Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6834

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

1.037 gram hennep aangetroffen. Verweerder was op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot sluiting van het lokaal. Het beleid van verweerder is niet onredelijk en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/1742

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] ( [bedrijfsnaam verzoeker] ), te Voerendaal, verzoeker

(gemachtigde: mr. L.J.L.M. Dacier),

en

de burgemeester van de gemeente Voerendaal, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van het lokaal, gelegen aan de [adres bedrijf verzoeker] te Voerendaal (het perceel), met ingang van 27 juni 2017 voor de duur van zes maanden.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft telefonisch medegedeeld de effectuering van de last onder bestuursdwang op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Boumans, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de formele eisen van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan. Omdat sprake is van een bedrijfssluiting, neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van onverwijlde spoed. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op het perceel, gelegen aan de [adres bedrijf verzoeker] te Voerendaal is de eenmanszaak [bedrijfsnaam verzoeker] gevestigd. Verzoeker koopt brommobielen op of neemt deze over en verkoopt de onderdelen weer door aan derden. Op het perceel van verzoeker is een aantal van ongeveer zestig brommobielen aanwezig. Deze staan buiten gestald. Op het terrein bevinden zich nog loodsen, maar deze dienen alleen als opslag en werkplaats en niet voor de stalling van de brommobielen. Verzoeker woont naast zijn bedrijf (nummer [huisnummer verzoeker] ) en er is een kleine doorgang tussen zijn bedrijf en zijn woning. Naast verzoeker woont zijn broer (nummer [huisnummer broer] ) .

3. Op 29 maart 2017 hebben opsporingsambtenaren van de politie-eenheid Limburg op het perceel van verzoeker verdovende middelen aangetroffen. In een op het erf gestalde brommobiel is een zak met 1.037 gram hennep aangetroffen en in een bedrijfsloods op het perceel diverse attributen, die kunnen worden gebruikt voor de hennepteelt. Vorig jaar – tijdens een controle op 31 maart 2016 – is op het bedrijfsperceel een geoogste hennepplantage aangetroffen.

4. In het voornemen van 26 april 2017 heeft verweerder aan verzoeker bericht voornemens te zijn om tot sluiting van het lokaal over te gaan. De door verzoeker ingediende zienswijze heeft geen verandering gebracht in dit voornemen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat het lokaal voor de duur van zes maanden wordt gesloten.

5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat – conform de beleidsregel – niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid is sprake van een ernstig geval. De hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen is namelijk een meer dan geringe overschrijding van de handelshoeveelheid. Verweerder neemt verder in overweging dat op 31 mei 2016 op hetzelfde perceel een geoogste hennepplantage is aangetroffen. Verder neemt verweerder in aanmerking dat op het perceel [woonadres verzoeker] , dat ook bij verzoeker in gebruik is en dat in directe verbinding staat tot het perceel [adres bedrijf verzoeker] , tijdens de controle op

29 maart 2017 in een bijgebouw 0,8 gram hennepresten en een henneptop is aangetroffen. Verder zijn in een bijgebouw ook attributen, die voor de hennepteelt kunnen worden gebruikt, aangetroffen. Ten slotte neemt verweerder in aanmerking dat bij de controle op

31 mei 2016 energiediefstal is geconstateerd bij de percelen [adres bedrijf verzoeker] en [huisnummer verzoeker] .

6. Verzoeker betoogt dat hij geen proces-verbaal van de doorzoeking heeft ontvangen en bij gebrek aan wetenschap betwist dat hennep is aangetroffen op zijn perceel. Als er al hennep is aangetroffen, had verzoeker hiervan geen wetenschap. Als al sprake is van hennep, had verweerder moeten volstaan met een waarschuwing, want er is geen sprake van een ernstig geval. Hetgeen op 31 mei 2016 is aangetroffen – van welk feit verzoeker is vrijgesproken – heeft niet geleid tot bestuursrechtelijke maatregelen, zelfs niet een waarschuwing. De attributen die gebruikt kunnen worden voor de hennepteelt worden ter sloop aangeboden. Daarmee is nog geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet gegeven. Volgens verzoeker voert de burgemeester een hetze tegen hem. De gemeente voert op dit moment meerdere bestuurs- en civielrechtelijke procedures tegen verzoeker, die erop zijn gericht om hem en zijn bedrijf uit de gemeente Voerendaal te laten verdwijnen. Er is sprake van détournement de pouvoir. Het bestreden besluit is in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Er hadden eerst minder vergaande maatregelen moeten worden getroffen. De sluitingsperiode van zes maanden is disproportioneel. Verzoeker stelt dat toepassing van artikel 4:84 van de Awb had moeten leiden tot een afwijking van het beleid.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woning of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand of perceel met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand of perceel kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362).

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder mag uitgaan van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de politie. Hieruit volgt dat op 29 maart 2017 1.037 gram hennep is aangetroffen op het perceel. Anders dan verzoeker naar voren heeft gebracht is een MMC/ODV test geen vereiste. In het proces-verbaal van de politie staat dat sprake is van gedroogde hennep. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder bevoegd is om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet het perceel te sluiten. Of verzoeker wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen op zijn perceel is – volgens vaste jurisprudentie – niet relevant voor het bestaan van de bevoegdheid. De voorzieningenrechter verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401.

11. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet beschikt verweerder over beleidsvrijheid. Ook bij de vaststelling van de sluitingsduur heeft verweerder beslissingsruimte. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen.

12. Ter uitoefening van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, van de Opiumwet, heeft verweerder de “Beleidsregels van de burgemeester van Voerendaal voor de toepassing van artikel 13b Opiumwet en 174a Gemeentewet” (de beleidsregel) vastgesteld. In deze beleidsregel is – onder meer en voor zover relevant – het volgende bepaald.

“In het geval van handel in softdrugs wordt bij een eerste constatering in beginsel volstaan met een (schriftelijke) waarschuwing om de overtreding te staken, tenzij zich zodanige omstandigheden voordoen, dat sprake is van een ernstig geval. Bij de afweging in concreto wordt in ieder geval met de volgende indicatoren rekening gehouden:

- meer dan geringe overschrijding van de handelshoeveelheid van softdrugs of hennepplanten, waarbij bij het bepalen hiervan wordt aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet:

o Harddrugs: meer dan 0,5 gram;

o Softdrugs: meer dan 5 gram;

o Hennepplanten: meer dan 5 planten;

  • -

    de mate waarin sprake is van een negatieve invloed op het openbare leven en het woon- en leefklimaat;

  • -

    de mate van overlast en verloedering;

  • -

    de contacten van dealers en klanten in/vanuit een woning/lokaal;

  • -

    verklaringen van klanten en/of drugskoeriers die met drugs zijn onderschept;

  • -

    de aanwezigheid van handelsattributen;

  • -

    de mate van gevaarzetting als gevolg van een verhoogd brandrisico (door overbelasting van het energienetwerk en illegale elektriciteitsaansluitingen) of overtreding van de bouwregelgeving;

  • -

    de mate van uitkeringsfraude, belastingontduiking en energiediefstal.”

Uit de beleidsregel volgt dat bij handel in softdrugs in lokalen bij een eerste overtreding van de Opiumwet een waarschuwing wordt gegeven, tenzij sprake is van een zodanig ernstig geval, dat niet met een waarschuwing of soortgelijke maategel kan worden volstaan. Indien overgegaan wordt tot sluiting dan is dat voor een periode van zes maanden.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan één van de genoemde indicatoren is voldaan. Er is namelijk een meer dan geringe overschrijding van de handelshoeveelheid softdrugs aangetroffen. Volgens verweerder is dit de meest zwaarwegende indicator en de voorzieningenrechter acht dit standpunt van verweerder niet onredelijk. De overige genoemde indicatoren zijn, zo stelt de voorzieningenrechter vast, niet van toepassing. Verweerder heeft in dit verband terecht naar voren gebracht dat de opsomming niet limitatief is en dat ook andere omstandigheden een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. In het bestreden besluit heeft verweerder al enkele omstandigheden genoemd en verweerder heeft deze verder aangevuld tijdens de behandeling ter zitting. Gelet op de mogelijkheid voor verweerder om in de bezwaarprocedure het besluit van een nadere motivering te voorzien, is deze aanvulling niet in strijd met enige rechtsregel. De omstandigheid dat op het perceel in mei 2016 een hennepplantage in aanleg en attributen ten behoeve van de hennepteelt zijn aangetroffen heeft verweerder kunnen betrekken bij de besluitvorming, ook al heeft deze constatering toen niet geleid tot bestuursrechtelijke maatregelen. Reeds met deze twee indicatoren – zeker gelet op de grote hoeveelheid verdovende middelen – heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom – conform de beleidsregel – sprake is van een ernstig geval. Dat niet aan alle indicatoren is voldaan, betekent niet dat verweerder niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om tot bestuursdwang over te gaan.

