Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6506

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
5997930 cv expl 17-4262
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:1522, Overig
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot voortzetten van huurovereenkomst bedrijfsruimte. Wie is huurder? Is huurrecht als gevolg van afsplitsing overgegaan op andere rechtspersoon? Einde huurovereenkomst als gevolg van allonge?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5997930 CV EXPL 17-4262

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 4 juli 2017

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. W.I. de Vries

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN CONSULTING B.V.,

tevens handelend onder de naam KPN CORPORATE MARKET B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

voegende partij,

gemachtigde mr. M.F. Mesu-Abbekerk.

Partijen zullen hierna [eiser] , KPN Consulting en KPN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging van KPN met producties

  • -

    de door KPN Consulting ingezonden producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 29 juni 2017 waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het incident

2.1.

KPN heeft gevorderd haar als voegende partij aan de zijde van KPN Consulting toe te laten. KPN heeft (onbetwist) een belang bij dit geding tussen [eiser] en KPN Consulting. [eiser] heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij instemt met KPN als voegende partij. De kantonrechter heeft vervolgens ter zitting de vordering in het incident toegewezen.

3 De feiten

3.1.

De rechtsvoorganger van [eiser] als eigenaar/verhuurder verhuurde op grond van een in augustus 2001 gesloten schriftelijke huurovereenkomst het bedrijfspand aan het adres [adres] te [vestigingsplaats] . De ingangsdatum van de huurovereenkomst is 18 september 2002. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 10 jaar. Daarna wordt de huur telkens voortgezet voor periodes van vijf jaar. Opzegging dient volgens de huurovereenkomst tegen het einde van een huurperiode bij deurwaardersexploot of per aangetekende brief te geschieden met inachtneming van een termijn van ten minste twaalf maanden. [eiser] is op 14 oktober 2005 eigenaar geworden van de onroerende zaak waartoe het gehuurde behoort, en daarmee verhuurder.

3.2.

KPN Consulting is sinds augustus 2011 huurder van het bedrijfspand (als rechtsopvolger van de huurder Getronics B.V.).

3.3.

In september 2011 zijn partijen in een allonge van de huurovereenkomst (onder meer) het volgende overeengekomen:

“In afwijking van het gestelde in artikel 3.1/3.2 van de huurovereenkomst is met ingang van 18 september 2011 deze huurovereenkomst tussentijds verlengd voor een periode van zes (6) jaar derhalve van rechtswege eindigende op 17 september 2017”.

De allonge vermeldt voorts dat [eiser] huurkorting zal verstrekken met ingang van 1 juli 2011 gedurende vijftien maanden en dat hij zich zal inspannen om meer parkeerplaatsen ter beschikking te krijgen voor de huurder.

De allonge bestaat uit drie pagina’s. De eerste twee pagina’s heeft [eiser] niet geparafeerd. Wel heeft hij op de derde pagina de overeenkomst ondertekend.

3.4.

Bij brief van 16 september 2017 (“uitgetypt en verzonden op 19 september 2017”) heeft [eiser] aan KPN Real Estate Services medegedeeld dat hij zich “tot niets verbonden” heeft. In de brief stelt [eiser] dat hij “onder allerlei dreigementen en ongeoorloofde druk” zijn handtekening heeft gezet.

3.5.

Bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2012 heeft KPN Consulting (samengevat) onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de door [eiser] bij voornoemde brief ingeroepen rechtsongeldigheid/buitengerechtelijke vernietiging van de allonge niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. De vordering strekt voorts (kort gezegd) tot veroordeling van [eiser] tot nakoming van de allonge aangaande de huurkorting.

3.6.

Partijen hebben daarna tijdens een op 30 november 2012 gehouden comparitie van partijen een regeling getroffen. De regeling behelst dat [eiser] een concreet overeenkomen bedrag aan huurkorting zal verstrekken in de eerste drie kwartalen van 2013. Partijen zijn voorts overeengekomen dat zij na uitvoering van deze overeenkomst “elkaar over en weer finale kwijting terzake van het onderhavige geschil” verlenen. Op verzoek van partijen is de zaak vervolgens doorgehaald onder compensatie van kosten.

3.7.

Bij akte van splitsing van 31 maart 2016 is een deel van het vermogen van KPN Consulting afgesplitst en overgegaan op KPN.

3.8.

Bij aangetekende (en op 3 juni 2016 betekende) brief van 2 juni 2016 heeft

[naam Director KNP Real Estate Services] (Director KPN Real Estate Services) namens KPN de huurovereenkomst beëindigd op 17 september 2017.

3.9.

Bij dagvaarding van 21 februari 2017 heeft [eiser] KPN gedagvaard en daarin (onder meer) gevorderd voor recht te verklaren dat KPN de huurovereenkomst niet (rechtsgeldig) heeft opgezegd en haar te veroordelen de huurovereenkomst vanaf

17 september 2017 voort te zetten.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad KPN Consulting:

  1. te gebieden de huurovereenkomst te blijven nakomen totdat de huurovereenkomst is geëindigd,

  2. te verbieden het gehuurde te ontruimen en te verlaten en tevens haar te gebieden het gehuurde feitelijk in gebruik te laten houden conform de in de huurovereenkomst bepaalde termijn en bestemming, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. te gebieden al haar overige uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te blijven nakomen overeenkomstig de in de huurovereenkomst bepaalde termijn, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  4. te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

Het verweer van KPN Consulting en KPN strekt tot afwijzing van de vordering.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de door hem gevorderde voorzieningen aangezien op korte termijn leegstand van de verhuurde bedrijfsruimte dreigt. Voorts zal [eiser] met ingang van 18 september 2017 verstoken blijven van huurinkomsten waarvan hij (onbetwist) heeft gesteld deze nodig te hebben ter financiering van het pand. Het verweer van KPN Consulting en KPN dat [eiser] dit spoedeisend belang zelf gecreëerd heeft, leidt niet tot een ander oordeel omdat het – indien al juist – niet aan de spoedeisendheid maar (mogelijk) aan de toewijsbaarheid van de gevorderde voorzieningen afdoet. [eiser] heeft bovendien nog enige tijd tevergeefs heeft gepoogd KPN/KPN Consulting te bewegen de huurovereenkomst voort te zetten na 17 september 2017 en om die reden nog geen procedure willen entameren.

5.2.

[eiser] voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat KPN Consulting de huurster van de bedrijfsruimte is en dat die rechtspersoon de huurovereenkomst niet opgezegd heeft zodat deze na 17 september 2017 stilzwijgend (zie 3.1. hierboven) wordt voortgezet.

5.3.

KPN Consulting en KPN betwisten dat KPN Consulting de huurster van het bedrijfspand is. Zij betogen dat KPN op grond van de afsplitsing (zie 3.7. hierboven) onder algemene titel een deel van het vermogen waaronder de met [eiser] gesloten huurovereenkomst heeft verkregen van KPN Consulting waardoor KPN huurster van het bedrijfspand is geworden. Voorts betogen zij dat [eiser] heeft aanvaard dat KPN de nieuwe huurster van de bedrijfsruimte is. Ten aanzien van dit verweer overweegt de kantonrechter het volgende.

5.4.

In de splitsingsakte is in artikel 4 bepaald dat de verkrijgende vennootschap (KPN) met ingang van de splitsingsdatum het onder letter (d) van het als bijlage aangehechte splitsingsvoorstel beschreven deel van het vermogen van de splitsende vennootschap (KPN Consulting) verkrijgt onder algemene titel.

5.5.

Onder letter (d) van het splitsingsvoorstel is bepaald dat de vermogensbestanddelen die zijn opgenomen in de aan het voorstel gehechte Bijlage C op de verkrijgende vennootschap (KPN) overgaan.

5.6.

In Bijlage C is bepaald dat de volgende vermogensbestanddelen van KPN Consulting in het kader van de splitsing worden afgesplitst

“Alle activa en passiva behorende tot de afdelingen ZM Operations, ZM Service, ZM Corporate Sales en ZM Products & Marketing. Deze afdelingen bieden managed IT services aan zakelijke klanten die passen in de totale en geïntegreerde dienstverlening van KPN. Hierna te noemen: het Af te Splitsen Bedrijfsonderdeel.”

5.7.

Voorts is in Bijlage C (onder meer) het volgende bepaald:

“Tot de activa en passiva van het Af Te Splitsen Bedrijfsonderdeel behoren:

(…)

(…)

Alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de ten behoeve van het Af te Splitsen Bedrijfsonderdeel gesloten contracten met externe medewerkers, inhuurbureau’s en andere externe partijen;”

5.8.

[eiser] stelt dat niet is voldaan aan de uit art. 2:334f BW voortvloeiende verplichting tot beschrijving van de af te splitsen vermogensbestanddelen aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald welke vermogensbestanddelen zijn overgegaan. Dit standpunt moet, voorlopig oordelend, worden verworpen. KPN en KPN Consulting stellen dat het gehuurde werd gebruikt voor de afdelingen ZM Operations en ZM Service, zodat de huurovereenkomst met [eiser] op grond van Bijlage C tot de activa en passiva van het afgesplitste bedrijfsonderdeel hoort en dat dit voldoende nauwkeurig beschreven is. De repliek van [eiser] dat hij in het geheel niet op de hoogte was van de bedrijfsactiviteiten in het gehuurde - indien al juist - maakt dit niet anders . De kantonrechter acht dit standpunt, dat [eiser] verder niet onderbouwd heeft, overigens niet aannemelijk. Hier komt bij dat [eiser] zelf KPN als huurster van het bedrijfspand heeft aangemerkt in de door hem tegen KPN aangespannen bodemprocedure. [eiser] heeft zodoende erkend dat KPN de nieuwe huurster van het bedrijfspand is. [eiser] stelling dat daaraan geen waarde gehecht kan worden omdat hij door KPN “op het verkeerde been” gezet is, moet worden verworpen. [eiser] onderbouwt ook die stelling namelijk niet. Bovendien heeft [eiser] in reactie op de opzeggingsbrief van 2 juni 2016 van KPN naar eigen zeggen weliswaar aan [naam Director KNP Real Estate Services] gevraagd om een bewijs van volmacht, maar nergens blijkt uit dat [eiser] destijds ook het standpunt heeft ingenomen dat KPN niet de (nieuwe) huurster van het bedrijfspand was en om díe reden niet kon opzeggen. Ook hieruit volgt een (impliciete) erkenning van het feit dat KPN de nieuwe huurster van het bedrijfspand is.

