Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6474

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
03/700358-15, 03/700572-14 (ttz-gev.) en 03/700118-13 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag, medeplegen van poging tot zware mishandeling en zeven andere feiten tot een gevangenisstraf van negen jaar.

De verdachte heeft het slachtoffer 20 keer met een mes ongecontroleerd in het lichaam gestoken. Zijn gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer te zijn gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. (voorwaardelijk opzet)

De rechtbank verwerpt het verweer op noodweer en noodweerexces omdat zij van oordeel is dat de handelingen van de verdachte in de kern als aanvallend dienen te worden aangemerkt en dat hij de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel zich niet verdraagt met de op te leggen langdurige gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700358-15

03/700572-14 (ter terechtzitting gevoegd)

03/700118-13 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens en mr. F.F. Driessen, beiden advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2017. De verdachte en zijn raadsman respectievelijk raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Als deskundige is [naam reclasseringswerker] , reclasseringswerker, ter terechtzitting gehoord.

Voorts zijn ter terechtzitting de vorderingen behandeld van de benadeelde partijen [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1] (nabestaande van [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] .

Ten slotte heeft [naam nabestaande slachtoffer 1 - 2] als nabestaande van het slachtoffer
[slachtoffer 1] gebruikt gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Onder parketnummer 03/700358-15

Feit 1: opzettelijk [slachtoffer 1] heeft gedood

Feit 2: [slachtoffer 2] heeft bedreigd

Feit 3: heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] zwaar te mishandelen, dan wel deze persoon heeft mishandeld

Feit 4: [slachtoffer 4] heeft mishandeld

Feit 5: een winkeldiefstal met geweld heeft gepleegd bij Blokker

Feit 7: met een ander of anderen een winkeldiefstal heeft gepleegd bij Bristol

Feit 8: samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden, dan wel samen met een ander of anderen heeft geprobeerd deze persoon zwaar te mishandelen, dan wel samen met een ander of anderen deze persoon heeft mishandeld

Feit 9: samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden, dan wel samen met een ander of anderen heeft geprobeerd deze persoon zwaar te mishandelen, dan wel samen met een ander of anderen deze persoon heeft mishandeld.

Onder parketnummer 03/700572-14

Feit 1: een winkeldiefstal heeft gepleegd bij Kruidvat

Feit 2: zich bij zijn aanhouding heeft verzet tegen een politieagent.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten bewezen. De rechtbank kan echter uit het requisitoir van de officier van justitie noch uit zijn schriftelijke vordering met zekerheid afleiden voor welke variant van de feiten 3, 8 en 9 onder parketnummer 03/700358-15 hij voldoende bewijs aanwezig acht. Gelet op zijn bewoordingen houdt de rechtbank het ervoor dat de officier van justitie ten aanzien van feit 3 het primair tenlastegelegde en ten aanzien van de feiten 8 en 9 het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde bewezen acht.

Indien de rechtbank in haar oordeel afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de officier van justitie, zal zij dit nader motiveren.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2, 3, 4, 7, 8 en 9 onder parketnummer 03/700358-15. Ten aanzien van een bewezenverklaring voor feit 5 onder parketnummer 03/700358-15 en de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03/700572-14 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Indien de rechtbank in haar oordeel afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, zal zij dit nader motiveren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 – doodslag van [slachtoffer 1] 1

3.3.1.1 De bewijsmiddelen

Op verzoek van de meldkamer gingen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 22 juli 2015 omstreeks 23:55 uur naar de [adres 1] te Maastricht. Daar aangekomen zagen zij dat een persoon op de grond lag in de stabiele zijligging. Deze persoon lag in een grote plas bloed.

De verbalisanten zagen dat de persoon die op de grond lag meerdere snijwonden had ter hoogte van zijn rug en nek. Het slachtoffer was nog bij bewustzijn. De verbalisanten vroegen aan het slachtoffer wie dit had gedaan. Hierop noemde het slachtoffer de naam [verdachte] .2

Een getuige, genaamd [getuige 1] , vertelde de politie dat het slachtoffer [slachtoffer 1] zou heten en zou wonen op het adres [adres 2] . Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie stond op dit adres ingeschreven: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .3

Op 23 juli omstreeks 09:40 uur is deze [slachtoffer 1] overleden in het Academisch Ziekenhuis te Maastricht. In opdracht van de officier van justitie werd nagegaan wat de oorzaak van de dood was en wat verder van belang mocht blijken.4

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] is onder meer het navolgende gebleken:

Er waren 20 scherprandige huiddefecten, alle met uitgebreide omgevende bloeduitstorting waarvan enkele huiddefecten niet met nietjes gehecht waren.5

Met betrekking tot letsel D

Aan de borstkas rechts was een scherprandige huidperforatie met een lengte van circa vier centimeter met middenwaarts een stomp uiteinde en zijwaarts was het uiteinde niet goed te beoordelen.6

In relatie met letsel D was er een doorsteek aan de lever met schamping van het buitenste vlies van de galblaas.7

Met betrekking tot letsel F

Hoog aan het bovenbeen rechts was een scherprandige huidperforatie, gegolfd, met een lengte van circa 14 centimeter.8

In relatie met letsel F was er klieving van een aftakking van de rechterbovenbeenslagader. In relatie met letsel F en O was er een steekkanaal met een maximale lengte van circa 12 centimeter.9

Met betrekking tot letsel M

Aan de rug rechts was een scherprandige huidperforatie met een lengte van circa 3,5 centimeter waarbij het uiteinde zijwaarts gehoekt was.10

In relatie met letsel M was er een insteek van de onderkwab van de rechterlong.11

Interpretatie van de resultaten:

Bij sectie werden 20 scherprandige huidperforaties (steekletsels) en huidklievingen (steek-snijletsels) vastgesteld, welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld.

In relatie met de letsels D, F, M waren vitale structuren geraakt, respectievelijk de lever, een aftakking van de rechterbovenbeenslagader en de onderkwab van de rechterlong, waardoor fors bloedverlies is ontstaan met vochtophoping in de longen als gevolg. Het overlijden wordt verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van fors bloedverlies en longfunctiestoornissen zowel door het perforerend geweld aan de rechterlong als door de vochtophoping in de longen door longweefselschade in reactie op het forse bloedverlies. De bevindingen sub A6 (er waren weinig lijkvlekken; de lippen en de bindvliezen van de oogleden waren bleek) en B6 (er waren bleke organen; in de buik waren circa 22 gazen doordrenkt met bloed) passen bij fors bloedverlies.

Zowel de vochtophoping van de longen als van de huid past bij verwikkelingen van algehele weefselschade ten gevolge van het opgetreden bloedverlies.

De overige letsels sub A4 kunnen middels bloedverlies hebben bijgedragen aan het overlijden.

Er waren macroscopisch geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest kunnen zijn.

Het vergrote hart is gezien de aperte doodsoorzaak niet van betekenis geweest voor het intreden van de dood.12

Conclusie:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] , 44 jaren oud geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch meervoudig scherprandig perforerend geweld (steekverwondingen).13

Op 23 juli 2015 te 13:38 uur werd de doorzoeking geopend ten aanzien van de woning, gelegen aan de [adres 3] te Maastricht, bewoond door [verdachte] . Bij dit onderzoek werd op de vensterbank, vlakbij de achterdeur die toegang geeft tot de tuin, aangetroffen en inbeslaggenomen: een (knip)mes met een zwart heft, met daarop bloedsporen.14

Het celmateriaal afkomstig van de bloedsporen op het aangetroffen mes (AAIV1256NL#01 en #02) kan afkomstig zijn van [slachtoffer 1] . De matchkans voor dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.15

De verdachte heeft op 25 juli 2015 onder meer het volgende verklaard:

De verdachte was in zijn woning toen hij zag dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) kwam aanlopen. [slachtoffer 1] had een schep vast. De verdachte liep op [slachtoffer 1] af. Nadat [slachtoffer 1] de verdachte met de schep op zijn hoofd had geslagen, viel hij op de grond. De verdachte kwam terecht op zijn rug en [slachtoffer 1] lag bovenop hem. Op een gegeven moment pakte de verdachte een mes uit zijn broekzak, waarna hij [slachtoffer 1] met het mes in zijn been en vervolgens in zijn bovenlichaam stak. De verdachte stak een aantal keren snel achter elkaar.16

3.3.1.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 22 juli 2015, kort voor middernacht, heeft de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] 20 keer met een mes in zijn lichaam gestoken. De volgende ochtend is het slachtoffer overleden in het ziekenhuis. Uit onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] is gebleken dat vitale structuren waren geraakt, te weten de lever, een aftakking van de rechterbovenbeenslagader en de onderkwab van de rechterlong. Hierdoor is fors bloedverlies ontstaan met vochtophoping in de longen als gevolg. Het overlijden wordt verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van fors bloedverlies en longfunctiestoornissen zowel door het perforerend geweld aan de rechterlong als door de vochtophoping in de longen door longweefselschade in reactie op het forse bloedverlies.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en dat de verdachte om die reden van dit feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat:

  • -

    er sprake is van ‘defensief non lethaal’ geweld en níet van het aanwenden van geweld gericht op de vitale delen van het lichaam van [slachtoffer 1] ;

  • -

    de steekverwonding aan de rug rechts (letsel M) de uiteindelijke veroorzaker is van het overlijden van [slachtoffer 1] , terwijl bij het steken met een vissersmes in iemands rug niet kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood van deze persoon.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging en overweegt hiertoe het volgende.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat de verdachte 20 keer, ongecontroleerd, lukraak, met een mes in het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken. De kans dat hierbij géén vitale delen van het lichaam worden geraakt acht de rechtbank uiterst klein. De rechtbank kan de stelling van de verdediging dat het geweld niet was gericht op de vitale delen van het lichaam van [slachtoffer 1] dan ook niet plaatsen.

