Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6914

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
218167 / HA ZA 16-152
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid en opeisbaarheid van factuurbedragen voor het verrichten van accountantswerkzaamheden.

Het stellen van zekerheid voor opeisbare vorderingen heeft geen gevolg voor de opeisbaarheid van die vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/218167 / HA ZA 16-152

Vonnis van 5 juli 2017

in de zaak van

de maatschap [de maatschap],

gevestigd te [vestigingsplaats maatschap] ,

eiseres,

advocaat mr. A.A.M. Hoogveld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.M.J. Saes.

Partijen zullen hierna [de maatschap] en [X] Management genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en bijbehorende producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de door [de maatschap] voor de comparitie toegezonden producties 5 en 6

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] Management dreef een onderneming die zich bezighield met het beleggen in roerende en onroerende zaken, de verkoop van onroerende zaken en het ontwikkelen van projecten in onroerende zaken.

2.2.

[de maatschap] heeft in de periode van 2004 tot 2015 in opdracht van [X] Management accountantswerkzaamheden verricht, waaronder het samenstellen van de jaarrekeningen en het doen van belastingaangiftes.

2.3.

Bij de uitvoering van die opdracht heeft [de maatschap] de jaarrekeningen en de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007 geheel afgerond.

2.4.

In 2008 ontstonden financiële problemen bij [X] Management die hebben geleid tot het onbetaald laten van rekeningen van [de maatschap] . Om die reden zijn door [de maatschap] over de jaren 2008 tot en met 2010 geen jaarstukken meer opgesteld voor [X] Management.

2.5.

Bij notariële akte van 22 april 2013 heeft [X] Management ter zekerheid voor de voldoening van de nog openstaande facturen tot een bedrag van € 27.500,-- aan [de maatschap] een recht van hypotheek verleend op een aan [X] Management toebehorende stuk grond aan de [adres grond] . Partijen hadden afgesproken dat [X] Management de grond zou verkopen en met de opbrengst daarvan de openstaande facturen zou voldoen. Het is [X] Management nog niet gelukt om de grond te verkopen.

2.6.

[X] Management heeft uiteindelijk facturen onbetaald gelaten tot een hoger bedrag dan waarvoor de hypotheek zekerheid bood.

2.7.

Eind 2014 hebben partijen, in de verwachting dat [X] Management nog aanspraak kon maken op teruggave van een aanzienlijk bedrag aan vennootschapsbelasting, de afspraak gemaakt dat [de maatschap] de jaarstukken over het jaar 2011 nog in orde zou maken voor een bedrag van € 2.000,-- à € 3.000,-- exclusief btw en dat twee derde deel van de belastingteruggave zou worden aangewend om openstaande facturen van [X] Management af te lossen.

2.8.

Bij factuur van 11 maart 2015 heeft [de maatschap] aan [X] Management een bedrag van € 443,40 exclusief btw in rekening gebracht voor het verzorgen van de aangifte vennootschapsbelasting 2011. Bij factuur van 13 april 2015 heeft [de maatschap] aan [X] Management een bedrag van € 3.050,-- exclusief btw in rekening gebracht voor het samenstellen van de jaarrekening 2011.

2.9.

Op 6 juli 2015 heeft de Belastingdienst een bedrag van € 22.783,43 aan [X] Management toegekend. De Belastingdienst heeft van nog openstaande verzuimboetes van dit bedrag ingehouden. Aan [X] Management is het resterende bedrag van € 17.285,-- uitgekeerd. [X] Management heeft deze belastingteruggave niet aangewend om de openstaande facturen van [de maatschap] af te lossen en heeft ook niet op andere wijze aan haar betalingsverplichtingen jegens [de maatschap] voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[de maatschap] stelt dat [X] Management in totaal een bedrag van € 40.787,89 aan facturen onbetaald heeft gelaten. De verschuldigde handelsrente heeft [de maatschap] berekend op € 8.781,40. [de maatschap] heeft verder buitengerechtelijke kosten moeten maken die zij op grond van de staffel buitengerechtelijke incassokosten bepaalt op € 1.272,65.

3.2.

[de maatschap] vordert samengevat - veroordeling van [X] Management tot betaling van € 50.841,94, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 en met veroordeling van [X] Management in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis.

3.3.

[X] Management voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[de maatschap] vordert betaling van de in de dagvaarding onder randnummer 2 genoemde facturen van in totaal € 41.380,05, verminderd met de twee in de dagvaarding onder randnummer 3 vermelde betalingen van in totaal € 592,16. [X] Management heeft de verschuldigdheid van de bedragen erkend, met uitzondering van twee posten op de facturen. Het betreft de post “kosten van Thuis & Partners” ter hoogte van € 1.540,70 die bij factuur van 9 mei 2014 in rekening is gebracht en de post voor het opstellen van de jaarstukken 2011 en het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting voor zover die hoger is dan € 3.000,-- exclusief btw. [X] Management is voorts van mening dat van het verschuldigde bedrag slechts een bedrag van € 11.523,-- opeisbaar is. Dit vloeit volgens [X] Management voort uit de tussen partijen gemaakte afspraken ten aanzien van de hypotheekstelling en de betaling van een deel van de belastingteruggave.

4.2.

De rechtbank zal eerst oordelen over de verschuldigdheid door [X] Management van het door haar betwiste deel van de gevorderde hoofdsom en vervolgens de opeisbaarheid van de het verschuldigde bedrag beoordelen.

De kosten van Thuis & Partners

4.3.

Uit de stukken (productie 2 bij antwoord) volgt dat de Ontvanger van de Belastingdienst / Midden- en kleinbedrijf (hierna aan te halen als de Ontvanger) op 7 januari 2014 het faillissement van [X] Management heeft aangevraagd en daarbij een vordering van [de maatschap] op [X] Management als steunvordering heeft opgevoerd. Voor de steunvordering heeft de Ontvanger gebruik gemaakt van het door [de maatschap] bij brief van 28 november 2013 (productie 3 bij antwoord) aan de Ontvanger verstrekte overzicht van nog openstaande vorderingen op [X] Management. Voor deze vorderingen was door [X] Management het hiervoor onder 2.5. bedoelde recht van hypotheek verleend. [X] Management heeft onweersproken gesteld dat zij [de maatschap] heeft aangesproken over het in haar ogen onterecht bieden van een steunvordering aan de Ontvanger en dat [de maatschap] hierop aan Thuis & Partners om advies heeft gevraagd. Omdat niet kan worden vastgesteld dat dit advies is gevraagd in opdracht van [X] Management, kan evenmin worden vastgesteld dat [de maatschap] gerechtigd was deze kosten aan [X] Management in rekening te brengen. De rechtbank volgt [X] Management daarom in haar verweer dat zij de kosten voor het advies van Thuis & Partners niet is verschuldigd. Uit de factuur van 9 mei 2014 volgt dat die kosten € 1.540,71 exclusief btw, derhalve € 1.864,26 inclusief btw bedragen. Dit deel van de factuur is dus niet door [X] Management verschuldigd en zal worden afgewezen.

De kosten voor de jaarstukken 2011 en aangifte vennootschapsbelasting

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil, en uit de e-mails van partijen van 14 en 15 december 2014 (productie 7 bij antwoord) volgt, dat de kosten voor het afronden van de jaarrekening en belastingaangifte voor 2011, door [de maatschap] werden ingeschat op twee- à drieduizend euro. Uit de facturen van 11 maart en 13 april 2015 (productie 3 bij dagvaarding) blijkt dat voor het verzorgen van de aangifte vennootschapsbelasting en het samenstellen van de jaarrekening voor het boekjaar 2011 een bedrag van € 443,40 respectievelijk € 3.050,-- exclusief btw in rekening is gebracht. Het totaal van deze bedragen gaat de bovengrens van de door [de maatschap] gegeven raming van de kosten ruim te boven. [X] Management kan geacht worden geen opdracht te hebben verleend voor zover het bedrag uitstijgt boven de door [de maatschap] gegeven bovengrens van € 3.000,--. Dit betekent dat een bedrag van € 493,40 exclusief btw (€ 3.493,40 minus € 3.000,--) derhalve € 597,01 inclusief btw, niet door [X] Management is verschuldigd. Dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

De opeisbaarheid van het verschuldigde bedrag

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat [X] Management de verschuldigdheid heeft erkend van een bedrag van € 38.326,62 (€ 40.787,89 aan gevorderde hoofdsom verminderd met de betwiste posten € 1.864,26 en € 597,01). [X] Management is echter van mening dat niet het hele verschuldigde bedrag, maar slechts een deel ter hoogte van € 11.523,-- (twee derde deel van de door [X] Management van de Belastingdienst ontvangen netto belastingteruggave van € 17.285,--) opeisbaar is. Volgens [X] Management is het bedrag van € 27.500,-- waarvoor hypothecaire zekerheid is gegeven niet opeisbaar. Daarnaast houdt volgens [X] Management de eind 2014 gemaakte afspraak in dat twee derde deel van het door haar netto ontvangen bedrag aan belastingteruggave wordt aangewend voor de aflossing van openstaande facturen, zodat alleen twee derde deel van de netto belastingteruggave opeisbaar is.

