Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6829

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
5952980/AZ/17-91 14072017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging van het ontslag op staande voet. Er is geen sprake van het grovelijk veronachtzamen van plichten, nu enkel sprake is van een ‘domme fout’ als gevolg van een menselijke vergissing. Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Het vertrouwen en de arbeidsverhouding, zijn als gevolg van het (meermaals) ‘verliezen’ van een groot bedrag contant geld duurzaam verstoord. Geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, toekenning transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0923
AR 2017/3745
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5952980 \ AZ VERZ 17-91

Beschikking van de kantonrechter van 14 juli 2017

in de zaak van:

[werknemer] ,

wonend [adres werknemer] ,

[woonplaats werknemer] ,

werknemer,

gemachtigde mr. F.L.H.F.A.H. Wolfs,

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] WOONCENTER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats X] ,

werkgever,

gemachtigde mr. H.F.A. Bronneberg,

verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek.

Partijen zullen hierna [werknemer] en [X] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 3 mei 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift, tevens houdend een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv,

- het verweerschrift, tevens houdend een zelfstandig verzoek,

- de mondelinge behandeling d.d. 27 juni 2017,

- de namens [werknemer] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota,

- de namens [X] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren op [geboortedag werknemer] 1975, is op 17 november 1997 bij [X] in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van bezorger / bijrijder tegen een loon van € 1.929,00 bruto per maand, exclusief 2,75% loonsverhoging conform cao, vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.2.

[werknemer] levert als bezorger / bijrijder goederen af bij klanten. Enkele van deze klanten betalen met contant geld. Dit contant geld wordt door [werknemer] in ontvangst genomen en dient aan het einde van de werkdag bij [X] afgestort te worden.

2.3.

Voor het afstorten van contant geld is bij [X] een afstortmachine aanwezig. Op deze machine moet ingelogd worden met een persoonlijk nummer en wachtwoord. Daarna wordt het briefgeld in de machine gelegd. De machine telt het briefgeld en als dat gebeurd is, en de werknemer akkoord is met het geldbedrag dat de machine heeft geteld, drukt hij op het knopje ‘afstorten’. Wil de werknemer om de een of andere reden het geldbedrag toch niet afstorten - bijvoorbeeld omdat hij het niet eens is met het door de machine getelde bedrag - dan kan hij op de “resetknop” drukken, de machine geeft het geld dan terug.

Heeft de werknemer op “afstorten” gedrukt, dan kan hij het geld niet meer uit de machine halen en geeft de machine een bewijs van de storting af. Muntgeld, evenals briefgeld waarvan het storten niet lukt, dient – op een andere locatie binnen het bedrijf – afgegeven te worden aan [planner] (planner) of [secretaresse] (secretaresse). Indien beiden afwezig zijn, dient de werknemer het resterende geld mee naar huis te nemen.

2.4.

Op 11 juli 2016 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij [werknemer] contant geld, toebehorend aan [X] , is kwijtgeraakt. Het vermiste bedrag van € 1.500,00 is redelijk snel weer aangetroffen maar dit voorval heeft wel tot veel consternatie binnen [X] geleid.

2.5.

Op 20 maart 2017 heeft [werknemer] een bedrag van € 2.839,00 aan contant geld van klanten ontvangen. Zoals gebruikelijk wil [werknemer] aan het einde van zijn werkdag dat bedrag afstorten en hij plaatst het geldbedrag, met uitzondering van € 4,00 muntgeld, in de afstortmachine. De machine weigert echter een biljet van € 100,00. Dit biljet en de € 4,00 aan muntgeld, wordt vervolgens door [werknemer] naar [planner] en [secretaresse] gebracht, die zich in de andere vestiging van [X] bevinden, 400 meter verderop. Daar aangekomen constateert [werknemer] dat hij vergeten is om op de afstortknop te drukken en keert hij direct weer terug naar de afstortmachine. Daar aangekomen geeft de machine echter een storing aan en is het geld weg.

2.6.

Op 21 maart 2017 gaat [werknemer] naar [planner] en [secretaresse] en deelt hetgeen is voorgevallen mee. Op 22 maart 2017 wordt de afstortmachine geleegd, het geldbedrag geteld en de computer uitgelezen. Het geld is echter niet te traceren, het is door de machine niet geregistreerd en het bevindt zich evenmin in de machine. Op 3 april 2017 vindt een gesprek over het voornoemde plaats met [planner] , [A] en [leidinggevende] (leidinggevende). Op 5 april 2017 wordt [werknemer] op staande voet ontslagen.

3 Het geschil

3.1.

[werknemer] verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Bij wijze van voorlopige voorziening:

- [X] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van het loon van
€ 1.929,00 bruto per maand, te vermeerderen met 2,75% loonsverhoging conform cao, vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 5 april 2017 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder overlegging van een deugdelijke bruto / netto specificatie op straffe van een dwangsom van € 150,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [X] in gebreke blijft deze specificatie te verstrekken;


Primair:

  • -

    de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 5 april 2017 ex artikel 7:681 BW te vernietigen;

  • -

    [X] te verplichten [werknemer] binnen 24 uur na dagtekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [X] in gebreke blijft;

  • -

    [X] te veroordelen tot betaling van het loon aan [werknemer] van € 1.929,00 bruto per maand, te vermeerderen met 2,75% loonsverhoging conform cao, vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 5 april 2017 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente;

Subsidiair:

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de transitievergoeding van € 16.768,12 bruto ex artikel 7:673 BW;

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto ex artikel 7:671 BW, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de gefixeerde schadevergoeding van € 10.381,96 bruto ex artikel 7:672 BW;

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de eindafrekening ex

artikel 7:686a BW, onder overlegging van een deugdelijke bruto / netto specificatie;

Meer subsidiair:

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de transitievergoeding van € 16.768,12 bruto ex artikel 7:673 BW;

  • -

    [X] te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de eindafrekening ex artikel 7:686a BW, onder overlegging van een deugdelijke bruto / netto specificatie;

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

- [X] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[X] heeft verweer gevoerd en verzoekt bij (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Ten aanzien van het verzoek van [werknemer] :

- de verzoeken aan de zijde van [werknemer] in de bodemprocedure alsmede in het kader van de voorlopige voorziening af te wijzen;

Bij wijze van zelfstandig verzoek:

  • -

    de arbeidsovereenkomst per de vroegst mogelijke datum voorwaardelijk te ontbinden ex artikel 7:669 lid 3 onderdeel e of onderdeel g BW voor het geval dat komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet al eerder tot een einde is gekomen, zonder toekenning van een transitievergoeding en/of billijke vergoeding;

  • -

    [werknemer] te veroordelen om aan [X] te betalen de gefixeerde schadevergoeding van € 10.381,96 bruto ex artikel 7:672 BW;

  • -

    [werknemer] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

[werknemer] heeft verweer gevoerd tegen het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek en verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- het zelfstandig verzoek van [X] af te wijzen;

Subsidiair bij toewijzing van het zelfstandig verzoek:

  • -

    aan [werknemer] de transitievergoeding van € 16.768,12 bruto toe te kennen;

  • -

    aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen ter hoogte van

€ 35,000,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag en te bepalen dat de vergoeding binnen een week na de datum waarop de beschikking is afgegeven door [X] moet worden voldaan en niet gewacht hoeft te worden tot onherroepelijk is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet per

5 april 2017 is geëindigd;

- bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

Primair en subsidiair:

  • -

    [X] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    [X] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek tot vernietigen van het ontslag op staande voet

4.1.

[werknemer] heeft de onderliggende verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [X] is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.2.

Het geschil van partijen betreft de vraag of het door [X] aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor [X] als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [werknemer] , die ten gevolge hebben dat van [X] redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] , zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.3.

De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 5 april 2017 als volgt. “Op 20 maart heeft u een contant bedrag van

€ 2.839 ontvangen van een cliënt. Van dit bedrag missen we € 2.735. Het geld is spoorloos. Het was uw verantwoordelijkheid om dit geld correct af te dragen aan uw werkgever. Dit is niet gebeurd, derhalve ontslaan we u op staande voet.”

4.4.

[werknemer] stelt dat geen sprake is van een objectieve of subjectieve dringende reden. Daarnaast stelt [werknemer] dat geen sprake is van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet. Het incident heeft plaatsgevonden op 20 maart 2017, terwijl het ontslag op staande voet pas gegeven werd op 5 april 2017. Ook stelt [werknemer] dat door [X] geen rekening gehouden is met zijn belangen en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Een minder vergaande maatregel had in de rede gelegen. Tot slot stelt [werknemer] dat sprake is van risicoaansprakelijkheid ex artikel 7:661 BW bij [X] .

4.5.