In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat de verdediging een onjuiste weergave geeft van het pathologisch rapport van arts en patholoog Buiskool. De patholoog heeft namelijk niet gerapporteerd dat de steekverwonding aan de rug de uiteindelijke veroorzaker is van het overlijden van [slachtoffer 1] . Het gaat om drie letsels, te weten aan de lever, een aftakking van de rechterbovenbeenslagader en de onderkwab van de rechterlong, zoals hierboven is weergegeven in de bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de vraag of er voldoende bewijs is dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [slachtoffer 1] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De verdachte heeft het slachtoffer 20 keer met een mes ongecontroleerd in het lichaam gestoken, onder andere in zijn rug ter hoogte van de rechterlong, in zijn bovenbeen ter hoogte van een aftakking van een slagader en bij de lever.

De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het onder 1 tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

3.3.1.3 De verweren

Naast het hierboven reeds besproken bewijsverweer heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer. Op grond hiervan heeft zij de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken, dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank zal het noodweerverweer bespreken onder het kopje: ‘De strafbaarheid van het feit’.

3.3.1.4 De conclusie

De rechtbank acht dit feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.2

Feit 2 onder parketnummer 03/700358-15 – bedreiging van [slachtoffer 2] 17

3.3.2.1 De bewijsmiddelen

Op 9 mei 2015 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van bedreiging. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 8 mei 2015 ging aangever [slachtoffer 2] op bezoek bij [slachtoffer 1] , wonende op het adres [adres 2] te Maastricht. [slachtoffer 2] kwam op zijn scooter aanrijden. Zijn vriendin zat achterop. [slachtoffer 2] zag dat het gordijn van de woning van [verdachte] open ging. Vrijwel direct kwam [verdachte] dreigend naar buiten gerend. Hij rende in de richting van [slachtoffer 2] en schreeuwde van alles tegen hem. [verdachte] zei onder meer: ‘ik maak je kapot.’ of zoiets.18

Ook de vriendin van [slachtoffer 2] , getuige [getuige 2] , is op 9 mei 2015 gehoord. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 8 mei 2015 reden getuige [getuige 2] en [slachtoffer 2] op de brommer naar het huis van [slachtoffer 1] . Zij stopten voor het appartementenblok van [slachtoffer 1] . [getuige 2] zag dat er uit een woning, naast het appartementenblok, een man naar buiten kwam. Zij kende deze man niet. Ze hoorde dat de man aan het roepen en tieren was. De man riep onder meer: ‘We maken u kapot.’

[getuige 2] zag dat de man hen naderde en vervolgens weer een stukje achteruit liep om daarna weer hun richting op te komen. Dit deed hij verschillende keren. Ze hoorde hem roepen en tieren en zag hem wild gebaren en met zijn armen maaien. Dit voelde voor haar als zeer intimiderend.

Van [slachtoffer 2] weet [getuige 2] dat deze man [verdachte] is.19

Ook de verdachte heeft verklaard over dit incident. Hij heeft op 11 mei 2015 onder meer het volgende verklaard:

De laatste keer was [slachtoffer 2] met de bromfiets en had hij een meisje bij zich. De verdachte heeft [slachtoffer 2] toen verrot gescholden.20

3.3.2.2 De verweren

Primair heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 2] betwist en heeft zij verzocht deze verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende overtuiging voor een bewezenverklaring kan worden bekomen.

Hiertoe heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat:

  • -

    de verdachte ontkent [slachtoffer 2] te hebben bedreigd;

  • -

    de verdachte destijds bij de politie heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hem probeerden uit de tent te lokken;

  • -

    er geen onafhankelijke getuige is die het verhaal van [slachtoffer 2] en [getuige 2] kan bevestigen;

  • -

    de verklaring van [slachtoffer 2] , inhoudende dat hij bang is voor de verdachte, niet geloofwaardig is, getuige een Facebook-post en zijn uitlatingen tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris;

  • -

    [slachtoffer 2] en [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris anders hebben verklaard dan tegenover de politie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hiertoe het volgende.

Indien resultaten van het onderzoek door een verzuim zijn verkregen, kan de rechtbank onder bepaalde omstandigheden bepalen dat deze resultaten niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Dat wordt ook wel ‘bewijsuitsluiting’ genoemd. Het eenvoudigweg niet geloofwaardig achten van een getuigenverklaring leidt niet tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank een verklaring niet geloofwaardig acht, zal zij deze eenvoudigweg niet als bewijsmiddel gebruiken. Het verweer van de verdediging dat strekt tot bewijsuitsluiting ontbeert dan ook iedere juridische grondslag.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen die [slachtoffer 2] en [getuige 2] bij de politie hebben afgelegd wel geloofwaardig. Beiden hebben op 9 mei 2015 een verklaring afgelegd. De inhoud hiervan is niet zodanig dat het er alle schijn van heeft dat zij op elkaar zijn afgestemd. Daarnaast luiden de verklaringen die zij tegenover de rechter-commissaris hebben afgelegd niet wezenlijk anders dan de verklaringen die zij bij de politie hebben afgelegd. Dat er verschillen bestaan tussen deze verklaringen kan goed worden verklaard door het tijdsverloop tussen de verklaring bij de politie op 9 mei 2015 en bij de rechter-commissaris op 8 februari 2017.

Dat er geen andere getuigen zijn van de tenlastegelegde bedreiging doet niets af aan dit oordeel.

De stelling dat [slachtoffer 2] niet bang is voor de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid uit diens uitlatingen op Facebook en/of bij de rechter-commissaris. Deze uitlatingen zouden juist gevoed kunnen zijn door de angst van [slachtoffer 2] . Overigens is het volgens vaste jurisprudentie niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige inbreuk heeft gemaakt dat daadwerkelijk vrees is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake.

3.3.2.3 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Op grond van bovenstaande verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 2] stelt de rechtbank vast dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de woorden ‘ik maak je kapot’ of woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Deze verklaringen vinden steun in de verklaring van de verdachte voor zover hij een woordelijke confrontatie tussen hem en [slachtoffer 2] , in het bijzijn van diens vriendin, erkent.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de woorden ‘Ik vermoord je familie’ en ‘Ik begin met je moeder aan stukken te snijden’ omdat deze bewoordingen geen bedreiging inhouden van de aangever zelf, zoals is tenlastegelegd.

3.3.2.4 De conclusie

De rechtbank acht het feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.3

Feiten 3 en 4 onder parketnummer 03/700358-15 – (poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 3] respectievelijk mishandeling van [slachtoffer 4] 21

3.3.3.1 De bewijsmiddelen

Op 31 december 2015 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 31 december 2015, omstreeks 02:30 uur, stond [slachtoffer 3] voor zijn woning, gelegen aan de [adres 4] te Maastricht. Zijn zoon [slachtoffer 4] stond op een afstand van ongeveer vier meter van hem vandaan. [slachtoffer 3] zag dat een hem onbekende persoon in hun richting liep. Deze persoon, een blanke man, ongeveer 25 tot 30 jaar oud met zwart haar in een paardenstaart, liep in de richting van zijn zoon. Deze persoon zei: ‘Je moet nu eens ophouden met ruzie maken, nu ben ik vrij, anders maak ik je dood!’. [slachtoffer 3] hoorde dat zijn zoon zei: ‘Wie bent u? Ik ken u helemaal niet.’ De man antwoordde: ‘Ik ben de zoon van de achterbuurmensen.’ Hierop zei de zoon van [slachtoffer 3] : ‘Wij kennen er toch over praten.’ De man was agressief en zei alles op een schreeuwende manier.

Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat de man met zijn bovenlijf naar achteren leunde en met kracht zijn voorhoofd tegen het gezicht van zijn zoon sloeg, ter hoogte van zijn mond.

Hierop sprak [slachtoffer 3] de man aan. Hij zei: ‘Wij kunnen toch praten, slaan lost toch niks op.’ Vervolgens liep de man naar hem toe. Opeens voelde hij twee harde klappen in zijn gezicht, ter hoogte van zijn neus. Hij voelde onmiddellijk hevige pijn. Hij was direct hevig aan het bloeden uit zijn neus.

Vervolgens opende de oudste zoon van [slachtoffer 3] , [naam zoon slachtoffer 3] , de deur van de woning. [naam zoon slachtoffer 3] schreeuwde: ‘Laat hem met rust [verdachte] , want anders krijg je het met mij aan de stok!’ Vervolgens liep de man de brandgang in.

[slachtoffer 3] is bij de KNO-arts geweest. Deze deelde hem mede dat zijn neus was gebroken en dat deze rechtgezet moest worden zodra de zwelling weg zou zijn.

[naam zoon slachtoffer 3] zei dat de dader vaker verblijft aan de [adresgegevens verdachte] , waar zijn ouders woonachtig zouden zijn.22

Op dezelfde dag als [slachtoffer 3] heeft zijn zoon [slachtoffer 4] aangifte gedaan. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 31 december 2015, omstreeks 02:30 uur, stond [slachtoffer 4] voor zijn woning, gelegen aan de [adres 4] te Maastricht. Vanuit zijn ooghoek zag hij een jongen komen aanlopen. Deze jongen zei tegen [slachtoffer 4] dat zij hun tuin moesten opruimen. Toen [slachtoffer 4] vroeg waar de jongen op doelde zei deze dat [slachtoffer 4] zijn mond moest dichthouden, omdat hij anders klappen zou krijgen. Even later liep de jongen met versnelde pas in zijn richting en gaf hij hem een kopstoot tegen zijn gezicht.

Vervolgens kwam de vader van [slachtoffer 4] aanrennen. Deze zei tegen de jongen dat ze erover konden praten en dat hij geen ruzie wilde. Hierna begon de jongen de vader van [slachtoffer 4] te slaan. De jongen sloeg de vader twee keer tegen zijn gezicht. Dit deed hij met kracht met zijn rechtervuist. Ten gevolge van de slagen begon de vader te bloeden uit zijn neus.

Ten gevolge van de kopstoot voelde [slachtoffer 4] pijn. Verder heeft hij er een blaar op de binnenzijde van zijn onderlip en twee losstaande voortanden aan overgehouden.

Een vriend van de vader van [slachtoffer 4] , [naam vriend] , vertelde later dat de jongen de zoon van de achterburen, genaamd [verdachte] , zou zijn. [verdachte] zou wonen op het adres [adresgegevens verdachte] .23

[getuige 3] , de vrouw van [slachtoffer 3] en de moeder van [slachtoffer 4] , is op 31 december 2015 gehoord als getuige. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 31 december 2015, omstreeks 02:15 uur, werd [getuige 3] wakker van lawaai. Zij hoorde mensen schelden. Zij opende het raam en zag haar man staan met een andere, haar onbekende, man. Haar man zei op een normale toon: ‘Laten we erover praten. Kom morgen anders even terug. Ik moet nu werken.’

[getuige 3] zag dat de onbekende man haar man vervolgens met een vuist in het gezicht sloeg.

Even later bleek haar dat [slachtoffer 4] van de man een kopstoot had gekregen. Ze zag dat [slachtoffer 4] bij zijn tanden bloedde.

Toen [getuige 3] in de keuken van de woning kwam, zag zij dat haar man hevig aan het bloeden was. Ze hoorde hem zeggen dat hij veel pijn had aan zijn gezicht.

Haar zoon [naam zoon slachtoffer 3] gaf aan dat de dader [verdachte] heet. Deze zou, althans zijn ouders zouden, wonen op het adres [adresgegevens verdachte] .24

Ook verbalisant [verbalisant 3] heeft gezien dat er bloed kwam uit de neus van [slachtoffer 3] en dat hij een zwelling had rondom zijn neus.25

Op 2 januari 2016 is de verdachte aangehouden in de woning van zijn ouders op het adres [adresgegevens verdachte] .26 Op een foto is te zien dat de verdachte (ook) ten tijde van zijn aanhouding op 2 januari 2016 donker haar had dat hij droeg in een paardenstaart.27

3.3.3.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Wat is er gebeurd?

Op grond van de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , alsmede op grond van de verklaring van getuige [getuige 3] , stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 3] door een man twee keer met kracht met een vuist in zijn gezicht is geslagen. Ten gevolge hiervan bloedde [slachtoffer 3] uit zijn neus. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt bovendien dat [slachtoffer 3] , naast een bloedneus, ook een zwelling had rondom zijn neus.

Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] vast dat [slachtoffer 4] van dezelfde man een kopstoot in zijn gezicht heeft gekregen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de verklaring van getuige [getuige 3] die heeft gezien dat [slachtoffer 4] bij zijn tanden bloedde.

Nu aangever [slachtoffer 3] zelf niet heeft verklaard dat hij tegen zijn lichaam is geslagen en/of geschopt acht de rechtbank dit niet bewezen.

Wie is de dader?

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] heeft geslagen en [slachtoffer 4] een kopstoot heeft gegeven. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat:

  • -

    de verdachte niet is herkend door een van de aangevers en evenmin door getuige [getuige 3] ;

  • -

    degenen die zouden hebben aangegeven dat de voornaam van de dader [verdachte] zou zijn, niet door de politie zijn gehoord.

De verdediging heeft dan ook verzocht de verdachte van deze feiten vrij te spreken, nu er onvoldoende bewijs is dat hij deze heeft gepleegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

  1. Net voordat de dader aan [slachtoffer 4] een kopstoot gaf, hoorde [slachtoffer 3] hem zeggen dat hij net vrij was. Uit het dossier blijkt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 7 september 2015 was geschorst. Hij was dus net een paar maanden op vrije voeten.

  2. Verder hoorde [slachtoffer 3] de dader zeggen dat hij de zoon van de achterbuurmensen was. Later zei zijn zoon [naam zoon slachtoffer 3] dat de dader vaker verblijft op het adres [adresgegevens verdachte] . Laatstgenoemde woning ligt achter de woning van [slachtoffer 4] . De ouders van de verdachte wonen op het adres [adresgegevens verdachte] en de verdachte is daar op 2 januari 2016, dus een paar dagen na dit voorval, aangehouden.
    Het feit dat [slachtoffer 4] de man hoorde zeggen dat zij hun tuin moesten opruimen, kan overigens eveneens verwijzen naar de achterburen.

  3. Direct nadat [slachtoffer 3] door de man in zijn gezicht was geslagen, hoorde hij zijn zoon [naam zoon slachtoffer 3] schreeuwen: ‘Laat hem met rust, [verdachte] .’ [verdachte] is de voornaam van de verdachte.

  4. De verdachte voldoet aan het door [slachtoffer 3] opgegeven signalement.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] in zijn gezicht heeft geslagen en [slachtoffer 4] een kopstoot heeft gegeven.

Vrijspraak feit 3 primair

Onder feit 3 is primair poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling tenlastegelegd.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - onder feit 3 primair: zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 3] tweemaal met kracht in zijn gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan hij hevige pijn had en hevig bloedde uit zijn neus. Het slachtoffer heeft verklaard dat zijn neus was gebroken. Nadere medische informatie hierover ontbreekt echter.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspreken.

3.3.3.3 De conclusie

De rechtbank acht de feiten 3 subsidiair en 4 bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’

3.3.4

Feit 5 onder parketnummer 03/700358-15 – winkeldiefstal met geweld bij Blokker 28

3.3.4.1 De bewijsmiddelen

[naam aangeefster 1] heeft op 13 maart 2015 namens Blokker aangifte gedaan van winkeldiefstal. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 3 maart 2015 bevond [naam aangeefster 1] zich samen met haar collega in het Blokkerfiliaal aan de [adres 5] te Maastricht. Op enig moment zag zij een grote groene lege bigshopper onbeheerd in de winkel staan. Zij sprak een jongeman aan en vroeg of de tas van hem was. De jongeman reageerde vreemd en zei heel zenuwachtig dat de tas van hem was. Hij pakte de tas uit handen van [naam aangeefster 1] . Even later zag [naam aangeefster 1] de jongeman staan in de gang waar de huishoudelijke showmodellen staan. Vervolgens zagen [naam aangeefster 1] en haar collega dat de jongeman een showmodel blender uit het rek nam. Nog later zag [naam aangeefster 1] dat de jongeman richting uitgang liep. Hij had dezelfde groene bigshopper in zijn hand. Deze was gevuld. [naam aangeefster 1] vroeg de jongeman of zij in de bigshopper mocht kijken. Hij antwoordde hierop dat dat niet mocht. De jongeman wilde naar buiten lopen. [naam aangeefster 1] probeerde hem tegen te houden. Ze zei tegen hem dat hij eerst de bigshopper moest leeg maken of op zijn minst moest betalen. De jongeman zei niets tegen [naam aangeefster 1] en duwde haar weg. De jongeman verliet de winkel.

[naam aangeefster 1] zag dat het showmodel van de blender weg was.29

Op 20 maart 2015 bekeek verbalisant [verbalisant 4] de onder nummer 2015047233-2 inbeslaggenomen camerabeelden die door Blokker op een DVD waren aangeleverd. Het betrof beelden van 3 maart 2015 van 15:27:53.613 uur tot 15:32:59.863 uur.