4.6.

De rechtbank volgt [X] Management niet in haar verweer ten aanzien van de opeisbaarheid. Niet in geschil is dat de factuurbedragen waarvoor hypothecaire zekerheid is verstrekt opeisbaar waren voordat die zekerheid werd verstrekt. Zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom het verstrekken van zekerheid gevolgen zou hebben voor de opeisbaarheid van de factuurbedragen. Niet is gebleken dat [de maatschap] afstand heeft gedaan van de opeisbaarheid of de opeisbaarheid heeft verbonden aan de verkoop van het stuk grond. [de maatschap] heeft tijdens de zitting verklaard dat zij [X] Management na het verkrijgen van de zekerheid alleen wat lucht wilde geven om aan haar verplichtingen te voldoen. Het gaat te ver om uit de bereidheid van [de maatschap] om even te wachten met het innen van de factuurbedragen met het vooruitzicht dat met de verkoop van het stuk grond de facturen zouden kunnen worden voldaan, af te leiden dat daarmee de opeisbaarheid van de facturen is prijsgegeven tot aan de verkoop van de grond.

4.7.

[X] Management heeft niet bestreden dat de factuurbedragen die verschuldigd zijn geworden na de hypotheekverstrekking en die niet door de hypotheek werden gedekt, opeisbaar waren. De afspraak ten aanzien van de aanwending van twee derde deel van de belastingteruggave voor het aflossen van de openstaande rekeningen brengt daar geen verandering in. Deze regeling maakte het voor [X] Management alleen maar mogelijk om met een derde deel van de teruggave andere schulden te voldoen.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gehele bedrag van € 38.326,62 opeisbaar en daarom toewijsbaar is.

De verschuldigde rente

4.9.

[X] Management heeft niet weersproken dat voor de facturen van [de maatschap] een betalingstermijn gold van 30 dagen. Over de verschuldigde facturen is daarom de gevorderde wettelijke handelsrente over elk factuurbedrag toewijsbaar vanaf 30 dagen na de betreffende factuurdatum. Aangezien in het door [de maatschap] berekende bedrag aan wettelijke handelsrente ook rente is begrepen over factuurbedragen waarvan hiervoor is geoordeeld dat deze niet door [X] Management verschuldigd zijn, is niet het gehele aan rente gevorderde bedrag toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen over € 38.326,62 te rekenen vanaf 30 dagen vanaf de afzonderlijke factuurdata.

De buitengerechtelijke kosten

4.10.

[de maatschap] vordert betaling van een bedrag van € 1.272,65 aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank stelt vast dat [de maatschap] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zo heeft [de maatschap] onweersproken gesteld dat op 22 januari 2016 en op 19 februari 2016 sommatiebrieven aan [X] Management zijn verstuurd en dat regelmatig is getracht om in der minne betaling van de facturen te verkrijgen. Voor een deel van de hoofdsom is het verzuim ontstaan vóór 1 juli 2012. Hierop is het regime van Rapport Voorwerk II (Voorwerk II) van toepassing. Voor het deel van de hoofdsom waarvan het verzuim is ontstaan na 1 juli 2012 zijn de Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (hierna de Wet normering buitengerechtelijke kosten) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (verder aan te halen als het Besluit) van toepassing. Zowel op grond van Voorwerk II als op grond van de Wet normering buitengerechtelijke kosten heeft [de maatschap] aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten over de toewijsbare hoofdsom. Zowel Voorwerk II (twee maal het liquidatietarief) als het Besluit (de staffel) leidt tot een toewijsbaar bedrag aan incassokosten ter hoogte van € 1.158,--. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

De slotsom

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan hoofdsom toewijsbaar is een bedrag van € 38.326,62, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over elk factuurbedrag toewijsbaar vanaf 30 dagen na de betreffende factuurdatum, alsmede een bedrag van € 1.158,-- aan buitengerechtelijke kosten.

4.12.

[X] Management zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [de maatschap] worden begroot op:

- dagvaarding € 82,54

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

totaal € 3.799,54

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [X] Management om aan [de maatschap] te betalen een bedrag van € 39.484,62 (negenendertig duizendvierhonderdvierentachtig euro en tweeënzestig eurocent) aan hoofdsom en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 38.326,62, telkens vanaf 30 dagen na de factuurdatum van ieder verschuldigd factuurbedrag, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [X] Management in de proceskosten, aan de zijde van [de maatschap] tot op heden begroot op € 3.799,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.1

1 type: coll: