Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6746

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
C/03/237108 / KG ZA 17-322
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:803, Overig
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing executoriaal derdenbeslag. Vraag of beslagene een regeling ter zake kinderalimentatie is nagekomen. Beroep op artikel 1:408 lid 1 BW. Kortgedingrechter oordeelt dat beslagene niet eigenmachtig mag bepalen dat hij geen kinderalimentatie verschuldigd is en voorts dat beslagene niet heeft voldaan aan voorwaarden voor kwijtschelding alimentatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/237108 / KG ZA 17-322

Vonnis in kort geding van 12 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.C.C.M. Nadaud;

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.G.M. Delahaije.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn een drietal kinderen geboren, te weten [naam zoon 1] , geboren op [geboortedatum 1] , [naam dochter] (verder te noemen: [naam dochter] ), geboren op [geboortedatum 2] , en [naam zoon 2] (verder te noemen: [naam zoon 2] ), geboren op [geboortedatum 3] . Partijen hebben verschillende procedures gevoerd over de betaling van alimentatie voor de kinderen.

2.2.

Die procedures hebben uiteindelijk geleid tot een handgeschreven regeling (verder te noemen: de regeling) in een procedure voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter zitting van 22 januari 2013, welke regeling is vervat in een beschikking van dat hof van 28 februari 2013. Die handgeschreven regeling houdt – voor zover te dezen van belang – het volgende in:

“1) dat de man met ingang van 1 februari 2013, bij vooruitbetaling en per bankoverschrijving op rekeningnummer [rekeningnummer] aan de vrouw zal voldoen een bijdrage van € 140,-- per maand per kind, voor de thans nog minderjarige kinderen [naam dochter] (…) en [naam zoon 2] (…), met ingang van 1 januari 2014 te verhogen met de wettelijke indexeringen.

(…)

4) dat de achterstallige bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen kinderen (alle drie) volgt uit c.q. bepaald dient te worden ingevolge de door de Rechtbank Maastricht op 17 juli 2012 onder zaaknummer 160013/ FA RK 11-365 gegeven beschikking.

5) dat de vrouw de uit sub 4 volgende achterstand zal kwijtschelden wanneer de man al het hiervoor bepaalde correct en tijdig is nagekomen t/m de datum dat [naam zoon 2] (…) 21 jaar is geworden, of indien de Rechtbank de onderhoudsverplichting van de man op enig moment onherroepelijk op een ander bedrag heeft bepaald en het aldus verschuldigde tijdig en correct heeft voldaan.

6) dat de man de door hem ingevolge het vorenstaande de verschuldigde onderhoudsbijdragen tot hun 18e levensjaar aan de vrouw zal voldoen en vanaf hun 18e levensjaar tot hun 21e levensjaar aan de kinderen zelf zal voldoen.(…)”

2.3.

[naam zoon 2] is sedert december 2015 niet meer woonachtig bij zijn moeder, maar bij zijn vader, die hem op 7 januari 2016 bij de gemeente heeft laten inschrijven als wonende aan zijn adres. In januari 2016 is [naam zoon 2] uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld. Thans woont [naam zoon 2] in Geleen.

2.4.

[gedaagde] heeft op 12 juni 2017 [eiser] de grosse van de beschikking van 28 februari 2013 van het gerechtshof laten betekenen en hem aangezegd dat hij een bedrag van € 47.259.04 verschuldigd is. Op diezelfde dag heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] op een tweetal spaarrekeningen die [eiser] bij de ING-bank aanhoudt, executoriaal derdenbeslag gelegd. De ene spaarrekening had een tegoed van € 1.213,30 en de andere van € 611,56.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in deze procedure opheffing van het executoriale derdenbeslag. Hij stelt daartoe dat hij niets aan [gedaagde] is verschuldigd, nu hij de voorwaarden waaronder de regeling, vastgelegd in de beschikking van het gerechtshof van 28 februari 2013, is overeengekomen, is nagekomen. Daaruit volgt volgens hem dat de alimentatie verschuldigd over de periode van 2003 tot 2013, die mede onderwerp van de regeling is, niet alsnog is verschuldigd. Over de jaren 2013 tot en met 2015 is de verschuldigde alimentatie volgens hem betaald. De alimentatieverplichting aan [gedaagde] voor [naam dochter] is volgens [eiser] op 11 februari 2014 beëindigd. Vanaf februari 2014 moet [eiser] de voor [naam dochter] bedoelde alimentatie aan deze zelf betalen en vanaf dat moment is [eiser] alleen nog de voor [naam zoon 2] bedoelde alimentatie verschuldigd aan [gedaagde] . Omdat [naam zoon 2] echter vanaf december 2015 zijn hoofdverblijf bij [eiser] heeft, stelt [eiser] het door [gedaagde] gevorderde bedrag over 2016, € 1.572,22, op grond van het bepaalde in artikel 1:408 BW niet verschuldigd te zijn.

3.2.

[eiser] vordert op grond van het vorenstaande dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] beveelt om het executoriale derdenbeslag dat op 12 juni 2017 is gelegd onder de INB Bank binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te heffen, subsidiair, voor het geval de in beslag genomen bedragen van € 1.213,30 en € 611,56 reeds aan [gedaagde] zijn uitbetaald, [gedaagde] beveelt deze bedragen binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] te restitueren, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat [gedaagde] niet aan het in dezen te wijzen vonnis voldoet;

  2. [gedaagde] verbiedt om de de navolgende beschikkingen:
    - beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2013, zaaknummer HV200.114.986/01;
    - beschikking van de rechtbank Maastricht van 27 juli 2012, zaaknummer 160013 / FA RK 11-365:
    - beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 oktober 2007, rekestnummer R06/01076;
    - beschikking van de rechtbank Maastricht van 18 september 2003, zaaknummer 82420/ FA RK 03-401 aan [eiser] te betekenen, dan wel ten uitvoer te leggen, zulks of straffe van een dwangsom van € 100.000,-- voor het geval [gedaagde] toch tot betekening, respectievelijk executie zal overgaan;

  3. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. De verweren van [gedaagde] worden, voor zover van belang, hierna weergegeven en beoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil draait om de vraag of [eiser] de voorwaarden in de regeling welke tussen partijen ter zitting van het gerechtshof van 22 januari 2013 is overeengekomen, en welke is opgenomen in de beschikking van het gerechtshof van 28 februari 2013, is nagekomen en of [eiser] derhalve de voorwaardelijk kwijtgescholden alimentatie over de periode van 2003 tot 2013 alsnog is verschuldigd.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] de in die regeling bedoelde voorwaarden niet alle en stipt is nagekomen. Allereerst niet ten aanzien van de alimentatieverplichtingen jegens [naam dochter] .

4.3.

[eiser] heeft niet betwist dat hij de ten behoeve van [naam dochter] verschuldigde alimentatie niet steeds in haar geheel en stipt heeft betaald. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat hij een tweetal maandelijkse alimentatietermijnen te laat heeft betaald. Hij stelt weliswaar die achterstand vervolgens te hebben ingehaald, maar dat doet niet af aan het feit dat hij wel achterstallig is geweest. Dat [gedaagde] [eiser] niet of nauwelijks zou hebben gemaand tot tijdige en volledige betaling betekent niet dat [gedaagde] moet worden geacht te hebben ingestemd met deze gang van zaken en dat zij zich derhalve niet kan beroepen op het niet vervuld zijn van een voorwaarde voor de opeising van de voorwaardelijk kwijtgescholden alimentatieverplichtingen over de jaren 2003 tot 2013.

4.4.

Daarnaast staat ook vast dat [eiser] de voor [naam zoon 2] bedoelde alimentatie vanaf januari 2016 niet heeft betaald aan [gedaagde] . [eiser] heeft dat erkend, maar heeft met een beroep op artikel 1:408 lid 1 BW betoogd dat hij geen alimentatie voor [naam zoon 2] verschuldigd was, omdat [naam zoon 2] vanaf december 2015 zijn hoofdverblijf hield bij [eiser] . [eiser] heeft verklaard er bewust voor te hebben gekozen om niet de alimentatieverplichting door de rechter te laten herzien, maar in plaats daarvan eigenmachtig de alimentatiebetaling aan [gedaagde] te hebben stopgezet in verband met het gewijzigde verblijf van [naam zoon 2] .

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet aan [eiser] is om eigenmachtig te bepalen dat hij geen alimentatie meer ten behoeve van [naam zoon 2] verschuldigd is omdat deze vanaf december 2015 bij hem verbleef en niet meer bij zijn moeder. Uit het bepaalde onder 5 van de regeling tussen partijen volgt dat [eiser] de alimentatieverplichtingen, blijkende uit het overeengekomene onder 1 van die regeling, slechts mocht verminderen (tot nihil) indien de rechtbank de onderhoudsverplichting van [eiser] op enig moment onherroepelijk op een ander bedrag (op nihil) heeft bepaald. Een dergelijke bepaling is echter niet door een rechter gegeven.

4.6.

Dat [eiser] thans de voor [naam zoon 2] verschuldigde alimentatie rechtstreeks aan [naam zoon 2] is verschuldigd, nu deze inmiddels 18 jaar is, en [naam zoon 2] met zijn vader overeenstemming heeft bereikt over de betaling van de verschuldigde alimentatie door zijn vader aan hem, is niet relevant. Op het moment dat [eiser] is gestopt met het betalen van de alimentatie bedoeld voor [naam zoon 2] , in januari 2016, was [naam zoon 2] nog geen 18 jaar oud. [gedaagde] had toentertijd een vordering jegens [eiser] ter zake de betaling van alimentatie ten behoeve van [naam zoon 2] . Bovendien volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de regeling dat [eiser] zich verplichtte de ingevolge diezelfde regeling verschuldigde alimentatieverplichtingen te voldoen (tot aan het 18e levensjaar van [naam dochter] en [naam zoon 2] aan [gedaagde] , en nadien aan [naam dochter] en [naam zoon 2] rechtstreeks). De hoogte van de verschuldigde alimentatie volgt uit hetgeen in artikel 1 van die regeling is bepaald, en derhalve niet uit wat eventueel afwijkend daarvan tussen [eiser] en de alimentatiegerechtigde is afgesproken.

4.7.

Daaruit volgt dat [eiser] ook ten aanzien van de alimentatieverplichting jegens [naam zoon 2] tekort is geschoten en niet heeft voldaan aan de voorwaarden uit de regeling. Dat betekent dat die regeling, behelzende de kwijtschelding van de door [eiser] verschuldigde alimentatie, als vastgesteld bij het vonnis van 17 juli 2012 (zaaknummer 160013 / FA RK 11-365) van deze rechtbank, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is komen te vervallen en dat die verschuldigde alimentatie alsnog door [eiser] is verschuldigd. In verband met de verschuldigdheid daarvan was [gedaagde] derhalve ook gerechtigd het omstreden executoriale derdenbeslag te leggen ter inning van het verschuldigde.

4.8.

De vordering tot opheffing van dat beslag, dan wel tot restitutie van hetgeen reeds aan [gedaagde] zou zijn uitgekeerd, moet derhalve worden afgewezen.

4.9.

Het sub 2 gevorderde verbod om de daarin genoemde beschikkingen aan [eiser] te betekenen moet worden afgewezen. Deze vordering is niet onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het recht. Voor zover executie van de bedoelde beschikkingen (nog) vereist dat deze eerst op de door de wet voorgeschreven wijze worden betekend, levert het feit dat deze worden betekend terwijl vast zou staan dat deze beschikkingen niet kunnen worden geëxecuteerd, geen handeling in strijd met een wettelijke of contractuele verplichting op.

4.10.

Het gevorderde verbod van executie van de bedoelde beschikkingen moet al daarom worden afgewezen, nu dat gevorderde verbod, behoudens ten aanzien van de beschikking van het gerechtshof van 28 februari 2013, niet is onderbouwd.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 78,--;

- salaris advocaat € 816,--;

Totaal € 894,--.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 894,--;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling en de nakosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT