Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6666

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
AWB 16/2236 en AWB 16/2098
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: kruimelvrijstelling, belanghebbende, bebouwde kom, wijziging stedelijke ontwikkeling, leegstand.

Betreft beroepen van 49 winkeliers en 2 vastgoedeigenaren tegen een omgevingsvergunning voor de vestiging van een sportwinkel op een bedrijventerrein voor maximaal 5 jaar. De rechtbank is van oordeel dat de vastgoedeigenaren geen belanghebbende zijn bij het primaire besluit omdat de verhuurbaarheid van hun panden door de verlening van de omgevingsvergunning niet nadelig wordt beïnvloed. Van de ondernemers die bezwaar hebben gemaakt, zijn alleen de (drie) concurrerende ondernemingen die in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied actief zijn, belanghebbende. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo, in verbinding met artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen omdat het project binnen de bebouwde kom is gelegen en geen sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank is verder van oordeel dat door het verlenen van de omgevingsvergunning het ondernemersklimaat niet onaanvaardbaar zal worden aangetast door een toename van leegstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/2098 en 16/2236

Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaken tussen

AWB 16/2098: Matchpoint Sports, te Geleen, en 48 anderen, gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. W.J. Dols),

AWB 16/2236: Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund en N.V. Interpolis Onroerend Goed, eiseressen,

(gemachtigde: mr. I. Haverkate)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,

(gemachtigden: mr. R. Schoffeleers en drs. J.C. Jansen Venneboer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Gardenz B.V., te Maastricht,

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 (het besluit op aanvraag) heeft verweerder aan Gardenz B.V. (vergunninghouder) een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de vestiging van een sportwinkel voor de duur van maximaal vijf jaar op de locatie [adres locatie] .

Eisers en eiseressen hebben tegen het besluit op aanvraag bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport ontvankelijk en ongegrond verklaard. Het namens de overige eisers gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar van Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund heeft verweerder ontvankelijk en ongegrond verklaard. Het bezwaar van N.V. Interpolis Onroerend Goed heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers en eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Van eisers is [naam 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door drs. H.E.J. Theelen van Adviesbureau Theelen. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voor Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund is tevens [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 18 november 2015 bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag ziet op een gebruik van het winkelpand/bedrijfspand aan de [adres locatie] ten behoeve van detailhandel in sportartikelen.

2. Verweerder heeft dat gebruik in strijd bevonden met de voorschriften van het ter plaatse geldend bestemmingsplan “Huis- en tuinboulevard” dat op 30 april 2014 is vastgesteld. Bij het besluit op aanvraag heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2˚, van de Wabo in verbinding met artikel 2.23 van de Wabo en artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor het project een omgevingsvergunning verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de daartegen door eisers en eiseressen gemaakte bezwaren deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Beoordeling ontvankelijkheid

3. De rechtbank overweegt naar aanleiding van de beroepen van eiseressen met het procedurenummer AWB 16/2236 als volgt.

4. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of eiseressen als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt.

5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft de eis van belanghebbendheid gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang aanwezig zijn dat door het besluit rechtstreeks wordt geraakt (zie onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
13 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA9807 en van 13 april 2005, ECLI:NL:RVS: 2005:AT4173). Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund (Achmea) is eigenaar van het winkelcentrum Makado in Beek en verhuurt een winkelruimte van ongeveer 125 m² aan een Aktiesport-winkel. Het moederbedrijf is weliswaar failliet verklaard, maar in verband met een doorstart is er een outlet in gevestigd en bij de behandeling ter zitting is door de gemachtigde van Achmea verklaard dat Aktiesport is overgenomen en dat de sportwinkel ter plaatse gevestigd blijft. N.V. Interpolis Onroerend Goed (Interpolis) is eigenaar van het pand Voorstad 5 te Sittard, waarin voorheen de sportwinkel Intersport De Bruyn was gevestigd. Dat bedrijf is begin 2016 failliet verklaard en heeft de bedrijfsactiviteiten in mei 2016 beëindigd. Volgens de verklaring van verweerders gemachtigde ter zitting is die winkelruimte vrij recent verhuurd aan een dierenwinkel.

6. De rechtbank overweegt dat Achmea en Interpolis hun belanghebbendheid baseren op de omstandigheid dat zij een bedrijfsruimte aan een onderneming hebben (of hadden) verhuurd die in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is (Aktiesport en Intersport de Bruijn) als de vergunninghouder. De omgevingsvergunning maakt de vestiging mogelijk van een sportwinkel met een vloeroppervlak van circa 1.600 m² die zich op een regionaal verzorgingsgebied richt. De rechtbank stelt voorop dat voor zover de huurders als concurrenten van vergunninghouder nadeel kunnen ondervinden van de vestiging van Intersport Gardenz, hetgeen nadelig kan zijn voor de verhuurder, sprake is van een afgeleid belang van Achmea en Interpolis. Zij kunnen als eigenaar/verhuurder daaraan geen rechtstreeks belang ontlenen en kunnen om die reden niet als belanghebbende worden aangemerkt.

Beoordeeld moet worden of voldoende aannemelijk is geworden dat de vermogenspositie van Achmea en Interpolis door het verlenen van de onderhavige omgevingsvergunning in nadelige zin zal worden beïnvloed en of zij daarom een rechtstreeks bij de omgevingsvergunning betrokken belang hebben. Dit kan aan de orde zijn indien de verhuurbaarheid van hun panden door de verlening van de omgevingsvergunning nadelig wordt beïnvloed. De rechtbank stelt in dit verband vast dat zowel de bedrijfsruimte in de Makado, waar de sportwinkel van Aktiesport is gevestigd, als de bedrijfsruimte aan de Voorstad 5 te Sittard, waarin thans een dierenwinkel is gevestigd, een algemene detailhandelsbestemming hebben en dat deze ruimtes voor alle vormen van detailhandel kunnen worden verhuurd en daarvoor ook bouwkundig geschikt zijn. Verder is gesteld, noch gebleken dat Achmea en Interpolis zich als vastgoedeigenaar voor de invulling van genoemde panden specifiek richten op de verhuur aan bedrijven in hetzelfde marktsegment als de initiatiefnemer van het onderhavige project. Nu ook niet anderszins aannemelijk is gemaakt dat de vermogenspositie van Achmea en Interpolis als eigenaren van de door hen verhuurde panden op andere wijze nadelig zal worden beïnvloed, kwalificeren zij beide niet als belanghebbende bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van Interpolis terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond.

8. Het bezwaar van Achmea heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep met procedurenummer AWB 16/2236 van Achmea is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar van Achmea ontvankelijk en ongegrond is verklaard. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van Achmea niet-ontvankelijk wordt verklaard.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan Achmea het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door Achmea gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).

11. Ten aanzien van het beroep dat namens Matchpoint Sports te Geleen en 48 anderen is ingesteld (AWB 16/2098) overweegt de rechtbank het volgende.

12. De rechtbank dient ten aanzien van deze eisers eveneens te beoordelen of zij belanghebbende zijn bij de verleende omgevingsvergunning.

13. Verweerder heeft het bezwaar dat namens Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport is gemaakt, ontvankelijk geacht. Het bezwaar van de overige eisers heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

14. Namens eisers is ter zitting aangevoerd dat alle eisers belanghebbende zijn omdat er sprake is van aanzienlijke leegstand in de centra van Sittard en Geleen. Eisers vinden het onbegrijpelijk dat zij er niet tegen kunnen opkomen dat verweerder de vestiging van een sportwinkel buiten de centra van Geleen en Sittard faciliteert, terwijl die volgens eisers de doodsteek is voor de nog bestaande sportwinkels en daardoor tot nog meer leegstand en een verdere verslechtering van het ondernemersklimaat zal leiden.

15. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij besluiten als het onderhavige slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als de bedrijvigheid die door de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0085 en 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2897).

16. De rechtbank stelt vast dat van alle 49 eisers alleen de in r.o. 13 genoemde winkels een concurrerende onderneming in hetzelfde marktsegment en hetzelfde verzorgingsgebied als vergunninghouder exploiteren. Voor het aannemen van belanghebbendheid is dan voldoende dat het besluit tot vergunningverlening tot omzetverlies bij hen kan leiden. Of concurrentiebelangen bij het nemen van dat besluit een rol kunnen spelen, is voor wat betreft de bepaling van de belanghebbendheid verder niet relevant.

17. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht alleen de namens genoemde sportwinkels gemaakte bezwaren ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en de vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft verweerder tevens de bezwaren van de overige eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. Wet en jurisprudentie geven geen ruimte voor een andere beslissing. De beroepsgrond slaagt niet.

Inhoudelijke beoordeling

18. Namens Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport is aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor voor het project een omgevingsvergunning te verlenen omdat het gebouw waarin Intersport Gardenz is gevestigd niet binnen de bebouwde kom is gelegen.

19. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, in aanmerking: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij de bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.

20. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraken van de Afdeling van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1515 en 18 november 2015, ECLI: NL:RVS:2015:3546) kan het begrip bebouwde kom worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18). Aldus moet de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen, worden beantwoord aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval.

21. Het bedrijf van vergunninghouder is gelegen op het Retail Park Gardenz (het Retailpark) in Geleen ten zuiden van de Urmonderbaan. Ten zuiden van het Retailpark ligt de woonwijk Lindenheuvel. De bebouwing van Lindenheuvel sluit aan de oostkant bij de Einighauserweg vrij dicht aan op het gebouw van Hornbach dat onderdeel uitmaakt van het Retailpark. Daartussen is alleen een relatief smalle groenbuffer gelegen. Tussen de rest van de wijk Lindenheuvel, gelegen ten zuiden van de Bosweg, en het Retailpark ligt een bredere groenstrook, de Hof van Limburg, die deels als natuurcompensatie voor het Retailpark is aangelegd en dient ter vergroening van de wijk Lindenheuvel. Ten noorden van de Urmonderbaan liggen ter hoogte van het Retailpark, behoudens de bebouwing van Einighausen, agrarische gronden.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het perceel is gelegen in een gebied dat overwegend een woon- en verblijfsfunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen en verblijven. De rand van het Retailpark, waar Hornbach is gevestigd, sluit aan bij de woningen van Lindenheuvel. De enkele omstandigheid dat de afstand tot het deel van de wijk Lindenheuvel dat ten zuiden van de Bosweg ligt, daar groter is in verband met de aanleg van de Hof van Limburg, maakt niet dat het Retailpark buiten de bebouwde kom van Lindenheuvel is gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.

23. Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport hebben aangevoerd dat de kruimelgevallenregeling, gelet op artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor, niet van toepassing is omdat sprake is van een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Verweerder was daarom gehouden de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen, aldus deze eisers.

24. Ingevolge artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor is artikel 4, onderdeel 9 (en 11) niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage (mer).

25. De Nota van Toelichting bij de wijziging van het Bor (Staatsblad 2014/333, p. 58) luidt als volgt: “Bij dit onderdeel is aan artikel 5 een nieuw zesde lid toegevoegd. Hierin worden van de toepassing van artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II bij het Bor, zoals bij dit besluit gewijzigd, bepaalde activiteiten uitgezonderd. De strekking van artikel 5, zesde lid, is dat als een activiteit daaronder valt, op de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van die activiteit, niet de reguliere voorbereidingsprocedure maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Er is dan sprake van een geval waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend.

De uitgezonderde activiteiten zijn de activiteiten, bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer. Dit zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige activiteiten in kolom 1 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit mer. Bij het formuleren van deze uitzonderingsbepaling is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit. Dit is geregeld in de kolommen 2 en 4 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit mer. Ook is ingeval van een mer-beoordelingsplicht geabstraheerd van de vraag of het bevoegd gezag ook feitelijk heeft besloten dat een MER moet worden gemaakt. Hiermee wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijk criterium geboden om te bepalen of artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II al dan niet van toepassing is.”

26. Uit voormelde Nota van Toelichting leidt de rechtbank af dat slechts kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer voor de toepassing van artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor relevant is. De rechtbank ziet een bevestiging van die conclusie in de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Afdeling van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3279.

27. In kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer zijn de activiteiten aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Ingevolge artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit mer wordt in de bijlage onder wijziging verstaan: een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen.

28. De Afdeling heeft bij uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694 over het begrip “stedelijk ontwikkelingsproject”, als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, geoordeeld dat dit begrip ruimte voor interpretatie laat en er mede daardoor discussie kan ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. De Afdeling legt artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit mer niet zo uit dat iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, moet worden aangemerkt als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

29. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige project inhoudt dat er tijdelijk wordt afgeweken van de voorschriften van het bestemmingsplan “Huis- en tuinboulevard” die zien op de ter plaatse toegelaten branches woninginrichting, doe-het-zelf en tuincentra. Ingevolge artikel 4.4.e van het bestemmingsplan mag de oppervlakte van branche-vreemde producten, zoals sportartikelen, niet meer bedragen dan 10% van het bruto vloeroppervlak (bvo) tot een maximum van 250 m² met een maximale oppervlakte van 100 m² per branchegroep. In het onderhavige geval wordt ongeveer 1.650 m² bvo toegelaten. Het aantal vierkante meters, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is minder dan het aantal van 1.974 m² bvo dat rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan in de wel toegestane branche is toegelaten. Verder is van belang dat onbestreden is dat de ruimtelijke impact, waaronder de milieueffecten van een sportwinkel, niet afwijkt van die van een winkel in de toegelaten branches. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject die aan toepassing van artikel 4, negende onderdeel van bijlage II bij het Bor in de weg staat. Verweerder was dan ook niet gehouden de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet hierop laat de rechtbank verder onbesproken of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit op deze grond in de weg zou hebben gestaan.

30. Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport hebben aangevoerd dat in de besluitvorming onvoldoende is ingegaan op de effecten die de vestiging van Intersport Gardenz heeft op de leegstand in de centra van Sittard en Geleen. Zij betogen dat het besluit is gebaseerd op onjuiste gronden uit één – in opdracht van de aanvrager van de omgevingsvergunning opgesteld – eenzijdig BRO-rapport, dat door verweerder niet op juistheid is gecontroleerd. Ter onderbouwing van het standpunt dat het BRO-rapport op onjuiste gegevens is gebaseerd is in beroep het rapport “Onderzoek naar DPO-berekening “Onderbouwing tijdelijke vestiging Intersport Gardenz te Geleen”” van 1 september 2016 van Adviesbureau Theelen (het rapport Theelen) overgelegd. Volgens dat rapport wordt in het BRO-rapport een veel te rooskleurig beeld geschetst van de sportbranche in Sittard-Geleen en is BRO van onjuiste aanbodgegevens en inwoneraantallen uitgegaan. Verder is volgens het rapport Theelen geen rekening gehouden met de invloed van internetverkopen en is ten onrechte een regionale in plaats van een lokale marktruimteberekening gemaakt. De distributie-planologische onderbouwing is daarom gebrekkig. Bij de behandeling ter zitting is nog aangevoerd dat Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport alle omzetverlies hebben geleden na de vestiging van Intersport op Gardenz. Verder is betoogd dat alleen Matchpoint Sports kan overleven en dat Sportshop Schmetz en Wilsport binnenkort hun bedrijf zullen moeten beëindigen.

31. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing om al dan niet af te wijken van een bestemmingsplan tot de bevoegdheden van verweerder behoort waarbij deze beleidsvrijheid heeft. De rechtbank dient deze beslissing dan ook terughoudend te toetsen, dat wil zeggen dat zij zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4771). Een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo is in het onderhavige geval niet vereist, nu met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo een omgevingsvergunning is verleend. De in het Bro neergelegde toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is in een geval als dit niet wettelijk voorgeschreven. Dat neemt niet weg dat de verlening van een omgevingsvergunning als hier aan de orde niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dat verband ligt ter beoordeling voor of verlening van de omgevingsvergunning leidt tot een onaanvaardbare structurele aantasting van het (woon-, leef- en) ondernemersklimaat door toename van leegstand.

32. Naar aanleiding van de in het rapport Theelen geplaatste kanttekeningen bij de door BRO gehanteerde gegevens en methode om de marktruimte te berekenen, overweegt de rechtbank dat verweerder kan worden gevolgd in zijn, in navolging van het rapport van BRO ingenomen standpunt, dat sprake is van een regionale sportzaak en dat daarom ook een regionale benadering en geen lokale benadering om de marktruimte te bepalen dient te worden gevolgd. Daarbij zijn op goede gronden de in het rapport Theelen vermelde speciaalzaken die hengelsport- en ruitersportartikelen aanbieden buiten beschouwing gelaten omdat Intersport Gardenz niet op die markt actief is. Dat geldt eveneens voor de sportzaken van genoemde eisers. Verder is ter zitting toegelicht dat er weliswaar een groei in internetbestedingen aan sportartikelen valt waar te nemen, maar dat dit deels ook als omzet van de bestaande winkels wordt verantwoord en dat het niet goed mogelijk is om het internetaandeel uit te filteren. Daarbij komt dat de bestedingen voor sportartikelen een groei laten zien. De sportbranche is in algemene zin een groeimarkt en de omzet van sportwinkels is met ongeveer 1% gestegen ondanks de groei van verkoop via internet. Om die reden is bij de raming van de marktruimte geen correctie in verband met internetverkoop toegepast. Er is wel behoudend omgegaan met de prognose dat van een groeisector sprake is. De rechtbank acht die benadering niet onjuist. Verweerder heeft verder ook gereageerd op de kritiek in het rapport Theelen ten aanzien van het gehanteerde aantal vierkante meters verkoopvloeroppervlak in de branche en die deels weerlegd. Voor zover er op dat punt en de ontwikkeling van de inwoneraantallen in het rapport BRO al sprake is van niet geheel juiste parameters, zijn de verschillen niet zodanig groot dat op basis daarvan kan worden gezegd dat verweerder zijn besluitvorming niet op het rapport van BRO mocht baseren. Uit het rapport BRO blijkt dat er regionaal een markruimte is voor nieuw aanbod van netto

+ 2.900 m² winkelvloeroppervlak. In elk geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er marktruimte is voor het project en dat als gevolg van de verlening van de onderhavige omgevingsvergunning het ondernemersklimaat in Sittard-Geleen niet onaanvaardbaar zal worden aangetast door een toename van leegstand. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet hierop laat de rechtbank verder onbesproken of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit op deze grond in de weg zou hebben gestaan.

33. Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport hebben aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met provinciaal beleid (het POL 2014) en het gemeentelijk beleid, neergelegd in de Retailstructuurvisie Sittard-Geleen 2008, is genomen. In het POL is bepaald dat winkels in principe niet op bedrijventerreinen thuishoren behalve als het volumineuze artikelen of brand- en explosiegevaarlijke goederen betreft. Een sportwinkel hoort volgens het POL bij uitstek thuis in de stadscentra. In het gemeentelijk beleid is (eveneens) bepaald dat op het bedrijventerrein Gardenz alleen grootschalige winkels in de branches woninginrichting, tuin en doe-het-zelf zijn toegestaan. Dat beleid is vertaald in het bestemmingsplan “Huis- en tuinboulevard” dat vrij recent is vastgesteld. Volgens genoemde eisers zal de ontwikkeling van de sportzone bij het Fortunastadion niet van de grond komen nu daar tot nu toe maar één detailhandelszaak, Wilma Running, is gevestigd en zal Intersport daar nooit terechtkomen. Daarom is er geen goede reden om Intersport een tijdelijke vestiging op Gardenz toe te staan, aldus genoemde eisers.

34. Verweerder heeft de afwijking van de hiervóór geformuleerde beleidsuitgangspunten gemotiveerd door te benadrukken dat in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat er voor het onderhavige project geen geschikte alternatieve locatie en/of vastgoed beschikbaar is mede vanwege de benodigde fysieke ruimte, de nabijheid van andere winkels en bereikbaarheid per auto. Omdat verweerder wil dat er uiteindelijk wel aansluiting wordt gezocht bij de beleidsmatig gewenste detailhandelsstructuur, is een tijdelijke vestiging op Gardenz voor 5 jaar vergund en is via een privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd dat Intersport daarna – in afwachting van de ontwikkeling van de sportzone bij het Fortunastadion – naar die locatie verplaatst.

35. De rechtbank overweegt dat niet een door verweerder ambtshalve genomen besluit ter toetsing voorligt, maar een besluit op aanvraag. Verweerder dient in beginsel op de aanvraag te beslissen zoals die door de initiatiefnemer is ingediend. Zoals de rechtbank hiervóór heeft overwogen, heeft verweerder toereikend gemotiveerd waarom in het onderhavige geval ten behoeve van de realisering van het project tijdelijk van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. De omstandigheid dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat Intersport zich daadwerkelijk na 5 jaar op de Sportzone zal vestigen, betekent niet dat verweerder om die reden de aanvraag had moeten afwijzen. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet.

36. Matchpoint Sports, Sportshop Schmetz en Wilsport hebben ten slotte nog aangevoerd dat wethouder Lebens heeft toegezegd dat aan een project als het onderhavige geen medewerking zou worden verleend zonder overleg met de ondernemers in Sittard-Geleen. Door desondanks medewerking te verlenen aan dit project handelt verweerder in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur volgens genoemde eisers.

37. Door genoemde eisers wordt een beroep op strijd met het vertrouwensbeginsel gedaan. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat verweerder terzake concrete en ondubbelzinnige mededelingen heeft gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Mondelinge mededelingen van een wethouder, daargelaten wat deze mededelingen inhielden, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 2 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6647 en van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:331). Niet is gebleken dat namens verweerder ondubbelzinnig is toegezegd dat aan een project als het onderhavige slechts medewerking kan worden verleend indien de plaatselijke ondernemers daarover vooraf zijn geïnformeerd. Daar komt bij dat de initiatiefnemer een gerechtvaardigd belang heeft dat zijn aanvraag conform de daarvoor geldende wettelijke bepalingen wordt beoordeeld. Daarin is geen informatieplicht van lokale ondernemers/concurrenten vastgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

38. Op grond van voorgaande overwegingen is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het namens Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund gemaakte bezwaar ontvankelijk en ongegrond is verklaard;

- verklaart het namens Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,00 aan Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Stichting Achmea Dutch Retail Property Fund tot een bedrag van € 990,00;

- verklaart het beroep van N.V. Interpolis Onroerend Goed ongegrond;

- verklaart het beroep van Matchpoint Sports en 48 anderen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzitter, en mr. R.M.M. Kleijkers, en mr. J.M.E. Kessels, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.