Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6614

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
6055046 CV EXPL 17-4958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering over een beperkte periode in kort geding afgewezen. Onvoldoende duidelijk of werkgever ten onrechte loon inhield, nu werknemer geen medewerking verleende aan de evaluatie van het plan van aanpak. 7:629 lid 3 sub e.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4282
AR-Updates.nl 2017-1013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 6055046 CV EXPL 17-4958

Vonnis van 7 juli 2017

in het kort geding van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.C.C.M. Nadaud

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde [naam gemachtigde] .

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 14 juni 2017

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 26 juni 2017, waar mr Loeffen aan de hand van een pleitnota verweer heeft gevoerd, en waarbij door mr. Nadaud nog een productie - zijnde een nog diezelfde ochtend door het UWV vervaardigde periodieke evaluatie aangaande [eiser] - in het geding is gebracht,

  • -

    de brief van de kantonrechter aan partijen d.d. 27 juni 2017, waarin te kennen is gegeven dat de zaak zal worden aangehouden totdat de meest gerede partij het deskundigenoordeel van het UWV (dat door [eiser] reeds op 10 mei 2017 was aangevraagd, zo had hij ter zitting verklaard) in het geding brengt,

  • -

    een op 3 juli 2017 ter griffie ontvangen faxbericht van de zijde van [gedaagde] met daarbij brieven van het UWV en een arbeidsdeskundig rapport d.d. 27 juni 2017

  • -

    een op 4 juli 2017 ter griffie ontvangen brief van de zijde van [eiser] gedateerd op 3 juli 2017, met daaraan gehecht een brief van het UWV gedateerd op 28 juni 2017 met als bijlagen een verzekeringsgeneeskundig rapport d.d. 15 juni 2017 en een arbeidsdeskundig rapport van 27 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] werkt sinds vijf jaar krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [gedaagde] in de functie van tankstation medewerker.

2.2.

[eiser] is vanaf 21 december 2016 tot op heden onafgebroken arbeidsongeschikt wegens ziekte. Ter zitting heeft hij desgevraagd (de overgelegde stukken geven er geen inzicht in) verklaard dat het gaat om - kort gezegd - een psychische depressie.

2.3.

Bedrijfsarts Koene spreekt in zijn “Probleemanalyse en advies” van 12 januari 2017 (productie 4) over “afstemmingsproblematiek” tussen werkgever en werknemer en stelt onder meer:

Ik adviseer tevens om het conflict met elkaar op te lossen. Een mediator kan hierin ondersteuning bieden.

2.4.

In de “Periodieke evaluatie” d.d. 4 april 2017 adviseert bedrijfsarts Henssen onder meer:

Mijn advies is dat werknemer en werkgever bezien of mediation ingezet wordt. Eventueel kan ook voor exitmediation gekozen worden (…).

Expliciet wil ik vermelden dat medisch gezien werknemer door mij in staat geacht wordt om belangstellend en constructief contact te hebben met de werkgever over de voortgang van het verzuim. Uiteraard kunnen werknemer en werkgever er samen voor kiezen om de communicatie via de advocaat te laten lopen.

2.5.

Bij brief van 13 april 2017 (productie 13) heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] medegedeeld dat [gedaagde] [eiser] op korte termijn zal uitnodigen ter evaluatie van het zogenoemde “Plan van aanpak” (productie 11).

2.6.

Op 18 april 2017 geeft de gemachtigde van [eiser] per e-mailbericht aan de gemachtigde van [gedaagde] - onder meer - het volgende te kennen:

In aansluiting op het advies van de bedrijfsarts kiest mijn cliënt ervoor om de communicatie via ondergetekende te laten verlopen.

2.7.

Op enig moment daarna nodigt [gedaagde] [eiser] uit voor een bespreking op 21 april 2017 teneinde het plan van aanpak (de re-integratie) te evalueren. Daarbij is door [gedaagde] medegedeeld dat indien [eiser] niet op het gesprek verschijnt, het loon vanaf die dag niet zal worden uitbetaald.

2.8.

[eiser] is niet ingegaan op genoemde uitnodiging van [gedaagde] , waarna [gedaagde] vanaf 21 april 2017 het loon niet meer doorbetaalt.

2.9.

[naam klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog en psychotherapeut, heeft op 21 april 2017 een brief geschreven (onduidelijk is aan wie) waarin zij het navolgende over [eiser] schrijft:

Sinds kort wordt bovengenoemde cliënt, de heer [eiser] gezien in onze praktijk in verband met psychische klachten.

Gezien de emotionele instabiliteit en psychisch onwelzijn, bevelen wij aan onderhandelingen met werkgever niet direct te laten plaats vinden tussen cliënt en werkgever maar onder begeleiding van een neutraal en daartoe bevoegd persoon.

2.10.

Op 1 mei 2017 schrijft bedrijfsarts Henssen in haar “Periodieke evaluatie” onder meer:

Mijnheer [eiser] geeft aan dat hij op medische gronden geen gesprek in kan gaan met zijn werkgever. Ik acht hem daartoe wel medisch geschikt. Mocht men op voorhand menen er samen niet goed uit te kunnen komen, dan kan de hulp van mediation worden ingezet. Ik heb mijnheer [eiser] uitgelegd dat als hij het niet eens is met mijn advies, hij een deskundigenoordeel bij het UWV kan aanvragen.

2.11.

Op 5 mei 2017 heeft de gemachtigde van [gedaagde] per brief – onder meer – het navolgende aan [eiser] medegedeeld:

Cliënte heeft u eerder uitgenodigd om op vrijdag 21 april jl. te 12:00 uur ten kantore van [handelsnaam] gezamenlijk met [gedaagde] het plan van aanpak bij te stellen. Via uw advocaat heeft u op 18 april jl. laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

Het opstellen, bijstellen en evalueren van het plan van aanpak is onderdeel van de wederzijdse re-integratieverplichtingen. Cliënte is als werkgeefster verplicht u te sanctioneren indien u uw verplichtingen niet nakomt. Nu u niet bent verschenen op voornoemde datum, is de loonbetaling per 21 april jl. gestopt. (…)

De bedrijfsarts acht u ertoe in staat het plan van aanpak in persoon met [gedaagde] bij te stellen. Namens cliënte verzoek en zo nodig sommeer ik u om te verschijnen op de locatie [handelsnaam] op: Maandag 8 mei 2017 te 12:00 uur.

2.12.

Bedrijfsarts Henssen schrijft in haar “Periodieke evaluatie” van 26 juni 2017 (vlak voor de zitting) onder meer het navolgende:

Mijnheer [eiser] bezocht vandaag 26 juni mijn spreekuur. Het gaat nog niet goed met hem. De

behandeling wordt gecontinueerd. Mijnheer [eiser] geeft aan dat hij nog geen uitslag heeft van

het deskundigenoordeel dat in mei is aangevraagd. Mijnheer [eiser] overhandigde mij tijdens het

consult een brief van de behandelaar dd 21 april, gericht aan belanghebbende waarin aanbevolen

wordt om onderhandelingen met de werkgever niet direct te laten plaatsvinden, maar onder

begeleiding van een neutraal en daartoe bevoegd persoon. Ik had deze brief nog niet eerder

gezien (en wist ook niet van het bestaan tot afgelopen vrijdag), maar ik begrijp van de

werknemer dat hij deze eerder al aan de werkgever heeft overhandigd. Inmiddels hebben

werkgever en werknemer met elkaar gesproken in bijzijn van beider advocaten. Er is nog geen

oplossing voor de werkgerelateerde issues. In de bijstelling plan van aanpak staat geschreven

dat ik de werknemer in staat achtte in gesprek te gaan met de werkgever. Dit is iets te kort door

de bocht, omdat ik steeds duidelijk heb gecommuniceerd dat als beide partijen er samen niet uit

denken te komen dat dan de inzet van een mediator overwogen kan worden. Wij hebben zelfs

het mediationtraject gefaciliteerd voor de werkgever.

2.13.

Met ingang van 16 juni 2016 betaalt [gedaagde] het loon weer door.

2.14.

Verzekeringsgeneeskundige I.H. Blik schrijft in haar rapport van 15 juni 2017 onder meer het navolgende:

1 Vraagstelling

Op verzoek van de AD:

Had de werknemer per 21-04-2017 en thans reële arbeidsmogelijkheden of is er sprake van GBM?

Is de heer [eiser] thans medisch in staat tot deelname aan mediation met de werkgever zo nodig bijgestaan door zijn advocaat of ander personen die hem kunnen bijstaan.

(…)

Mbt de vragen van de AD:

• Betrokkene had per 21-04-2017 en thans geen reële arbeidsmogelijkheden.

De heer [eiser] is momenteel in staat tot deelname aan mediation met de werkgever, mits hij wordt bijgestaan door zijn advocaat of ander personen.

3 De vordering en het geschil

3.1.

[eiser] vorderde bij exploot de veroordeling van [gedaagde] tot doorbetaling van het loon vanaf 21 april 2017 met rente en verhoging en op verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag dat [gedaagde] niet aan die veroordeling voldoet, een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Volgens [gedaagde] was [eiser] verplicht om op 21 april 2017 te verschijnen op de uitnodiging om het plan van aanpak te evalueren en kan hij dat medisch gezien ook. Door niet te verschijnen was [gedaagde] op grond van de daarop betrekking hebbende regels verplicht om een loonsanctie toe te passen op het loon [eiser] .

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, zijnde een vordering tot loondoorbetaling.

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Nu ter zitting is komen vaststaan dat [gedaagde] het loon per 16 juni 2017 weer doorbetaalt, beperkt het geschil zich tot het loon over de periode 21 april 2017 tot en met 15 juni 2017. Verder beperkt het geschil zich tot de vraag of van [eiser] - vanuit medisch oogpunt - verlangd kon worden om zich op 21 april 2017 bij zijn werkgever te melden teneinde het plan van aanpak voor zijn re-integratie te evalueren,. Het is om die reden dat de kantonrechter het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts van het UWV wilde afwachten alvorens te beslissen: ter zitting werd van de zijde van [eiser] de suggestie gewekt dat dát een van de vragen was die aan de deskundige waren gesteld.

4.4.

Op grond van art 7:629 lid 3 sub e BW heeft [eiser] geen recht op doorbetaling van het loon voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak. De bewijslast ten aanzien van de stelling dat [eiser] op 21 april 2017 om medische redenen niet in staat was om zich in persoon bij zijn werkgever te melden ter evaluatie van het plan van aanpak, rust op hem.

4.5.

De kantonrechter acht de mate van aannemelijkheid dat in een bodemprocedure in het voordeel van [eiser] beslist zal worden onvoldoende om de gevraagde voorziening te kunnen toewijzen. De bedrijfsarts noch de verzekeringsarts stellen dat [eiser] om medische redenen niet in staat was om op 21 april 2017 in persoon met zijn werkgever het plan van aanpak te evalueren. Dat psycholoog [naam klinisch psycholoog] op 21 april 2017 “aanbeveelt” om het contact tussen werkgever en werknemer niet direct te laten plaatsvinden (maar onder begeleiding van een neutraal en daartoe bevoegd persoon), doet daar niet althans onvoldoende aan af.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 400,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

RK