5.9.

De gevorderde voorzieningen zijn ingesteld in de veronderstelling dat in een (eventueel) nog aan te spannen bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat KPN Consulting de huurster van het bedrijfspand is. Op grond van de voorgaande overwegingen bestaat er echter zo veel onzekerheid over de vraag of KPN Consulting de huurster is, dat om die reden de gevorderde voorzieningen afgewezen zullen worden.

5.10.

Wellicht ten overvloede overweegt de kantonrechter voorts dat, zelfs indien KPN Consulting tot en met 17 september 2017 de huurster van het bedrijfspand is gebleven, de vordering van [eiser] niet toewijsbaar is. Op grond van de allonge (zie 3.3. hierboven) van de huurovereenkomst tussen [eiser] en KPN Consulting eindigt deze immers van rechtswege (dus zonder dat voorafgaande opzegging nodig is) op 17 september 2017. Dat partijen hebben beoogd de verplichting tot opzegging met inachtneming van een termijn van 12 maanden tegen de nader overeengekomen einddatum uit de oorspronkelijke huurovereenkomst (zie 3.1. hierboven) te incorporeren in hun nadere overeenkomst is voorshands niet aannemelijk (gemaakt). [eiser] stelt voorts dat hij deze allonge buitengerechtelijk vernietigd heeft omdat die “onder dwang, dreiging en ongeoorloofde druk” tot stand gekomen is. Die stelling, waarvan de juistheid door KPN Consulting en KPN is betwist, heeft [eiser] onderbouwd met het betoog dat hij zich voorafgaande aan de ondertekening bedreigd en onder druk gezet voelde door de aanwezigheid van een deurwaarder en doordat KPN Consulting destijds geluidsopnames heeft gemaakt. In dit te algemene betoog ligt niet besloten dat zich een van de in art. 3:44 BW bedoelde omstandigheden heeft voorgedaan die een gerechtvaardigd beroep op bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden zou kunnen opleveren. De enkele aanwezigheid van een deurwaarder en het feit dat van een gesprek (kennelijk met medeweten van [eiser] ) geluidsopnames worden gemaakt, is daarvoor onvoldoende. De stelling van [eiser] dat KPN Consulting door het verlenen van de finale kwijting (zie 3.6. hierboven) thans niet meer met succes kan stellen dat de buitengerechtelijke vernietiging van de allonge door [eiser] faalt, moet worden verworpen. De finale kwijting ziet naar haar aard niet op het prijsgeven van verweren tegen eventuele toekomstige vorderingen van de wederpartij, maar op aanspraken jegens die wederpartij. De stelling van KPN Consulting dat [eiser] zich niet met succes kan beroepen op buitengerechtelijke vernietiging van de allonge is niet aan te merken als een aanspraak jegens [eiser] . [eiser] heeft ook nog gesteld dat hij de pagina’s 1 en 2 van de allonge niet heeft geparafeerd en dat daaruit blijkt dat hij niet akkoord was met de inhoud van die pagina’s. Ook dit betoog mist zijn doel, aangezien [eiser] op de derde en laatste pagina zijn handtekening gezet heeft en zodoende akkoord is gegaan met de gehele inhoud van de allonge.

5.11.

Partijen hebben voorts nog gediscussieerd over de vraag of de opzeggingsbrief van

2 juni 2016 effect heeft gesorteerd. [eiser] stelt dat dit niet het geval is omdat hij een bewijs van volmacht heeft gevraagd bij brief van 7 juni 2016 en daarop niet onverwijld een volmacht aan hem is verstrekt. Hij beroept zich dienaangaande kennelijk op art. 3:71 lid 1 BW. KPN Consulting en KPN betwisten de brief van 7 juni 2016 ontvangen te hebben. Voorts stellen zij dat de volmacht reeds blijkt uit de aard van de functie van [naam Director KNP Real Estate Services] . Voor de beoordeling van de gegrondheid van de door [eiser] gevorderde voorzieningen hoeft dit verder geen bespreking. De brief van 2 juni 2016 ziet immers op een opzegging van de huur door KPN. Zelfs indien die opzegging geen werking heeft, kan dit niet tot de conclusie leiden dat KPN Consulting de huurovereenkomst met [eiser] dient na te komen. Er bestaat immers te veel onzekerheid over de vraag of KPN Consulting thans de huurster van het bedrijfspand is. Overigens is voorshands aannemelijk dat het beroep van KPN op lid 2 van art. 3:71 BW slaagt. [eiser] moest aannemen dat de bevoegdheid van [naam Director KNP Real Estate Services] voortvloeide uit haar aanstelling.

5.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van KPN Consulting en KPN gezamenlijk begroot op € 600,00 salaris gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van KPN en KPN Consulting tot op heden begroot op € 600,00,

6.3.

verklaart onderdeel 6.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW