Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6490

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
03/700094-17, 16/137520/15 (vtvv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Proeftijd 3 jaren. Bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700094-17, 16/137520/15 (vtvv)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juni 2017. Verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel bedreigd heeft door met een auto op voornoemde verbalisanten in te rijden.

Feit 2: niet heeft meegewerkt aan een ademanalyse.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het door de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en de processen-verbaal van de verhoren van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

De officier van justitie acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed en het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de poging tot doodslag dan wel zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling.

Van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft bepleit dat de medewerking van verdachte voldeed aan de wettelijke vereisten en dat de ademanalyse niet is afgenomen door een gecertificeerde verbalisant.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank gaat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting uit van het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Op 3 maart 2017 kregen verbalisanten [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) melding te rijden naar de A2 ter hoogte van Kerensheide. Aldaar zou een donkerkleurige Opel (kenteken [kenteken] ) rijden die slingerend rijgedrag vertoonde. De verbalisanten reden – nadat zij eerst in een pechhaven gestopt waren en de genoemde Opel hadden laten passeren – met een snelheid van 90 kilometer per uur achter de Opel. Toen de verbalisanten een pechhaven naderden, zijn zij wederom naast de Opel gaan rijden. [slachtoffer 2] opende het bijrijdersraam en gebaarde met een zaklamp met daarop een rode pion in de richting van de pechhaven. [slachtoffer 2] zag dat de bestuurder van de Opel in zijn richting keek maar niet reageerde. De bestuurder van de Opel maakte een wegwuivend gebaar naar de verbalisanten. Hierop hebben de verbalisanten hun voertuig iets laten terugzakken. Zij zagen dat de afrit Born naderde en wisten dat hier twee collega motorrijders stonden. Op dat moment reden zij ter hoogte van het bestuurdersportier van de Opel. De verbalisanten zagen dat de bestuurder van de Opel over zijn schouder in de richting van de verbalisanten keek en met kracht naar links stuurde. [slachtoffer 1] kon door uit te wijken ternauwernood een aanrijding voorkomen. [slachtoffer 2] slingerde door de auto, ondanks dat beide verbalisanten een veiligheidsgordel droegen. [slachtoffer 1] kon het dienstvoertuig maar net onder controle houden. De bestuurder van de Opel nam de afrit Born (Gemeente Sittard-Geleen), voldeed nog altijd niet aan het stopteken, reed naar het aldaar gelegen Esso tankstation en stopte ter hoogte van de uitrit van het tankstation. [slachtoffer 2] is naar de Opel gerend en heeft de bestuurder gesommeerd uit het voertuig te stappen. Verbalisanten roken een zeer penetrante biergeur in de auto. Vervolgens hebben de verbalisanten de bestuurder van de Opel (naar bleek verdachte) aangehouden.2

Verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan van poging doodslag dan wel zware mishandeling.3

Poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging?

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte met zijn auto op de auto van verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingereden door op de A2 richting Eindhoven plotseling met kracht naar links te sturen, terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vrijwel naast hem reden met een snelheid van 90 kilometer per uur. Vervolgens is de vraag of deze gedraging als een poging tot doodslag, een poging tot zware mishandeling of als een bedreiging dient te worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet de bedoeling had om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden.4 De vraag rijst of het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen, te weten het plotseling met kracht een stuurbeweging maken richting de auto van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Het met een auto op een andere auto in- of afrijden kán een ongeluk veroorzaken waarbij de betrokken bestuurders dodelijk of anderszins zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De vraag of dit risico zich daadwerkelijk zal realiseren, kan slechts beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat. Zo is onvoldoende gebleken hoe hoog de verkeersintensiteit op dat moment was en op welke afstand de eerstvolgende auto achter de verbalisanten reed. Evenmin is komen vast te staan wat de exacte positie van de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten opzichte van de auto van verdachte was toen hij met zijn auto op de verbalisanten in- of afreed.

Voor de rechtbank is wel vast komen te staan dat de voortgezette rijopleiding van [slachtoffer 1] heeft bijgedragen aan de verkleining van de kans op het oplopen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel.5


Nu de verkeerssituatie op 3 maart 2017 op de A2 niet meer kan worden gereconstrueerd en bovengenoemde vragen niet meer kunnen worden beantwoord, is de rechtbank niet in staat vast te stellen dat verdachtes handelen had kunnen leiden tot een aanmerkelijke kans op dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel. Zij zal de verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd door met zijn auto op hun auto in/af te rijden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt immers dat de verdachte een forse stuurbeweging maakte richting de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waardoor zij erg zijn geschrokken.6 In samenhang met de verklaring van de getuige [getuige 2] , die heeft verklaard dat het rechterachterwiel van de auto van de verbalisanten omhoog kwam,7 stelt de rechtbank vast dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij moesten vrezen voor hun leven. Zij acht de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Nadat de verdachte is aangehouden, werd op het politiebureau te Maastricht een ademanalyse uitgevoerd bij de verdachte, omdat de verbalisanten bij de aanhouding van de verdachte een penetrante biergeur roken in zijn auto.