14. Volledigheidshalve en gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder enkele omstandigheden niet in redelijkheid heeft kunnen betrekken in zijn afweging om tot sluiting over te gaan. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom enkele zaken die zich in 2016 hebben afgespeeld op het bedrijfsperceel, zoals de aanwezigheid van illegale bebouwing, het aantreffen van een gestolen scooter, valse kentekenbewijzen en een gestolen zegeltang relevant zijn voor de toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dat verweerder bij het besluit betrekt dat op het naastgelegen perceel (het woonhuis) van verzoeker attributen ten behoeve van de hennepteelt zijn aangetroffen kan de voorzieningenrechter niet volgen. Het naastgelegen woonhuis van verzoeker – hoewel in gebruik bij dezelfde persoon – is geheel losstaand van het bedrijfsperceel. De sluiting is gericht op het perceel en niet op de persoon van verzoeker. Dat in het woonhuis van verzoeker en zijn broer attributen zijn aangetroffen ten behoeve van de hennepteelt – overigens is het niet duidelijk welke attributen dit zijn – is daarom niet relevant. Deze overwegingen doen echter niet af aan hetgeen in rechtsoverweging 13 is overwogen. Met de daar besproken indicatoren heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake is van een ernstig geval. Hoewel verzoeker terecht enkele kritische kanttekeningen heeft gemaakt, leidt dit niet tot een onrechtmatigheid in de besluitvorming.

15. Vervolgens dient te worden getoetst aan artikel 4:84 van de Awb. Bij de toetsing aan dit artikel staat de vraag centraal of het handelen overeenkomstig de beleidsregel voor verzoeker gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

16. Verzoeker heeft in dit verband naar voren gebracht dat de financiële gevolgen voor zijn bedrijf catastrofaal zijn. Zowel hij als zijn broer zijn qua broodwinning afhankelijk van het bedrijf. Vanwege een vete met de gemeente Voerendaal hangt hun ook de sluiting van de woningen boven het hoofd; de gemeente verhuurt als eigenaar de woningen aan verzoeker en zijn broer. Deze omstandigheden tezamen maken dat toepassing van de beleidsregel in het geval van verzoeker onredelijk is.

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat financiële gevolgen inherent zijn aan een bedrijfssluiting. Verder heeft verzoeker op geen enkele manier met objectieve stukken onderbouwd dat hij door de sluiting van het bedrijfsperceel niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. Verzoeker kan ook op andere wijze een inkomen genereren, aldus verweerder in het bestreden besluit.

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met de gegeven motivering voldoende is ingegaan op de stellingen van verzoeker. Hoewel de voorzieningenrechter het aannemelijk acht dat een sluiting van zes maanden grote gevolgen heeft voor de exploitatie van het bedrijf, moet toch worden vastgesteld dat dit op geen enkele wijze is onderbouwd met stukken. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker voorgehouden wat de halfjaarlijkse omzet is van het bedrijf en aangegeven dat hieruit al volgt dat het bedrijf van verzoeker één jaar stil zal liggen vanwege een opstartperiode. Deze stelling kan de voorzieningenrechter niet volgen zonder een nadere onderbouwing. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat verzoeker al sinds 2001 – en dus een zeer geruime tijd – de eenmanszaak exploiteert. Verondersteld mag worden dat een zekere naamsbekendheid is opgebouwd, zeker in een branche waarin niet veel bedrijven actief zijn. Dit laatste punt is door verzoeker zelf ter zitting naar voren gebracht. Dat het bedrijf van verzoeker een jaar stil ligt en dat hij een opstartperiode van zes maanden nodig heeft om weer op gang te komen, is in dit licht onvoldoende onderbouwd. De brommobielen die op dit moment op het perceel staan gestald, zullen ook dan nog voorhanden zijn. Verzoeker kan na een sluiting van zes maanden zijn bedrijfsvoering voortzetten. Dat een bedrijfsstop van zes maanden nadelige gevolgen heeft voor het bedrijf van verzoeker is wel aannemelijk, maar dat deze gevolgen zodanig zijn dat het leidt tot een faillissement is daarmee nog niet aannemelijk gemaakt. Verzoeker heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in de vaste lasten van het bedrijf, zodat dit punt niet kan worden betrokken bij de beoordeling. Verweerder heeft verzoeker terecht voorgehouden dat hij ook op andere wijze een inkomen kan verkrijgen. Dat ook de broer van verzoeker afhankelijk is van het bedrijf is evenmin onderbouwd.

19. Tijdens de behandeling ter zitting is het huurconflict tussen verzoeker en de gemeente Voerendaal ter sprake gekomen. Over deze civiele procedure zijn geen stukken ingebracht, maar uit het besprokene ter zitting volgt dat sprake was van een huurachterstand van vijftig maanden, waarop de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden. Verzoeker en zijn broer zullen rechtsmiddelen aanwenden tegen de ontruiming van de woningen. Het is op dit moment niet zo dat verzoeker en zijn broer dakloos zijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in deze zaak conform het wettelijk kader en conform de beleidsregel heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaan geen aanwijzingen dat verweerder zijn bevoegdheden misbruikt om verzoeker een hak te zetten. Dat verweerder van sluiting van het bedrijfsperceel zou moeten afzien, gelet op de cumulatie van het civielrechtelijke en het bestuursrechtelijke traject volgt de voorzieningenrechter niet. In deze procedure gaat het namelijk ‘alleen’ over de bedrijfssluiting en de gevolgen die deze sluiting met zich meebrengt.

20. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

21. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.