind per maand.

Een onderhoudsbijdrage dient in principe rechtstreeks uitbetaald te worden aan de ouder die de kinderen verzorgt en opvoedt. De man heeft grote zorgen over de wijze waarop de kinderalimentatie zal worden besteed en de vrouw heeft nagelaten deze zorg weg te nemen door aan te tonen dat zij daadwerkelijk op de huwelijkse schuld aflost en wat de huidige stand van de schulden is. Uit het feit dat de man, op verzoek van de vrouw, zijn aandeel in de aflossing van de huwelijkse schuld reeds tot 2020 heeft voldaan, zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw financiële problemen heeft, te meer nu zij heeft nagelaten aan te tonen dat dit niet het geval is. De rechtbank vindt derhalve de zorg van de man terecht dat het de vraag is of de hogere kinderbijdrage ook daadwerkelijk wordt besteed aan de kinderen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het deel dat de man meer moet gaan betalen, op een aparte (kinder)betaalrekening dient te worden gestort, waar beide partijen toegang toe hebben. Zo heeft de man inzage in de wijze waarop de vrouw de kinderalimentatie besteedt en hoeft de vrouw de man niet steeds te vragen om een extra bijdrage voor de kinderen als zij meer kosten heeft.

5.5.

De ingangsdatum

De rechtbank is van oordeel dat de man de hogere kinderbijdrage dient te voldoen met ingang van datum van deze beschikking, nu door de man onbetwist is gesteld dat hij tot op heden steeds alle extra kosten voor de kinderen heeft voldaan.

5.6.

De proceskosten

5.6.1.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 30 december 2009, waarbij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding werd opgelegd ten behoeve van de minderjarigen:

  1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats minderjarige 1] op [geboortedag minderjarige 1] 2003;

  2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats minderjarige 2] op [geboortedag minderjarige 2] 2006;

in die zin dat de man met ingang van 20 juli 2017 aan de vrouw heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 437,75 per maand per kind, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarvan een bedrag van

€ 158,= per kind per maand dient te worden overgemaakt op een en/of rekening op naam van beide partijen;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

6.3.

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 20 juli 2017 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.D. Bücker, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.