Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:7076

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
C/03/231492 / FA RK 17-449
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijzigingsverzoek partneralimentatie. De man wordt niet toegelaten tot het aanvoeren van bewijs dat de vrouw een relatie zou hebben als waren zij gehuwd. De man heeft genoegzaam aangetoond dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft, nu de vrouw tijdens het huwelijk gewerkt heeft en er bewust voor heeft gekozen om na het uiteen gaan van partijen te stoppen met werken om zo haar bijstandsuitkering veilig te stellen. Nu de vrouw in staat is om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien wordt de bijdrage met ingang van datum beschikking op nihil bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/231492 / FA RK 17-449

Beschikking van 20 juli 2017 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.C.J. van Pol;

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. T.M.L. de la Haije.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 31 januari 2017;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, binnengekomen bij de rechtbank op 28 maart 2017;

- het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op 25 april 2017;

- de vermeerdering van de verzoeken en gronden door de man, binnengekomen bij de rechtbank op 2 juni 2017;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017 en waarbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Pol;

- de man, bijgestaan door mr. De la Haije.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

Deze rechtbank heeft op 21 oktober 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 9 februari 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij uitspraak van 25 juli 2016 heeft deze rechtbank aan de man een kinderbijdrage opgelegd van € 250,= per maand en een uitkering tot levensonderhoud, verder te noemen partnerbijdrage, opgelegd van € 30,= per maand, zulks met ingang van datum inschrijving echtscheidingsbeschikking.

Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die kinderbijdrage nu € 255,25 per maand en de partneralimentatie € 30,63 per maand..

3 Het verzoek van de vrouw

3.1.

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank de partnerbijdrage zal wijzigen en met ingang van 9 februari 2017 zal bepalen op € 350,= per maand.

3.2.

De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en voert daartoe het volgende aan.

Bij de beschikking van 25 juli 2016 heeft de rechtbank voor de duur van één jaar rekening gehouden met advocaatkosten ad € 114,= per maand. De vrouw heeft de man verzocht om met ingang van 9 februari 2017 de bijdrage aan te passen, nu de advocaatkosten niet langer in mindering strekken op zijn draagkracht. De man heeft afwijzend op het verzoek gereageerd.

4 Het verweer en de verzoeken van de man

4.1.

De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan.

Bij zelfstandig verzoek heeft de man primair verzocht de beschikking van 25 juli 2016 te vernietigen – de rechtbank begrijpt: wijzigen- en te bepalen dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw is geëindigd op 9 februari 2016, en dat de vrouw de reeds ontvangen alimentatie moet terugbetalen aan de man.

Subsidiair verzoekt de man de alimentatieduur te limiteren inhoudende dat de man slechts gehouden is tot betaling van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw tot 9 februari 2021.

Voorts verzoekt de man de vrouw te veroordelen in de proceskosten, inclusief salaris van de advocaat.

De man stelt primair dat de vrouw een affectieve relatie heeft met [X] vanaf 2014, zoals blijkt uit de Facebookpagina van de vrouw. Uit verklaringen van de vrouw zou ook blijken dat zij samenwoont met haar partner, dat ze samen boodschappen doen en dat er sprake is van een lotsverbondenheid, zodat daarmee vaststaat dat de vrouw samenwoont als waren zij gehuwd. Daarmee is de alimentatieplicht van de man per 9 februari 2016 komen te vervallen. Voor de man is het moeilijk te bewijzen, nu de vrouw gealarmeerd is, waardoor hij in bewijsnood komt. Uit het door de man aangevoerde kan echter afgeleid worden dat de relatie van de vrouw en de heer [X] kenmerken draagt van een huwelijk als bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit vormt naar de mening van de man aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast aldus te verdelen dat de vrouw dient te bewijzen dat er over en weer geen financiële verwevenheid bestaat tussen haar en haar partner. De man beroept zich voor het leerstuk van de voorshandse aannemelijkheid op een drietal uitspraken van het Hof.

Voor zover geoordeeld wordt dat er geen sprake is van een artikel 1:160 BW situatie, zal de relatie met de heer [X] wel behoefte verlagend werken, aangezien de heer [X] de vrouw financieel ondersteunt.

De man doet een bewijsaanbod.

Subsidiair is de man van mening dat de vrouw geen behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw heeft in ieder geval vijf adressen waar zij huishoudelijke werkzaamheden verricht. Van de vrouw mag ook verwacht worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet nu zij 45 jaar oud is en niet de zorg voor minderjarige kinderen heeft. Nu de vrouw haar (aanvullende) behoefte niet heeft gesteld of onderbouwd, kan zij geacht worden volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Voor zover de vrouw dit nog zal doen, is de man van mening dat de alimentatieduur gelimiteerd dient te worden, nu zij een partner heeft die kosten voor de vrouw draagt, de vrouw eigen inkomsten heeft en een verdiencapaciteit heeft.

De man verzoekt terugbetaling van de reeds door hem betaalde alimentatietermijnen, omdat de vrouw samenwoont dan wel geen behoefte heeft.

De man heeft geen draagkracht om naast de kinderbijdrage een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

Aangezien de vrouw de man op kosten jaagt door deze procedure te starten, terwijl zij ten onrechte partneralimentatie ontvangt, is het redelijk om de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

De man heeft zijn verzoeken en gronden vermeerderd en verzocht te bepalen dat de vrouw, nu er door de gemeente een onderzoek is ingesteld naar het verwerven van inkomen door de vrouw naast haar bijstandsuitkering, dient toe te lichten waarnaar er onderzoek is gedaan, wie betrokken is als informant, wat de stand van het onderzoek is en welke besluiten de Sociale Dienst genomen heeft. Dit is van belang voor het beoordelen van de behoefte en behoeftigheid van de vrouw.

Uit het feit dat er een onderzoek naar de vrouw is gestart, leidt de man af dat de vrouw niet naar waarheid verklaart en de onderhavige procedure onder valse voorstelling van zaken is begonnen. De man is van mening dat de vrouw dermate grievend gedrag jegens de man vertoont dat de lotsverbondenheid inmiddels is verbroken. Dit ook mede gelet op het feit dat de vrouw al samenwoonde voor de ontbinding van het huwelijk.

Gelet op vorenstaande is de man van mening dat, voor zover er alimentatie betaald moet worden, deze gelimiteerd dient te worden tot 9 februari 2018. Aangezien de vrouw in staat is inkomen te verwerven, kan in alle redelijkheid verwacht worden dat zij uiterlijk 9 februari 2018 in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Ter zitting heeft de man nog aangevoerd dat door al hetgeen gebeurd is, de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken.

De man betwist dat de vrouw uit de echtelijke woning is moeten vertrekken. Zij had via een voorlopige voorzieningenprocedure kunnen verzoeken om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. In plaats daarvan is de vrouw ingetrokken bij haar partner. Het is voor de man niet geloofwaardig dat de relatie tussen de vrouw en de heer [X] , na acht maanden te hebben samengewoond als waren zij gehuwd, opeens is veranderd doordat de vrouw op zichzelf is gaan wonen.

De vrouw heeft tijdens het huwelijk altijd gewerkt en dat kan zij nu ook weer gaan doen. De vrouw heeft weinig tot niets ondernomen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien en nagelaten om aan te tonen dat zij daar psychisch niet toe in staat zou zijn.

5 Het verweer van de vrouw

De vrouw heeft het volgende aangevoerd:

Het door de man aangevoerde samenlevingsverweer is reeds uitvoerig aan de orde gekomen in de echtscheidingsprocedure. De man heeft toen, uit proceseconomische overwegingen, afgezien van het bewijsaanbod en ingestemd met een partneralimentatie van € 30,= per maand. De man heeft er vervolgens voor gekozen om niet in beroep te gaan tegen de beschikking. De man tracht thans met dezelfde bewijsmiddelen de bewijslast om te keren. Het is aan de man om aan te tonen dat de vrouw zou samenwonen als waren zij gehuwd.

De vrouw betwist dat zij zwarte inkomsten heeft of zou samenwonen als waren zij gehuwd. De vrouw heeft tijdelijk bij de heer [X] gewoond omdat zij van de man uit de echtelijke woning moest. De vrouw heeft uiteindelijk een eigen woonruimte gevonden.

Van behoefteverlaging is geen sprake. Het is onjuist dat de heer [X] boodschappen voor de vrouw zou doen of haar op een andere wijze financieel ondersteunt.

De vrouw heeft een bijstandsuitkering en zij is niet in staat om in haar behoefte te voorzien. Partijen hadden een traditioneel huwelijk waarbij de man kostwinnaar was en de vrouw geen eigen inkomen had. De vrouw is afkomstig uit Polen en heeft geen relevante werkervaring. Middels tussenkomst en begeleiding van de gemeente wordt de vrouw geholpen een betaalde baan te vinden.

De vrouw is van mening dat de onderbouwing van het verzoek van de man tot limitering niet voldoet aan de gestelde eisen en afgewezen moet worden.

De door de man verzochte terugbetaling heeft naar de mening van de vrouw alle schijn van een verkapt hoger beroep.

Het verzoek tot proceskostenveroordeling dient te worden afgewezen. De vrouw heeft de man voorafgaand aan deze procedure de kans geboden om het alimentatiebedrag te wijzigen.

Ter zitting voert de vrouw aan dat zij tijdens het huwelijk heeft gewerkt op 5 adressen. Zij werkte 2,5 tot 3 uur per adres en verdiende € 8,= per uur. De vrouw is gestopt met werken in verband met de consequenties voor haar bijstandsuitkering. Dit is ook de reden waarom zij de heer [X] niet dagelijks ziet. De vrouw kon het psychisch niet meer aan om te werken. Bij de vrouw is een Post Traumatisch Stress Syndroom geconstateerd na het huwelijk met de man. De gemeente is pas recent gestart met een re-integratie traject voor de vrouw. In 2015 heeft de gemeente de vrouw al een keer een baan aangeboden maar die heeft zij niet geaccepteerd. Sinds twee weken is de vrouw weer aan het solliciteren.

Het klopt dat de gemeente een onderzoek naar de vrouw is gestart, doch dit onderzoek is nog niet volledig afgerond.

De verwachting is dat de vrouw zal gaan samenwonen op het moment dat de zoon van partijen op zichzelf gaat wonen. Verder is het ook de bedoeling dat de vrouw gaat werken, maar zij zal nooit in staat zijn om volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

5 De beoordeling

5.1.

De grondslag van het verzoek

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De man heeft de door de vrouw gestelde wijziging niet betwist, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat het wegvallen van de advocaatkosten een rechtens relevante wijziging is, die herbeoordeling van de behoefte en draagkracht rechtvaardigt.

5.2.

De man heeft aangevoerd dat hij niet meer gehouden is een partneralimentatie te voldoen omdat de vrouw:

  • -

    zou samenwonen als waren zij gehuwd,

  • -

    een eigen verdiencapaciteit heeft,

  • -

    niet behoeftig is omdat ze werkt,

  • -

    haar (aanvullende)behoefte niet heeft onderbouwd,

  • -

    door haar partner wordt onderhouden waardoor haar behoefte lager is,

  • -

    door haar opstelling de lotsverbondenheid heeft verbroken.

5.2.1.

Het meest verstrekkend is de stelling van de man dat de vrouw met haar nieuwe partner zou samenwonen als waren zij gehuwd zodat zijn alimentatieplicht van rechtswege is geëindigd.

Voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW moet voldaan zijn aan een drietal vereisten, te weten: de betreffende partners:

  1. hebben een duurzame en affectieve relatie;

  2. wonen samen en voeren een gemeenschappelijke huishouding;

  3. verzorgen elkaar wederzijds (dat wil zeggen dat zij in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien).

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) als hoofdregel geldt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast draagt van die feiten of rechten. Een andere bewijslastverdeling kan voortvloeien uit de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. Toepassing van deze uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden waarbij het bestaan van bewijsnood op zichzelf in beginsel onvoldoende reden vormt om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. Echter, indien de partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij, kan omkering van de bewijslast geboden zijn.

De rechtbank stelt voorop dat op de man de stelplicht rust van zijn stelling dat de vrouw een relatie met de heer [X] heeft als waren zij gehuwd. Tussen partijen staat vast dat de vrouw en de heer [X] een affectieve relatie hebben sinds 2014 en dat de vrouw van februari 2015 tot en met augustus 2015 met hem heeft samengewoond. De vrouw heeft het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en de wederzijdse verzorging en de samenwoning na augustus 2015 echter gemotiveerd betwist.

Nu de criteria voor het aannemen van samenleving in de zin van artikel 1:160 BW door de vrouw gemotiveerd zijn betwist, is het aan de man voldoende feiten en omstandigheden ten aanzien van voornoemde criteria te stellen en deze vervolgens met bewijs te onderbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om het door hem gedane bewijsaanbod te kunnen aanvaarden. Hetgeen de man heeft aangevoerd en deels met stukken heeft onderbouwd betreft de periode 2014/2015. De man heeft niets gesteld met betrekking tot de periode vanaf 9 februari 2016, behoudens dat hij ervan overtuigd is dat de vrouw haar relatie op dezelfde voet heeft voortgezet. Het meest recente stuk blijkt een observatie van de partner van de man te zijn, die de vrouw met de heer [X] heeft zien lopen met een boodschappentas in haar hand. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niets worden afgeleid. Nu de man onvoldoende heeft gesteld, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering door de man, laat staan aan een andere bewijslastverdeling.

5.2.2.

De rechtbank zal vervolgens de verdiencapaciteit van de vrouw beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft, nu onbetwist is komen vast te staan dat de vrouw tijdens het huwelijk heeft gewerkt als schoonmaakster. Het is de bewuste keuze van de vrouw geweest om na het uiteen gaan van partijen in december 2014 niet te werken of te solliciteren. Als reden geeft de vrouw hiervoor aan dat zij haar uitkering niet in gevaar wenst te brengen. De vrouw verliest daarbij uit het oog dat een bijstandsuitkering slechts bedoeld is om iemands inkomen aan te vullen tot het bestaansminimum totdat deze persoon weer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw heeft daarnaast gesteld dat zij niet heeft kunnen werken of solliciteren in verband met psychische problemen, maar laat na deze stelling op enigerlei wijze te onderbouwen.

Niets staat de vrouw in de weg om te gaan werken, nu de zoon van partijen inmiddels meerderjarig is en geen andere omstandigheden zijn gebleken die dit anders maken. Het zal, zeker in de schoonmaakbranche en met het aantrekken van de economie, geen probleem voor de vrouw moeten zijn om betaald werk te vinden. Uitgaande van een fulltime dienstverband bij een schoonmaakbedrijf moet de vrouw geacht worden minimaal in haar eigen behoefte, te weten € 1.031,= netto per maand te kunnen voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende tijd heeft gehad om een passende betaalde baan te vinden en zij zal derhalve de alimentatieverplichting van de man met ingang heden op nihil stellen.

De rechtbank komt, gelet op vorenstaande, niet meer toe aan de beoordeling van de overige door de man gestelde punten.

5.3.

De proceskosten

5.3.1.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2016, waarbij ten behoeve van de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud werd opgelegd, in die zin dat de man met ingang van 20 juli 2017 wordt bepaald op nihil;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;

6.3.

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 20 juli 2017 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.D. Bücker, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.