[X] heeft verweer gevoerd en gesteld dat weldegelijk sprake is van een dringende reden. Volgens [X] is namelijk sprake van het door [werknemer] grovelijk veronachtzamen van plichten, welke de arbeidsovereenkomst hem opleggen (artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW). [werknemer] is immers ‘vergeten’ om op de afstortknop te drukken en heeft daarmee zijn zorgplicht ernstig geschonden. Door [X] wordt daarbij zwaar getild aan het feit dat het gaat om het missen van een groot geldbedrag.

Daarnaast stelt [X] dat weldegelijk sprake is van een onverwijlde mededeling. Ter onderbouwing hiervan stelt [X] dat zij dagelijks doende is geweest om het feitencomplex in deze zaak zo concreet mogelijk te krijgen. Daarbij is eveneens onderzoek verricht door G4S (de beheerder van de stortmachine). Pas toen dit onderzoek was voltooid kon zij handelen. Daarmee is wel enige tijd gemoeid geweest maar de zorgvuldigheid jegens [werknemer] vereist dat die tijd genomen wordt.

4.6.

Ter zitting is vast komen te staan dat [werknemer] niet op de afstortknop heeft gedrukt. [werknemer] heeft hierdoor een ernstige fout gemaakt. Dat sprake is van enig element van opzet, kwaadwillendheid of onverschilligheid is de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling echter niet gebleken. Het betreft een fout als gevolg van een menselijke vergissing. Dit laat zich naar het oordeel van de kantonrechter niet kwalificeren als het grovelijk veronachtzamen van plichten en levert derhalve geen objectieve of subjectieve grond voor een ontslag op staande voet te op. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven.

4.7.

Nu de kantonrechter hiervoor heeft vastgesteld dat geen sprake is van een dringende reden, bestaat geen belang meer bij de beantwoording van de vraag naar de al dan niet onverwijld gegeven mededeling van dit ontslag.

4.8.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [werknemer] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [X] kan vernietigen, indien [X] heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag (op staande voet) niet rechtsgeldig is, ligt het primaire verzoek van [werknemer] tot vernietiging van dat ontslag voor toewijzing gereed.

4.9.

Nu het ontslag (op staande voet) wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst onverkort blijven voortduren. [X] is daarom gehouden tot betaling van het overeengekomen loon. Partijen zijn het er over eens dat [X] het loon van [werknemer] vanaf 5 april 2017 onbetaald heeft gelaten. Het verzoek van [werknemer] [X] te veroordelen tot betaling van het loon van [werknemer] van € 1.929,00 bruto per maand, te vermeerderen met 2,75% loonsverhoging conform cao, vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 5 april 2017 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, ligt daarom voor toewijzing gereed.

Alvorens te beslissen op het verzoek tot wedertewerkstelling, zal eerst het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek worden behandeld en beoordeeld.

Het zelfstandig verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding

4.10.

[X] heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen (voorwaardelijk) te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a, BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e of onderdeel g, BW voor het geval (nog steeds) een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat. Hoewel van het hiervoor gegeven oordeel nog hoger beroep openstaat, is in zoverre reeds nu aan de voorwaarde voldaan waaronder [X] zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ingesteld. Daarmee ligt thans de vraag voor of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW.

4.11.

Vastgesteld wordt dat er geen bijzondere opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW, of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift, gelden.

4.12.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.13.

[X] heeft aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] dan wel van een verstoorde arbeidsverhouding. Ter onderbouwing stelt [X] dat [werknemer] zijn zorgplicht niet heeft nagekomen en dat reeds sprake is van een tweede incident waarbij [werknemer] onvoldoende zorgvuldig met aan hem toevertrouwd contant geld is omgesprongen. Als gevolg hiervan stelt [X] het vertrouwen in [werknemer] te hebben verloren.

4.14.

[werknemer] heeft verweer gevoerd en gesteld dat van een zodanig verwijt dat de arbeidsovereenkomst zou moeten eindigen geen sprake is. Daarnaast is hij van mening dat het wantrouwen in hem hersteld kan worden door het voeren van gesprekken en het maken van duidelijke afspraken. Van een duurzaam verstoorde vertrouwensrelatie is volgens [werknemer] geen sprake.

4.15.

De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat het niet op de afstortknop drukken waarna een groot geldbedrag is kwijt geraakt in dit geval geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW oplevert. Dat laat echter onverlet dat die reden wel dusdanig verwijtbaar aan [werknemer] zou kunnen zijn dat het van [X] niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst nog langer voortduurt.

Bij beoordeling van de vraag of voldaan is aan de zogenaamde “e-grond” wordt getoetst aan eventueel bij de werknemer aanwezige onwil of moedwil. Die moet door de werkgever aangetoond worden. De kantonrechter stelt vast dat tegenover het verhaal van [werknemer] , dat de strekking heeft dat er sprake is van een domme vergissing, door [X] geen omstandigheden zijn aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, die daar een andere kijk op bewerkstelligen. Aan de vaststelling dat hier sprake zou zijn van onwil of moedwil van [werknemer] komt de kantonrechter dus niet toe.

4.16.

Toch is de kantonrechter uiteindelijk met [X] van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst dient te worden beëindigd. Weliswaar heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.6. geoordeeld dat sprake is van een menselijke fout maar die fout staat niet op zichzelf. [werknemer] is in het verleden reeds eerder betrokken geweest bij verdwenen geld. Dit geld is weliswaar teruggevonden, maar ook toen heeft [werknemer] er blijk van gegeven niet altijd met de meeste zorgvuldigheid met contant geld om te gaan. Nu is zelfs een groot geldbedrag verdwenen, door toedoen van [werknemer] . De kantonrechter acht het aannemelijk dat het vertrouwen in [werknemer] daardoor is verloren. Ter zitting is gebleken dat dit vertrouwen aan de zijde van [X] niet meer kan worden hersteld wat mede is ingegeven door het feit dat [werknemer] , bij een voortduren van het dienstverband, wederom grote bedragen aan contant geld in ontvangst dient te nemen. Voor [X] is dat een absoluut gepasseerd station, zodat sprake is van een duurzame vertrouwensbreuk. Het is de kantonrechter verder gebleken dat er binnen de organisatie van [X] geen andere passende functie voor [werknemer] voorhanden is.

4.17.

De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de door [X] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding opleveren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. De kantonrechter zal het verzoek van [X] toewijzen en bepalen dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, een en ander met behoud van een termijn van ten minste één maand. Aangezien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, behoeft het verzoek van [werknemer] tot wedertewerkstelling geen bespreking meer.

4.18.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat [X] aan [werknemer] een
transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van [X] is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. [X] stelt echter dat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor hij op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW geen recht heeft op een transitievergoeding. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat sprake is van een menselijke fout, niet zijnde een dringende reden of verwijtbaar handelen of nalaten. De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat deze menselijke fout eveneens niet gekwalificeerd kan worden als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW. De kantonrechter kent aan [werknemer] derhalve de gevorderde transitievergoeding ad € 16.768,12 bruto toe ex artikel 7:673 lid 2 BW.

4.19.

[werknemer] heeft verzocht aan hem een billijke vergoeding toe te kennen. Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [X] . Als ernstig verwijtbaar handelen wordt onder andere gekwalificeerd ‘het als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever ontstaan van een verstoorde arbeidsrelatie’. De wetgever heeft daarbij aangegeven dat de lat voor het toekennen van een dergelijke vergoeding hoog moet liggen en dat aan de vereisten slechts in enkele gevallen zal zijn voldaan. In het onderhavige geval acht de kantonrechter het gegeven ontslag op staande voet niet terecht maar wordt de arbeidsovereenkomst wel ontbonden op grond van het in [werknemer] verloren vertrouwen. Het is [werknemer] die daarvoor de reden heeft gegeven. Onder die omstandigheid kan niet gezegd worden dat [X] zich verwijtbaar gedragen heeft door beëindiging van de arbeidsovereenkomst na te streven, zeker niet zodanig ernstig verwijtbaar als vereist is voor het toekennen van een billijke vergoeding.

De voorlopige voorziening

4.20.

Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op de verzoeken van [X] en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen.

De proceskosten

4.21.

In de uitkomst van alle verzoeken tezamen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het op 5 april 2017 gegeven ontslag op staande voet,

5.2.

veroordeelt [X] tot betaling aan [werknemer] het bedrag van € 1.929,00 bruto per maand, vermeerderd met 2,75% loonsverhoging conform cao, vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 5 april 2017 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, vermeerdert met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening en de wettelijke verhoging,

5.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2017,

5.4.

veroordeelt [X] tot betaling van € 16.768,12 bruto terzake de wettelijke transitievergoeding, vermeerdert met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening,

5.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.6.

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor zover, uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: S.L.

coll: E.B.