De verdachte is begonnen aan de blaastest en heeft de eerste blaastest met goed gevolg afgelegd. Bij de tweede blaastest blies de verdachte te weinig lucht in het apparaat waardoor deze blaastest niet goed ging. Omdat het verschil in de meetresultaten te groot was moest er opnieuw een blaastest worden afgenomen. De verdachte werkte daar in eerste instantie aan mee, maar heeft zich vervolgens bedacht en het blaasgedeelte opzij gegooid. Hierop heeft de verbalisant aan de verdachte medegedeeld dat hij verplicht was om mee te werken aan dit onderzoek en dat de weigering hieraan te voldoen een misdrijf oplevert als bedoeld in artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994.8

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde, nu de verdachte aan een tweetal blaastesten wel zijn medewerking heeft verleend. Wegens de te grote onderlinge verschillen moest er opnieuw geblazen worden. De verdachte werkte aanvankelijk mee maar heeft vervolgens geweigerd om nog verder mee te werken. De raadsvrouw is van mening dat in dat geval niet kan worden gesproken van een weigering als bedoeld in artikel 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat door de gedraging van de verdachte de ademanalyse niet is voltooid. In het weggooien van het blaasgedeelte van het ademanalyseapparaat door de verdachte en zijn opmerking: ‘Ik ga verder niet meer meewerken’, ligt besloten dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting tot medewerking aan het ademonderzoek.

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de blaastest niet is afgenomen door een daartoe gecertificeerde en door de korpschef speciaal aangewezen verbalisant. Daarom is er volgens de raadsvrouw geen sprake van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a en artikel 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994.

Daarmee stelt de raadsvrouw de vraag aan de orde of een van de ‘strikte waarborgen’ waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a Wegenverkeerswet 1994 is omgeven, is geschonden.

Bij die strikte waarborgen dient men bij de ademanalyse te denken aan de waarborgen die in rechtstreeks verband staan met de betrouwbaarheid (of juistheid) van het onderzoeksresultaat. In het verlengde daarvan de mogelijkheid een contra-expertise te laten uitvoeren. Artikel 7 Besluit Alcoholonderzoeken behoort echter niet tot die strikte waarborgen. De bedienende ambtenaar moet wel ter zake deskundige zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit wel het geval is –mede gezien de omstandigheid dat het hier niet gaat om de betrouwbaarheid of de juistheid van het onderzoeksresultaat zelf- nu zij, [verbalisant 2] , kennelijk wel op de hoogte is én toepassing heeft gegeven aan de in artikel 8 van de Regeling ademanalyse genoemde bijlage 1, met name hetgeen is vermeld onder 3.9.1, 3.9.6.1. en 3.9.6.2. Kort gezegd: de volgorde van resultaten van de ademonderzoekprocedure én het verschil tussen meetresultaten.

De in het proces-verbaal van bevindingen genoemd in noot 8 neergelegde gang van zaken geeft dit treffend weer (vgl. HR 24-11-2015 ECLI:NL:HR:2015:2504).

Ook dit verweer treft geen doel.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

op 03 maart 2017 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte met de door hem bestuurde personenauto met hoge snelheid, zonder snelheid te minderen op een politievoertuig, waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden afgereden/ingereden.

Ten aanzien van feit 2

op 03 maart 2017 in de gemeente Maastricht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (met kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was

bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd om ten aanzien van de feiten 1 en 2 op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Aan het voorwaardelijke deel van de straf moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd die de reclassering heeft geadviseerd.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie voorts gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair, subsidiair en feit 2 vrijspraak bepleit. Mocht het tot een bewezenverklaring komen, heeft zij de rechtbank verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank gaat bij het bepalen van de strafmaat uit van de Oriëntatiepunten voor straftoemeting die ontwikkeld zijn door het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Deze oriëntatiepunten gaan bij bedreiging uit van een verdachte die first offender is.

De volgende omstandigheden zal de rechtbank als strafverzwarend meewegen.

Verdachte heeft op 3 maart 2017 verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedreigd door met zijn auto op de auto van verbalisanten in of af te rijden. Door zijn rijgedrag heeft verdachte de politieambtenaren angst aangejaagd. Vervolgens heeft verdachte op het politiebureau geweigerd om mee te werken aan een blaastest, waardoor niet kan worden vastgesteld hoeveel drank verdachte had genuttigd toen hij als bestuurder aan het verkeer heeft deel genomen.

Het gevaarlijke verkeersgedrag van verdachte getuigt van een stuitend gebrek aan respect voor de veiligheid van verbalisanten en de overige medeweggebruikers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarbij komt dat de verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn handelen voortdurend buiten zichzelf legt en zijn persoonlijke problematiek bagatelliseert. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting geen enkele blijk van berouw heeft gegeven en daarnaast geen excuses heeft aangeboden aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Voorts is strafverzwarend dat de door verdachte gepleegde bedreiging gericht was tegen politieambtenaren. De uitoefening van het beroep van politieagent brengt risico’s met zich. De maatschappij verwacht van politieagenten dat zij onmiddellijk optreden indien zich, zoals in het onderhavige geval, een acuut gevaarlijke situatie voordoet. Politieagenten verdienen dan ook bijzondere bescherming indien zij bij de uitoefening van hun functie slachtoffer worden van geweld. Naar het oordeel van de rechtbank dient daartegen krachtig te worden opgetreden door voor die bedreiging van deze verbalisanten een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met: een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 30 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij niet van de gebeurtenissen uit zijn verleden heeft geleerd. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd ter zake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, hetgeen als straf- verhogend moet worden aangemerkt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 14 juni 2017 met daarin het advies om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met een forse proeftijd op te leggen. Dit, gelet op het recidiverisico, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, alsmede de verplichting van de verdachte om zich bij Radix te laten behandelen en een drugs- en alcoholverbod, welke naleving zal worden ondersteund door middel van middelencontroles.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de angst en onrust die hierdoor bij de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is veroorzaakt dermate groot is, dat zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Een taakstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit, is gelet op al het bovenstaande in het geheel niet aan de orde.

Alles afwegende, acht de rechtbank passend en geboden dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden wordt opgelegd. De rechtbank zal echter, gelet op het recidiverisico, bepalen dat daarvan 3 maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst schuldig te maken aan een strafbaar feit. Om de verdachte hierbij te ondersteunen, zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opleggen een verplichte begeleiding door de reclassering in de vorm van een meldplicht, een verplichte behandeling bij Radix en een alcoholverbod, welke naleving zal worden ondersteund door middel van middelencontroles.

Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van feit 2, gelet op het verkeersgevaarlijke gedrag van verdachte, het rijden onder invloed en het gegeven dat verdachte recidivist is ter zake van overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, ook een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 2 jaren.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 870,- ter zake van feit 1 voor geleden immateriële schade (smartengeld).

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 870,- ter zake van feit 1 voor geleden immateriële schade (smartengeld).

7.1

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vorderingen van beide benadeelde partijen volledig toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2017. De vorderingen zijn door de verdediging onvoldoende inhoudelijk betwist. De schade acht de rechtbank het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 1 meer subsidiair en verdachte is voor die schade aansprakelijk. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, opgelegd bij het vonnis van de politierechter van 15 oktober 2015 met parketnummer 16/137520-15, te weten een gevangenisstraf van 2 weken. De vordering voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden. Van het bestaan van een bijzondere omstandigheid die aan de tenuitvoerlegging in de weg staat is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal dan ook gelasten dat de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 meer subsidiair en feit 2 tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of;

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich conform afspraak blijft melden bij reclassering Maastricht, zo frequent

en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich verplicht zal laten behandelen bij Radix, waarbij de veroordeelde zich

zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of

namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- zich zal onthouden van het gebruik van alcohol, zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde

zal ondersteund worden door middel van middelencontroles;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voor feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingehouden is geweest, in mindering zal worden gebracht op het onvoorwaardelijk gedeelte van de rijontzegging;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], gevestigd te Maastricht, ter zake van feit 1 te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van
    3 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , van € 870,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], gevestigd te Maastricht, ter zake van feit 1 te betalen € 870,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 3 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 870,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door
    17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/137520-15:

- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van 15 oktober 2015, te weten een gevangenisstraf van 2 weken, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. M.M. Beije en
mr. M.E.M.W. Nuijts rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 03 maart 2017 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven,

met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge

snelheid, althans met aanzienlijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen

op een politievoertuig, waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden is

afgereden/ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 03 maart 2017 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge

snelheid, althans met aanzienlijke snelheid en/of zonder snelheid te minderen

op een politievoertuig, waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden is

afgereden/ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, op of omstreeks 03 maart 2017 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht en/of met zware mishandeling, immers is verdachte door met de

door hem bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke

snelheid en/of zonder snelheid te minderen op een politievoertuig, waarin die

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden afgereden/ingereden;

2.

hij, op of omstreeks 03 maart 2017 in de gemeente Maastricht,

in elk geval in Nederland,

als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een

personenauto (met kenteken [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel

8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was

bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel

8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de

verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat

en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een

opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Zuid-West-Limburg, basisteam Westelijke Mijnstreek, proces-verbaalnummer PL2300-2017035347, gesloten d.d. 11 mei 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 48.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2017, p. 14 tot en met 16.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 3 maart 2017, p. 5 tot en met 8; Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 3 maart 2017, p. 9 tot en met 13.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 maart 2017, p. 38

5 Getuigenverklaring van [slachtoffer 1] afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 juni 2017.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2017, p. 15.

7 Getuigenverklaring van [getuige 2] d.d. 3 maart 2017, p. 20.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2017, p. 39 en 40.