Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6623

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
5764713 CV EXPL 17-1972
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur 290-bedrijfsruimte. Bestemming gewijzigd? Onrechtmatige daad/ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 5764713 CV EXPL 17-1972

Vonnis van 5 juli 2017

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonend te [woonplaats 1] aan de [adres 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R. Jacobs

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] , aan de [adres 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde S.F.M. Moonen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeslissing waarbij een comparitie van partijen is gelast en waarbij aan [eiser] is verzocht om voorafgaand aan de comparitie nog schriftelijk te reageren op het primaire verweer van [gedaagde] .

  • -

    de schriftelijke reactie van [eiser] op het primaire verweer

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie d.d. 11 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt vanaf enig moment (volgens [eiser] in zijn exploot onder punt 1 vanaf 1 januari 2006 en volgens [gedaagde] onder punt 35 van het antwoord vanaf

1 november 2000) de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] tegen een huurprijs van laatstelijk € 300,00 per maand. Partijen zijn het er over eens dat productie 1 bij het antwoord, zijnde een door beide partijen ondertekende akte, de huurovereenkomst is. De akte is gedateerd op 25 september 2000. De huurovereenkomst bevat onder meer de volgende passage:

Bij deze bevestigt ondergetekende [rb: [gedaagde] ], dat hij aan u [rb: [eiser] ] heeft verhuurd een winkelruimte, gelegen [adres 3] [vestigingsplaats] . De winkel zal alleen bestemd zijn voor de verkoop van kado-artikelen en aanverwante artikelen in de ruimste zin. Bij verkoop van andere goederen, zonder toestemming van de eigenaar, zal het huurkontrakt terstond verbroken worden.

2.2.

[eiser] heeft in het gehuurde een kleinhandelsbedrijf geëxploiteerd dat zag op de verkoop van telecommunicatieapparatuur en detailhandel in telefoonaccessoires.

2.3.

Vanaf 1 maart 2009 verhuurt [eiser] het gehuurde (althans in ieder geval een deel daarvan) onder aan [naam onderhuurder] , die er een kapperszaak in runt. De overeengekomen huurprijs (tussen [eiser] als verhuurder en [naam onderhuurder] als huurder) is € 650,00 per maand.

2.4.

Uit het verhandelde ter zitting in combinatie met de stellingen van partijen in het exploot en het antwoord blijkt dat onderhuurder [naam onderhuurder] vanaf 1 januari 2016 de aan [eiser] verschuldigde huur (€ 650,00 per maand) niet meer betaalt alsook dat [eiser] vanaf datzelfde moment de door hem aan de verhuurder verschuldigde huur (€ 300,00 per maand) niet meer betaalt.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert:

  • -

    om voor recht te verklaren dat de onderhuurovereenkomst tussen hem en [naam onderhuurder] rechtsgeldig is, dan wel dat hij niet in strijd met de huurovereenkomst handelt noch in strijd met de wet door onder te verhuren,

  • -

    de veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 4.200,00 aan teveel ontvangen huur over twaalf maanden, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening, alsmede tot betaling van € 545,00 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten,

  • -

    de veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot het staken en gestaakt houden van het onrechtmatig afsluiten van de stroom- en/of watervoorziening(en) betreffende het gehuurde zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat hij daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,00,

  • -

    de veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] beroept zich er op dat de bestemming van het gehuurde - in zijn optiek - niet is gewijzigd omdat het nog steeds (zowel de telecomwinkel als thans de kapperszaak) een “290” bestemming heeft (art. 7:290 BW).

Ter zake van de door [gedaagde] teveel ontvangen huur beroept hij zich op ongerechtvaardigde verrijking alsook op onrechtmatige daad. Onderhuurder [naam onderhuurder] betaalt vanaf januari 2016 € 650,00 per maand aan [gedaagde] , waarmee [gedaagde] per maand voor € 350,00 wordt verrijkt, aldus [eiser] .

Voorts sluit [gedaagde] volgens [eiser] vanaf 2014 geregeld de stroom af van het gehuurde.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] voert als primair verweer dat hij sinds 24 december 2014 het gehuurde in eigendom heeft overgedragen aan zijn zoon en zijn dochter en dat hijzelf derhalve vanaf dat moment niet meer de verhuurder is. De kantonrechter zal dit verweer niet beoordelen, gelet op hetgeen zij hierna zal overwegen.

4.2.

Vast staat dat de bestemming van het gehuurde in de huurrelatie tussen [gedaagde] en [eiser] de verkoop van kado-artikelen en aanverwante artikelen in de ruimste zin is. [eiser] heeft in weerwil hiervan toegestaan dat zijn onderhuurder [naam onderhuurder] er een kapperszaak in is begonnen. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is. Dat [gedaagde] ooit (impliciet dan wel expliciet) toestemming heeft gegeven voor die bestemmingswijziging, zoals de huurovereenkomst uitdrukkelijk vereist, is door [gedaagde] gemotiveerd betwist en is door [eiser] daarna op geen enkele wijze nader onderbouwd.

4.3.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 4.200,00 wordt als volgt overwogen. In de eerste plaats heeft te gelden dat [gedaagde] betwist dat hij vanaf januari 2016 gelden heeft ontvangen (punt 4.1. en punt 5.2. van het antwoord), zodat het op de weg van [eiser] had gelegen om bewijs van die gestelde betalingen door [naam onderhuurder] aan [gedaagde] bij te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten. Dat die betalingen zijn gedaan is in deze procedure dan ook niet vast komen te staan. Reeds hierom zal de vordering worden afgewezen.

Hierbij komt dat, indien het al zo is dat [naam onderhuurder] bedragen ter hoogte van de door hem aan [eiser] verschuldigde huur - om hem moverende redenen - aan [gedaagde] is gaan betalen, daar nog geenszins een ongerechtvaardigde verrijking uit volgt waar [eiser] zich op kan beroepen. [gedaagde] is dan immers verrijkt ten koste van [naam onderhuurder], niet ten koste van [eiser] , en [eiser] is dan niet verarmd door [gedaagde] maar door [naam onderhuurder] , die immers de huur niet meer betaalt. De vraag waarom [eiser] er niet simpelweg voor heeft gekozen om de onbetaald gelaten huur van [naam onderhuurder] te vorderen, hetgeen immers alleszins voor de hand lag, blijft onbeantwoord.

Ook de andere grondslag (onrechtmatige daad) kan - wederom: uitgaande van betalingen door [naam onderhuurder] aan [gedaagde] - de vordering niet dragen. Volgens [eiser] handelt [gedaagde] onrechtmatig door een inbreuk te maken op “diens recht om de huurpenningen van [naam onderhuurder] te ontvangen”. Daarvan zou sprake kunnen zijn indien vast was komen staan dat [gedaagde] [naam onderhuurder] er op onrechtmatige wijze toe heeft bewogen om géén huur meer aan [eiser] te betalen, doch daaromtrent is veel te weinig gesteld. De stellingen van [eiser] volgend, heeft [gedaagde] [naam onderhuurder] ertoe bewogen om aan hem geldbedragen te betalen (hetgeen dan niet ten titel van huur kan zijn geweest, want er bestaat tussen die twee geen huurrelatie). Dat [gedaagde] [naam onderhuurder] er óók toe heeft bewogen om de huurbetaling aan [eiser] te stoppen, is echter niet eens gesteld door [eiser] .

4.4.

[gedaagde] heeft bij antwoord betwist dat hij geregeld de stroom afsluit en over dit onderdeel van de vordering heeft [eiser] daarna geen woord meer gerept, zodat het verweer slaagt. Ook deze vordering zal worden afgewezen.

4.5.

Nu de hoofdsommen worden afgewezen, volgen de nevenvorderingen dat lot.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 400,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00,

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en is in het openbaar uitgesproken.

RK