De verbalisant herkende op de beelden [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] . De verbalisant zag dat [verdachte] een product uit het schap pakte en dat hij met een donkere tas richting uitgang liep, waarop een medewerker van de winkel hem tegenhield. Vervolgens zag de verbalisant dat [verdachte] de medewerker aan de kant duwde en de winkel verliet.30

3.3.4.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Op grond van de aangifte en de bevindingen van de verbalisant acht de rechtbank bewezen dat de verdachte bij Blokker een blender heeft gestolen en dat hij, om de vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van de buit te verzekeren, een medewerker van de winkel een duw heeft gegeven.

3.3.4.3 De conclusie

De rechtbank acht dit feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.5

Feit 7 onder parketnummer 03/700358-15 – winkeldiefstal bij Bristol

3.3.5.1 De vrijspraak

Op 11 februari 2015 heeft [naam aangever] namens Bristol te Gronsveld aangifte gedaan van diefstal, gepleegd op 9 februari 2015. Collega’s van [naam aangever] die op de betreffende dag nog een ronde door de winkel hadden gemaakt, kwamen tot de conclusie dat in ieder geval sportkleding zou zijn gestolen, omdat zij lege hangers aantroffen op de sportafdeling. Aangever zou echter pas maanden later kunnen aangeven wat er precies zou zijn gestolen.

Over de diefstal zelf heeft de aangever verklaard dat hij op de camerabeelden heeft gezien dat twee personen de winkel binnenkwamen met een lege big shopper en enkele minuten later de winkel, zonder iets af te rekenen, verlieten met een volle big shopper.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de camerabeelden en heeft de verdachte herkend als de persoon die, in gezelschap van een ander, op 9 februari 2015 met een big shopper de Bristol betrad.

Op 17 augustus 2015 heeft aangever [naam aangever] via een aanvullende verklaring laten weten dat controle van de voorraad heeft uitgewezen dat drie broeken van het merk Adidas zouden zijn weggenomen. Tevens heeft hij aangegeven dat niet de gehele voorraad op de ochtend van 9 februari 2015 is geteld.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit feit. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezenverklaard dat op 9 februari 2015 bij Bristol een of meer broeken (van het merk Adidas) of enig ander goed is/zijn gestolen. Het enkele gegeven dat een controle van de voorraad, enkele maanden na de tenlastegelegde pleegdatum, heeft uitgewezen dat deze broeken zijn gestolen, kan niet leiden tot het bewijs dat deze op 9 februari 2015 zijn gestolen. Er bestaat een meer dan geringe kans dat deze broeken op een ander moment in de periode tussen 9 februari 2015 en de datum van de controle van de voorraad zijn gestolen.

Er is evenmin bewijs voor de diefstal van enig ander goed door de verdachte. Weliswaar heeft aangever [naam aangever] naar aanleiding van de camerabeelden verklaard dat de big shopper leeg was bij het betreden van de winkel en gevuld bij het verlaten van de winkel, maar de rechtbank heeft dit op de beelden niet kunnen waarnemen. De camerabeelden lijken juist uit te wijzen dat de big shopper bij het betreden van de winkel niet leeg was.

3.3.5.2 De conclusie

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit feit.

3.3.6

Feit 8 onder parketnummer 03/700358-15 – poging tot doodslag / poging tot zware mishandeling / mishandeling van [slachtoffer 2] 31

3.3.6.1 Inleiding

Dat zich op 5 april 2015 een en ander heeft afgespeeld tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en aangever [slachtoffer 2] anderzijds wordt door niemand betwist. De vraag die de rechtbank echter dient te beantwoorden is of de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar te mishandelen, dan wel hem heeft mishandeld. Voor de rechtbank staat op grond van diverse verklaringen vast dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op [slachtoffer 2] zijn afgegaan toen deze arriveerde bij het appartementencomplex van [slachtoffer 1] , dat vervolgens door de verdachte en/of [medeverdachte] iets is geroepen over de brommer van [slachtoffer 2] en dat daarna een vechtpartij is ontstaan. Vanwege de grote verschillen in de verklaringen van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , aangever [slachtoffer 2] en de verschillende getuigen, bestaat er voor de rechtbank echter te veel onzekerheid over een groot gedeelte van de feiten. De rechtbank kan niet in voldoende mate vaststellen wie wat heeft gedaan. Dit betekent dat de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig acht voor het steken met een mes (dan wel een scherp en/of puntig voorwerp) en voor het meermalen schoppen.

Ten aanzien van het geven van één schop tegen het hoofd bestaat naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende duidelijkheid. Hiervoor verwijst zij naar het kopje ‘De bewijsmiddelen’.

3.3.6.2 De bewijsmiddelen

Op 6 april 2015 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 5 april 2015 was [slachtoffer 2] bij [slachtoffer 1] op het adres [adres 2] te Maastricht. Hij ging even naar het tankstation. Toen hij met zijn scooter terugkwam en deze parkeerde zag hij [verdachte] en [medeverdachte] staan. [verdachte] zei in de richting van [medeverdachte] : ‘Kom we pakken dat ding’, waarmee hij duidde op de scooter. Vervolgens voelde [slachtoffer 2] een flinke schop tegen zijn hoofd. Hij voelde direct een flinke pijnscheut aan zijn linker oogkas.32

Door een verbalisant werd gezien dat [slachtoffer 2] letsel had aan zijn gezicht. Hij had letsel aan zijn rechter oog.33

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op 7 april 2015 onder meer het volgende verklaard:

Op zondag (de rechtbank begrijpt: 5 april 2015) was [medeverdachte] bij [verdachte] . Er was een vechtpartij geweest. Er ontstond een ruzie, waarbij [medeverdachte] , [verdachte] en een jongen die ze [slachtoffer 2] noemen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) waren betrokken. [verdachte] en [slachtoffer 2] waren aan het rollebollen. [medeverdachte] heeft een beetje kunnen trappen.34

3.3.6.3 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangever [slachtoffer 2] is belaagd door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen, waarbij hij minimaal eenmaal tegen het hoofd is geschopt. Ten gevolge hiervan heeft [slachtoffer 2] letsel opgelopen.

3.3.6.4 De verweren

Het verweer van de verdediging dat er geen bewijs is voor het door de verdachte tezamen en in vereniging met een ander schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.

3.3.6.5 De vrijspraak van feit 8 primair en subsidiair

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood (onder primair) en zwaar lichamelijk letsel (onder subsidiair) - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte, tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] , het slachtoffer [slachtoffer 2] eenmaal tegen het hoofd heeft geschopt, ten gevolge waarvan hij pijn en letsel had.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door dit handelen sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder 8 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

3.3.6.6 De conclusie

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 8 primair en subsidiair. Feit 8 meer subsidiair acht zij bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.7

Feit 9 onder parketnummer 03/700358-15 – poging tot doodslag / poging tot zware mishandeling / mishandeling van [slachtoffer 1] 35

3.3.7.1 De bewijsmiddelen

Op 6 april 2015 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan. Op 13 april 2015 is hij nogmaals gehoord. [slachtoffer 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 5 april 2015 was aangever [slachtoffer 1] in zijn woning samen met een vriend van hem, genaamd [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ).

Op een gegeven moment ging [slachtoffer 2] naar huis. [slachtoffer 1] liep met [slachtoffer 2] mee ter beveiliging en eventueel ter bemiddeling, omdat [slachtoffer 2] had verteld dat hij even daarvoor in elkaar was geslagen. [slachtoffer 1] nam een plastic zak mee met daarin een koevoet. Beneden gekomen pakte [slachtoffer 2] zijn brommer en reed ermee weg. Op datzelfde moment kwamen [verdachte] en een Marokkaanse jongen recht op [slachtoffer 1] afgelopen. [verdachte] schreeuwde: “Jij bent je flat kwijt.” en “We schieten je kapot.” of woorden van dergelijke strekking.36 Toen [verdachte] tegen [slachtoffer 1] begon te schelden, sloegen [verdachte] en de Marokkaan naar hem.37

Toen [verdachte] en de Marokkaanse jongen bij [slachtoffer 1] stonden, voelde hij een steek in zijn linker bovenarm/schouder. Hij zag geen mes, maar zag wel dat de Marokkaanse jongen een stekende beweging maakte op het moment van de pijn. Vervolgens weerde [slachtoffer 1] zich af met de koevoet. [verdachte] kwam nog dreigend op [slachtoffer 1] af. Ook toen maakte [slachtoffer 1] een afwerende beweging met de koevoet richting [verdachte] .38

De getuige [getuige 4] heeft op 6 april 2015 onder meer het volgende verklaard:

Op 5 april 2015 omstreeks 22:10 uur bevond getuige [getuige 4] zich in zijn woning aan de [adres 6] te Maastricht. Met een vriend liep hij naar de hoofdingang. In de trappenhal zag [getuige 4] drie personen staan. Hij herkende twee van de drie personen als [verdachte] en [slachtoffer 1] , beiden woonachtig in hetzelfde complex. [verdachte] en de derde persoon stonden in een vechthouding tegenover [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] bloedde aan zijn arm. [slachtoffer 1] zwaaide met een zak van de Aldi van links naar rechts; hij probeerde zo de twee personen af te weren. [verdachte] sloeg [slachtoffer 1] met zijn rechter- en linkerhand. Terwijl [verdachte] sloeg hield de derde persoon [slachtoffer 1] vast. Vervolgens zag [getuige 4] dat [slachtoffer 1] wist weg te rennen.39

De verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was bij dit incident. Hij heeft onder meer verklaard dat [slachtoffer 1] met iets, wat hij met twee handen vast hield, aan het zwaaien was. Hij voelde dat [slachtoffer 1] hem met iets aan zijn arm raakte.40

Op 6 april 2015 is aangever [slachtoffer 1] onderzocht door een arts. Deze concludeerde dat sprake was van een steekwond aan de linker bovenarm en van uitwendig bloedverlies. De geschatte duur van de genezing bedroeg twee maanden.41

3.3.7.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

De feiten

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] stelt de rechtbank vast dat de verdachte en een Marokkaanse jongen naar [slachtoffer 1] zijn toegegaan en hem hebben aangevallen. De verdachte schreeuwde onder meer: ‘We schieten je kapot.’ Terwijl de verdachte naar [slachtoffer 1] schreeuwde, werd laatstgenoemde geslagen door de verdachte en de Marokkaanse jongen. Op enig moment stak de Marokkaanse jongen [slachtoffer 1] met een mes of een soortgelijk voorwerp in zijn arm. Door de arts werd een steekwond geconstateerd.

Dat [slachtoffer 1] ook daarna nog door de verdachte werd geslagen, terwijl de mededader [slachtoffer 1] vasthield, blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 4] .

Naar het oordeel van de rechtbank vinden deze feiten steun in de verklaring van de verdachte dat hij met het voorwerp waarmee [slachtoffer 1] aan het zwaaien was, is geraakt. Hieruit blijkt immers dat de verdachte zeer dichtbij stond.

Overigens acht de rechtbank niet bewezen dat [slachtoffer 1] een kniestoot heeft gekregen, nu hij hierover zelf niet heeft verklaard.

Is er sprake van medeplegen?

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Hierboven heeft de rechtbank uiteengezet wat zij heeft vastgesteld op grond van de bewijsmiddelen. Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het steken met het mes acht de rechtbank met name van belang dat:

  • -

    de verdachte en de Marokkaanse jongen samen op [slachtoffer 1] zijn afgegaan;

  • -

    de verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd dat ze hem kapot gingen schieten;

  • -

    [slachtoffer 1] vervolgens door de verdachte en de Marokkaanse jongen is geslagen;

  • -

    [slachtoffer 1] bovendien door de Marokkaanse jongen met een mes (of ander scherp voorwerp) in zijn arm is gestoken;

  • -

    [slachtoffer 1] daarna nog door de verdachte is geslagen, terwijl de Marokkaanse jongen hem vasthield;

  • -

    de aanval op [slachtoffer 1] heeft geduurd tot het moment dat hij wist weg te rennen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader - de Marokkaanse jongen - die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Waarop is het opzet gericht?

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood (onder primair), dan wel zwaar lichamelijk letsel (onder subsidiair) - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, het slachtoffer [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en eenmaal met een mes, dan wel een ander scherp en/of puntig voorwerp, in de bovenarm heeft gestoken, ten gevolge waarvan hij pijn en letsel had.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, wel op zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig letsel aan een van de belangrijke spieren in de bovenarm.

3.3.7.3 De verweren

De verdediging heeft onder meer aangevoerd dat:

  1. de verdachte eerst naar [slachtoffer 1] is gelopen toen deze met een andere persoon aan het rollebollen was en dat de verdachte deze personen uit elkaar wilde halen;

  2. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij niet door de verdachte in zijn arm is gestoken;

  3. het slaan door de verdachte geen steun vindt in de verklaring van [slachtoffer 1] .

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging onder a en c, omdat dit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Ook verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging onder b, nu de rechtbank, zoals zij hierboven heeft overwogen, bewezen acht dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd met zijn mededader.

3.3.7.4 De conclusie

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 9 primair. Het onder 9 subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.8

Feit 1 onder parketnummer 03/700572-14 – winkeldiefstal bij Kruidvat 42

3.3.8.1 De bewijsmiddelen

Op 15 september 2014 heeft [naam aangeefster 2] aangifte gedaan van winkeldiefstal bij Kruidvat op het adres [adres 7] te Maastricht. Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 15 september 2014 omstreeks 10:00 uur zag aangeefster [naam aangeefster 2] een man de winkel binnen komen. Bij binnenkomst pakte hij een mandje. Hij liep door de winkel en stopte bij de gezichtsverzorging. Vervolgens liep hij met het mandje naar de tandenborstels.

[naam aangeefster 2] liep in de richting van de man en zag dat hij stil stond voor de elektrische tandenborstels. Vervolgens liep de man hard weg met het mandje. Hij rende de winkel uit. [naam aangeefster 2] keek naar de schappen en zag dat alle elektrische tandenborstels weg waren.

[naam aangeefster 2] bekeek de camerabeelden en zag daarop dat de man verschillende verpakkingen gezichtsverzorging in het mandje deed en diverse mascara’s wegnam. Verder zag zij dat de man ter hoogte van de elektrische tandenborstels meerdere pakketten wegnam.

Een klant riep: ‘Ik weet wie dat is, dat is [verdachte] . Die woonde vroeger bij mij in de buurt.’43

Volgens de goederenbijlage bij de aangifte zijn in ieder geval gestolen:

  • -

    acht elektrische tandenborstels, merk Oral-B;

  • -

    cosmetica, achttien stuks, diverse make-up benodigdheden;

  • -

    cosmetica, drie stuks, merk L’Oréal, skinperfection;

  • -

    cosmetica, merk L’Oréal, revitalift;

  • -

    cosmetica, twee stuks, merk L’Oréal, age perfect;

  • -

    cosmetica, merk L’Oréal, retalift laser x 3.44

Naar aanleiding van een melding kwamen de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] op 15 september 2014 te 10:35 uur op de Begoniastraat te Maastricht. De verbalisanten zagen een witte scooter geparkeerd staan. Naast de scooter stond een roodkleurige winkelmand die zij herkenden als een winkelmand van Kruidvat. In de mand lagen diverse elektrische tandenborstels en gezichtsverzorgingsproducten, geheel in verpakking met beveiliging. Op deze producten zagen zij prijsstickers van Kruidvat.

Op dat moment kwam een persoon aanlopen. Deze man, [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] , reageerde ongevraagd dat deze spullen van hem waren en bestemd waren voor zijn jarige oma.

De verbalisanten namen de goederen mee naar het bureau om een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst ervan.

Later diezelfde dag zagen de verbalisanten dat in de buddyseat van de scooter diverse verpakkingen van elektrische tandenborstels lagen met beveiliging. Voorts troffen zij in de buddyseat een zwarte toilettas aan met daarin een tiental nieuwe mascara’s.45 Uiteindelijk zijn onder meer de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:

  • -

    cosmetica, merk L’Oréal, revitalift;

  • -

    cosmetica, twee stuks, merk L’Oréal, age perfect;

  • -

    cosmetica, merk L’Oréal, retalift laser x 3;

  • -

    acht elektrische tandenborstels, merk Oral-B;

  • -

    cosmetica, achttien stuks, diverse make-up benodigdheden;

  • -

    cosmetica, drie stuks, merk L’Oréal, skinperfection.46

Op 24 september 2014 was verbalisant [verbalisant 7] belast met het uitlezen van camerabeelden die betrekking hadden op een winkeldiefstal op 15 september 2014, omstreeks 10:00 uur, uit de Kruidvat, gelegen aan de [adres 7] te Maastricht.

De verbalisant herkende op de camerabeelden de dader van de winkeldiefstal als [verdachte] , geboren op [geboortegegevens verdachte] . Op een gegeven moment verliet hij de winkel in versneld tempo zonder te betalen met een gevuld rood winkelmandje.47

3.3.8.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 15 september 2014 bij Kruidvat verpakkingen gezichtsverzorging, mascara’s en elektrische tandenborstels heeft gestolen.

3.3.8.3 De conclusie

De rechtbank acht dit feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.3.9

Feit 2 onder parketnummer 03/700572-14 – wederspannigheid 48

3.3.9.1 De bewijsmiddelen

Op 25 december 2014 omstreeks 23:20 uur was verbalisant [verbalisant 8] , hoofdagent van politie, belast met de incidentenafhandeling in het district Maastricht. Hij was in burger gekleed en reed in een onopvallend dienstvoertuig. Op datzelfde tijdstip zag de verbalisant op de hoek van de Gentelaan en Courtoisstraat te Maastricht [verdachte] en een andere man in de portiek van een flatgebouw staan. Toen hij deze personen op vijf meter was genaderd, zag hij dat [verdachte] briefgeld aan de andere man gaf. Hij zag minimaal een briefje van tien en een briefje van twintig euro. Verder zag de verbalisant dat de andere man aan [verdachte] een klein plastic zakje met een bruine substantie gaf. De verbalisant liep naar de twee mannen toe, pakte zijn politielegitimatie en toonde deze aan hen. Hierop deelde hij beide mannen mede dat zij waren aangehouden op grond van de Opiumwet. Hij sommeerde beiden mee te lopen naar het dienstvoertuig.

De verbalisant pakte [verdachte] met zijn linkerhand beet bij zijn linkerpols. De andere man pakte hij bij zijn rechterpols beet met zijn rechterhand. Hij plaatste beide mannen tegen het dienstvoertuig en vroeg portofonisch om versterking.

De verbalisant hoorde dat [verdachte] vroeg of hij van de politie was. Hierop toonde de verbalisant nogmaals zijn politielegitimatie.

Vervolgens zag en voelde hij dat [verdachte] zich los wilde trekken. Terwijl hij dit probeerde, zag hij dat [verdachte] met zijn linkerhand sloeg in de richting van zijn gezicht. De verbalisant kon deze slag ontwijken. Na een korte en heftige worsteling kon de verbalisant [verdachte] middels een nekklem onder controle brengen. Tijdens de worsteling zag en voelde hij dat [verdachte] zijn spieren aanspande en zich in een andere richting wilde bewegen dan de richting die de verbalisant hem wilde bewegen. [verdachte] bleef proberen los te komen.49

De verdachte heeft hierover op 26 december 2014 onder meer het volgende verklaard:

De verdachte stond op 25 december 2014 op straat. Vervolgens kwam er een man uit een auto. Deze man pakte hem vast. De man zei dat hij van de politie was. De verdachte probeerde zich los te trekken.50

3.3.9.2 Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen een politieagent toen deze hem had aangehouden en had vastgepakt.

3.3.9.3 De conclusie

De rechtbank acht dit feit bewezen, zoals weergegeven onder het kopje ‘De bewezenverklaring’.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Onder parketnummer 03/700358-15

feit 1

omstreeks 22 juli 2015, in de gemeente Maastricht, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door voornoemde [slachtoffer 1] meerdere malen met een mes te steken;

feit 2

op 8 mei 2015 te Maastricht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3 subsidiair

op 31 december 2015, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ) meermalen (met gebalde vuist) tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 4

op 31 december 2015, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4] ) een kopstoot tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 5

op 3 maart 2015, in de gemeente Maastricht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blender, toebehorende aan Blokker, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [naam aangeefster 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij voornoemde [naam aangeefster 1] heeft weggeduwd;

feit 8 meer subsidiair

op 5 april 2015, in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) tegen het hoofd heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 9 subsidiair

op 5 april 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in een bovenarm heeft gestoken en die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Onder parketnummer 03/700572-14

feit 1

op 15 september 2014 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- diverse verpakkingen gezichtsverzorging en

- diverse stuks mascara en

- diverse elektrische tandenborstels,

toebehorende aan Kruidvat;

feit 2

op 25 december 2014 in de gemeente Maastricht, toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar (te weten [verbalisant 8] , hoofdagent van politie) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te slaan in de richting van die opsporingsambtenaar en te rukken en te trekken en te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Onder parketnummer 03/700358-15

feit 1

doodslag

feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feiten 3 subsidiair en 4 (telkens):

mishandeling

feit 5

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

feit 8 meer subsidiair

medeplegen van mishandeling

feit 9 subsidiair

medeplegen van poging tot zware mishandeling

Onder parketnummer 03/700572-14

feit 1

diefstal

feit 2

wederspannigheid

4.2

De strafbaarheid van het feit

4.2.1

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 (de doodslag van [slachtoffer 1] ) op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte zich dan ook mocht verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] . Hiertoe heeft zij aangevoerd dat:

  • -

    [slachtoffer 1] de verdachte eerst met een schep op het hoofd heeft geslagen;

  • -

    [slachtoffer 1] , op het moment dat de verdachte ten gevolge van de klap met de schep ten val was gekomen, met zijn lichaam vol op de verdachte terecht is gekomen;

  • -

    [slachtoffer 1] vervolgens met twee handen om de hals van de verdachte een wurggreep heeft toegepast;

  • -

    de verdachte, om de aanval op zijn leven te stoppen, geen andere keuze had dan zijn mes te pakken en [slachtoffer 1] hiermee te steken;

  • -

    is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Gelet hierop heeft de verdediging verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken, dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4.2.2

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 (de doodslag van [slachtoffer 1] ) van een noodweersituatie geen sprake is geweest. Hiertoe heeft hij het volgende naar voren gebracht.

Op de betreffende dag zijn er drie confrontatiemomenten geweest tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Bij de eerste twee momenten was de verdachte de agressor. De eerste keer maakte hij met zijn hand een snijbeweging langs zijn hals in de richting van [slachtoffer 1] toen deze langs de woning liep waar de verdachte op bezoek was. De tweede keer kwam hij tijdens een scheldpartij tussen hem van [slachtoffer 1] met een stok naar buiten. Bij de derde confrontatie kwam [slachtoffer 1] met een spade naar de woning van de verdachte. In plaats van dat hij in zijn woning bleef, kwam de verdachte naar buiten en bewapende hij zich met een mes. Nu hij vervolgens niet is weggegaan, terwijl hij daartoe op verschillende momenten in de gelegenheid is geweest, is van noodweer geen sprake. Hiertoe heeft de officier van justitie verwezen naar een vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 januari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH0730.

Tijdens de worsteling stak de verdachte [slachtoffer 1] meermalen met het mes. De verklaring van de verdachte dat hij door [slachtoffer 1] in zijn hand werd gebeten en werd gewurgd, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Bovendien had de verdachte het slachtoffer in andere, niet vitale lichaamsdelen kunnen steken. Ook gelet hierop is de officier van justitie van mening dat een beroep op noodweer niet kan slagen.

Ten slotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat, indien de rechtbank niettemin van oordeel is dat er wel al een noodweersituatie was, er sprake is van ‘culpa in causa’: de verdachte heeft de situatie van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zelf gecreëerd.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 (de doodslag van [slachtoffer 1] ) heeft gehandeld uit noodweer, neemt de rechtbank het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake noodweer en noodweerexces - Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 - als uitgangspunt.

De Hoge Raad heeft in dit arrest onder meer overwogen:

‘3.1.2. (…)

Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.

Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.’

en

‘3.3. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging”, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.’

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Deze zijn op bepaalde punten anders dan de feiten en omstandigheden waarvan de verdediging respectievelijk de officier van justitie is uitgegaan.

Op 22 juli 2015, kort voor middernacht, waren de verdachte en [slachtoffer 1] tegen elkaar aan het schreeuwen. De verdachte bevond zich op dat moment in zijn tuin en [slachtoffer 1] bevond zich op korte afstand daarvan, op de parkeerplaats, dan wel ter hoogte van de ingang van het appartementencomplex waar hij woonde. Vervolgens ging de verdachte zijn woning binnen en liep ook [slachtoffer 1] weg, terwijl hij riep: ‘Ik kom zo terug.’

Korte tijd later stond [slachtoffer 1] weer buiten, nu met een spade in zijn handen. Hij liep in de richting van de woning van de verdachte. Hierop ging de verdachte, die nog in zijn woning was, naar buiten. [slachtoffer 1] en de verdachte liepen naar elkaar toe. Dat de verdachte binnen was op het moment dat [slachtoffer 1] met een spade in de richting van zijn woning liep en vervolgens zijn woning verliet en naar [slachtoffer 1] liep, leidt de rechtbank af uit de verklaringen van de verdachte zelf (op pagina 101 van het proces-verbaal), alsmede uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , 583681 en [getuige 5] .

Toen [slachtoffer 1] en de verdachte naar elkaar toe liepen, had [slachtoffer 1] een spade in zijn hand en de verdachte een stok - een boomtak zonder schors. Vervolgens sloegen beide personen op elkaar in. Dit leidt de rechtbank af uit de verklaring van getuige 583681, welke verklaring steun vindt in het aantreffen van een dergelijke stok op de grond ter hoogte van de overgang van het pad naar de tuin van de verdachte, op zeer korte afstand van een grote plas bloed (gerelateerd in het proces-verbaal PD onderzoek, gelezen en gezien in samenhang met de fotomap).

De verdachte werd met de spade geraakt op zijn hoofd en viel in de worsteling die volgde tussen beiden op de grond. [slachtoffer 1] lag bovenop hem. Op enig moment pakte de verdachte een mes uit zijn broek en stak hij [slachtoffer 1] hiermee 20 keer in zijn lichaam.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de handelingen van de verdachte op het moment dat hij met een stok op [slachtoffer 1] afliep, gelet op zijn bedoeling, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Deze handelingen moeten - naar de kern bezien - als aanvallend worden aangemerkt, als deelneming aan het gevecht. Hierbij betrekt de rechtbank het gegeven dat de verdachte binnen had kunnen blijven en de confrontatie niet had hoeven aangaan.

Op het moment dat de verdachte op zijn rug op de grond lag met [slachtoffer 1] bovenop hem, zou naar het oordeel van de rechtbank alsnog een noodweersituatie kunnen ontstaan, bijvoorbeeld als een ‘eenvoudige vechtpartij’ zou verworden tot een voor de verdachte levensbedreigende situatie. In dit verband is van belang dat de verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem in een verwurging vastpakte. Het bijna stikken door de verwurging gaf voor de verdachte de doorslag om [slachtoffer 1] te steken, aldus de verdachte.

De rechtbank acht de door de verdediging aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden met betrekking tot de beweerde verwurging echter niet aannemelijk geworden. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

In de eerste plaats heeft de verdachte pas in zijn tweede verhoor (van 25 juli 2015) verklaard over een verwurging door [slachtoffer 1] . In zijn eerste verhoor (van 23 juli 2015) heeft hij verklaard dat hij zich heeft verdedigd omdat [slachtoffer 1] bijna verdachtes vinger eraf had gebeten, dat hij bang was dat hij daardoor besmet zou zijn met AIDS en Hepatitis C, en bewegingen had gemaakt om de spade weer te pakken.

In de tweede plaats is door de forensisch geneeskundigen, die de verdachte kort na 22 juli 2015 hebben onderzocht, geen letsel aan de hals van de verdachte waargenomen en waren er volgens hen geen tekens van beschadigingen aan de luchtwegen. Weliswaar sluit de afwezigheid van letsels, zichtbaar met de zogenoemde forensische lichtbron, geweld op de hals niet uit, maar het is wel uitgesloten dat er bij de verdachte in of direct onder de huid forse bloeduitstortingen waren. Forensisch geneeskundige F.J.A. Poettgens heeft daarnaast gerapporteerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat bij de verdachte sprake was van een beschadiging van de bovenste luchtwegen dan wel het strottenhoofd, nu hij geen functionele klachten had aan de bovenste luchtwegen.

Overigens was er evenmin een indicatie voor wondjes aan de hand die veroorzaakt zouden kunnen zijn door een beet.

In de derde plaats hebben de getuigen [getuige 1] en 583681 die samen [slachtoffer 1] van verdachte af hebben getrokken, de verwurging moeten zien. Getuige [getuige 1] die tijdens de hele worsteling aanwezig was, heeft niet verklaard over een verwurging, ook niet tijdens de reconstructie. Zij verklaart tijdens de reconstructie juist dat de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar tijdens de worsteling met de vuisten te lijf gingen. Zij heeft overigens op 23 juli 2015 bij de politie verklaard dat ze de schep heeft weggegooid nadat de verdachte daarmee was geslagen. De andere getuige heeft de verwurging evenmin waargenomen. Hij verklaart immers enkel: ‘Ik meende gezien te hebben dat [slachtoffer 1] [verdachte] aan het wurgen was. Maar de greep heb ik niet precies gezien.’ (pagina 253 van het proces-verbaal politie) en ‘Naar mijn idee was [slachtoffer 1] hem aan het verwurgen, maar ik weet het niet honderd procent zeker.’ (pagina 254 van het proces-verbaal van politie). Deze getuige heeft op grond van zijn waarnemingen geconcludeerd dat er sprake was van een verwurging, maar - zoals hiervoor opgemerkt - hij had het moeten zien op het moment dat hij erbij staat.

De rechtbank neemt aan dat getuige 583681 in zijn vermoeden dat de verdachte gewurgd werd, is gevoed door zijn waarneming nadien dat de verdachte, nadat hij onder [slachtoffer 1] was uitgekomen, zo rood zag als een tomaat en zeker nog een halve minuut naar adem snakte.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van de verdachte in de kern als aanvallend dienen te worden aangemerkt en dat hij de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank verwerpt dan ook het noodweerverweer van de verdediging.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluiten.

Overigens is de rechtbank niet ingegaan op het door de officier van justitie genoemde vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 januari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH0730, nu dit vonnis door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010: BN0221 gedeeltelijk is vernietigd en wel juist op een voor het standpunt van de officier van justitie cruciaal punt. Het hof heeft in die zaak het beroep op noodweerexces immers wel gehonoreerd.

4.2.4

De strafbaarheid van de overige feiten

Ook ten aanzien van de overige feiten zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid ervan uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het beroep op noodweerexces

De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover de verdachte in de verdediging tegen [slachtoffer 1] de grenzen van de proportionaliteit zou hebben overschreden, hij heeft gehandeld in een hevige gemoedstoestand, die direct terug te voeren is op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] . De verdediging heeft de rechtbank dan ook verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake zou zijn van noodweerexces.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een noodzakelijke verdediging geen sprake was en het beroep op noodweerexces dan ook niet kan slagen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hiertoe het volgende.

Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen is zij van oordeel dat de handelingen van de verdachte in de kern als aanvallend dienen te worden aangemerkt en dat hij de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Gelet hierop kan ook van noodweerexces geen sprake zijn.

5.2

Overige overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte

De psycholoog H.E.W. Koornstra heeft over de geestvermogens van de verdachte op 8 december 2015 en op 16 februari 2016 een rapport respectievelijk een aanvullend rapport uitgebracht. De psycholoog heeft in haar eerste rapportage geconcludeerd dat, hoewel het duidelijk is dat bij de verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en beperkte oplossingsvaardigheden, niet geadviseerd kan worden tot enige vermindering van toerekeningsvatbaarheid, omdat er geen directe doorwerking duidelijk wordt in het incident (de doodslag van [slachtoffer 1] ).

In haar aanvullende rapport van 16 februari 2016, naar aanleiding van een onderzoek waaraan de verdachte zijn medewerking heeft geweigerd, heeft de psycholoog gerapporteerd dat het bestaan van de eerdere aangiften over en weer tussen de verdachte en de aangevers/ slachtoffers, niet de conclusies uit het onderzoek van 8 december 2015 met betrekking tot het feit van 22 juli 2015 verandert. Over de overige zaken kon de psycholoog geen uitspraak doen vanwege verdachtes weigering om mee te werken.

De rechtbank begrijpt de conclusies en het advies van de psycholoog en neemt het advies over.

5.3

Conclusie

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen jaren met aftrek van voorarrest.

Hiertoe heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de verdachte een lang strafblad heeft, gewelddadige delicten heeft gepleegd en geen intentie heeft tot verbetering van zijn gedrag. De officier van justitie vindt het ongelofelijk dat de verdachte zelfs na de doodslag op [slachtoffer 1] [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft mishandeld.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest. Hierbij is de verdediging uitgegaan van een veroordeling voor slechts de feiten 5 onder parketnummer 03/700358-15 en de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03/700572-14.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft in een periode van nog geen zestien maanden negen misdrijven gepleegd. Zo heeft hij twee winkeldiefstallen gepleegd, te weten bij Kruidvat en Blokker, heeft hij zich verzet bij zijn aanhouding, heeft hij verschillende personen, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] mishandeld en heeft hij laatstgenoemde op een ander moment bedreigd met de dood. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om samen met een ander [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het slachtoffer werd hierbij met een mes (of een ander scherp/puntig voorwerp) in zijn bovenarm gestoken en werd bovendien geslagen. Ten slotte heeft de verdachte deze [slachtoffer 1] ruim drie maanden later opzettelijk gedood.

Bij het bepalen van de passende en geboden straf voor deze feiten ligt het zwaartepunt uiteraard bij het opzettelijk om het leven brengen van [slachtoffer 1] .

De strafmaat voor de doodslag

De verdachte heeft [slachtoffer 1] tijdens een worsteling 20 messteken toegebracht. Ten gevolge van enkele van deze messteken is [slachtoffer 1] korte tijd later in het ziekenhuis overleden. De verdachte heeft hiermee een van de ernstigste strafbare feiten gepleegd die het Wetboek van Strafrecht kent. Zijn leven, het meest fundamentele rechtsgoed dat een mens bezit, heeft hij van het slachtoffer afgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de strafsoort en strafmaat voor dit feit niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij straffen die voor doodslag worden opgelegd: gevangenisstraffen tussen zes en twaalf jaren en in het bijzonder bij de straffen die door het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch - de hoger beroepsinstantie van deze rechtbank - in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, waarbij het hof in de regel voor doodslag een gevangenisstraf oplegt van niet minder dan acht jaar.

In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank bovendien rekening met het volgende:

1. De verdachte heeft met zijn handelen de partner van het slachtoffer [slachtoffer 1] , zijn familie en andere nabestaanden een diep leed toegebracht. Zo heeft een van de familieleden op zitting gesproken van een dramatisch einde voor de partner en de familie. Zij kenden [slachtoffer 1] als iemand die na een moeilijk leven met een zwervend bestaan, waarin alcohol en drugs een rol hebben gespeeld, aan een beter leven was begonnen, zonder drugs en zonder schulden. [slachtoffer 1] was een sympathiek persoon die respect had voor zijn medemens en op wie zijn werkgever altijd kon rekenen. De familieleden met wie [slachtoffer 1] weer was verenigd, droegen hem een warm hart toe, en zij betreuren het dat [slachtoffer 1] de kans niet heeft gekregen zijn opwaartse weg voort te zetten.

2. De worsteling en de erop volgende doodslag vonden plaats in de tuin van de verdachte, maar was, evenals de eraan voorafgaande ruzie, zichtbaar vanaf de openbare weg. Er zijn dan ook diverse buurtbewoners getuige geweest van de gewelddadige wijze waarop [slachtoffer 1] om het leven is gebracht. Een feit als dit kan diep ingrijpen in het leven van getuigen en leidt veelal tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

3. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in verschillende gevallen degene is geweest die woordelijk, dan wel fysiek, de confrontatie met anderen heeft gezocht. Zo is hij - kennelijk zonder reden - afgestapt op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en heeft hij hen beiden mishandeld. Daarnaast heeft hij [slachtoffer 2] woordelijk bedreigd. Bovendien is verdachte degene geweest die bij een eerdere gelegenheid op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is afgegaan, waarbij [slachtoffer 2] is mishandeld en waarbij is geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het gemak waarmee door de verdachte geweld wordt toegepast en het feit dat hij er niet voor terugschrikt om dit samen anderen te doen, zijn voor de rechtbank zeer zorgelijk.
Het is tekenend dat de verdachte eerst nu, nadat een confrontatie heeft geleid tot de dood van een slachtoffer, zelf aangeeft dat hij “over de schreef” is gegaan. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte dit werkelijk meent, heeft hij nadien desondanks nog [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zonder aanleiding mishandeld.
Wat het allemaal nog betreurenswaardiger maakt is dat [slachtoffer 1] , die in het dossier naar voren komt als een persoon die eerder was geneigd om een ruzie te sussen en de confrontatie te mijden, in een conflict tussen de verdachte en [slachtoffer 2] lijkt te zijn meegetrokken.

4. Uit het strafblad van de verdachte - het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2017 - blijkt dat de verdachte eerder voor meerdere geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden:

  1. Niet de verdachte, maar het slachtoffer, is op 22 juli 2015 degene geweest die als eerste de confrontatie heeft gezocht. Weliswaar had de verdachte niet in de tegenaanval mogen gaan en had hij zich aan de confrontatie dienen te onttrekken, maar dat hij niet de aanstichter is geweest spreekt enigszins in zijn voordeel.

  2. Op het moment dat de verdachte het slachtoffer meermalen met een mes stak, bevond hij zich in een benarde situatie, liggend op zijn rug met het slachtoffer bovenop hem, terwijl hij zojuist een klap op zijn hoofd had gekregen met een spade.

  3. De verdachte heeft aangegeven dat het hem raakt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] door zijn toedoen is overleden, dat hij weet dat hij te ver is gegaan en dat hij zelfs over zíjn schreef is gegaan. De rechtbank meent dat de verdachte hierin oprecht is.

  4. Zoals de rechtbank heeft overwogen onder het kopje ‘De strafbaarheid van de verdachte’ heeft de psycholoog H.E.W. Koornstra over de geestvermogens van de verdachte op 8 december 2015 een rapport uitgebracht. De psycholoog heeft onder meer het volgende gerapporteerd.
    De verdachte is een zwakbegaafde man met persoonlijkheidsproblematiek die zich kenmerkt door antisociale trekken, borderline trekken en ADHD. Daar de primaire problematiek schuilt in de cognitieve beperking en de persoonlijkheidsproblemen verbleken bij afdoende structuur, wordt niet gesproken van een persoonlijkheidsstoornis.
    Er bestaan sterke aanwijzingen voor het bestaan van een posttraumatische stressstoornis als gevolg van het feit waarbij [slachtoffer 1] is gedood.
    De verdachte is zonder afdoende structuur impulsief en toont zich weinig verantwoordelijk waarbij hij zich vooral laat leiden door hedonistische principes. Hij laat zich weinig gelegen liggen aan de ander. Het geweten is extern bepaald.
    Ondanks de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en zijn beperkte oplossingsvaardigheden kan de psycholoog niet adviseren tot enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, omdat er geen directe doorwerking duidelijk is geworden in het incident (de doodslag). Mogelijk heeft verdachtes problematiek wel aanleiding gegeven tot de conflictueuze situatie of de onmogelijkheid hierin tot een oplossing te komen in de maanden voorafgaande aan het feit.
    De rechtbank begrijpt deze conclusies van de psycholoog en zal deze bij de afweging van de op te leggen straf meewegen.

Een en ander tegen elkaar afwegend acht de rechtbank alleen al voor dit feit een gevangenisstraf van acht jaar passend en geboden.

De strafmaat voor de overige feiten

Ten aanzien van de overige feiten zoekt de rechtbank aansluiting bij de door de Rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting, voor zover deze voor de verschillende feiten bestaan.

In het nadeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden:

  1. Door het plegen van de drie mishandelingen, de poging tot zware mishandeling en de bedreiging heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van de slachtoffers. Naar algemene ervaringsregels geldt dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd nadien gevoelens van angst en onveiligheid ervaren. Ook in de maatschappij leidt dit soort zinloos geweld tot gevoelens van onrust en onveiligheid.

  2. Door het plegen van de diefstallen heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor de eigendom van anderen. Vooral de brutaliteit van de diefstallen spreekt boekdelen. Bij de winkeldiefstal bij Kruidvat heeft de verdachte simpelweg een winkelmandje volgeladen en is vervolgens zonder blikken of blozen de winkel uitgelopen. Bij de diefstal bij Blokker duwde de verdachte een medewerkster van de winkel weg toen deze hem erop aansprak om zijn tas leeg te maken, waarop hij de winkel met de buit verliet.

  3. Uit de wederspannigheid blijkt dat de verdachte geen enkel respect heeft voor het gezag van een politieagent op straat.

  4. De verdachte heeft een groot gedeelte van de feiten gepleegd, terwijl de voorlopige hechtenis (in een of meer zaken) was geschorst.

  5. De verdachte heeft de feiten gepleegd in de proeftijd van een op 3 oktober 2013 opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel, terwijl hij in ieder geval vanaf 10 augustus 2015 (de eerste zitting waarop de officier van justitie de vordering tot tenuitvoerlegging heeft aangebracht) heeft moeten weten dat de officier van justitie de tenuitvoerlegging hiervan had gevorderd.

Gelet op het vorenstaande, waaruit de rechtbank afleidt dat de verdachte zich niets gelegen laat liggen aan de normen in de samenleving, is de rechtbank van oordeel dat voor deze feiten tezamen een gevangenisstraf van één jaar passend en geboden is.

De op te leggen straf

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen zal zij aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van negen jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank acht minder feiten bewezen dan de officier van justitie. Bovendien acht zij ten aanzien van een aantal feiten een minder zware variant bewezen dan de officier van justitie. Niettemin legt de rechtbank dezelfde gevangenisstraf op als door de officier van justitie is gevorderd. Dit betekent in feite dat de gevangenisstraf die aan de verdachte zal worden opgelegd hoger is dan de gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd. Deze zwaardere straf acht de rechtbank gerechtvaardigd vanwege de ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met het opleggen van een minder zware straf.

7 De voorlopige hechtenis

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om bij het wijzen van het vonnis de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, nu de verdachte zich niet heeft gehouden aan de strikte voorwaarden die aan de schorsing waren verbonden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij het wijzen van het vonnis de voorlopige hechtenis op te heffen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de grondslag voor het bevel tot voorlopige hechtenis niet langer aanwezig is, nu de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, dan wel ten aanzien hiervan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 03/700572-14 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte op 2 oktober 2014 geschorst met ingang van diezelfde datum. De voorlopige hechtenis in die zaak was bevolen voor de winkeldiefstal bij Kruidvat op 15 september 2014 in de gemeente Maastricht. Het bevel en de schorsing zijn nog altijd van kracht.

In de zaak met parketnummer 03/700358-15 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis tweemaal geschorst; de laatste keer op 20 mei 2016 met ingang van 23 mei 2016. Op 8 september 2016 heeft de rechtbank de schorsingsvoorwaarden gewijzigd. De voorlopige hechtenis in die zaak was bevolen voor de doodslag van [slachtoffer 1] op 22 juli 2015 in de gemeente Maastricht. Het bevel en de schorsing zijn nog altijd van kracht.

In beide beslissingen is als schorsingsvoorwaarde gesteld dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen en de richtlijnen van de reclassering. Daarnaast is in de schorsingsbeslissing van 20 mei 2016 als voorwaarde opgenomen dat de verdachte zich zal onthouden van alcohol- en drugsgebruik.

Tijdens de zitting is [naam reclasseringswerker] , reclasseringswerker, gehoord als deskundige. Hij heeft onder meer verklaard dat:

- de verdachte bij urinecontroles positief is bevonden op het gebruik van softdrugs en dat de verdachte heeft aangegeven dat hij deze drugs af en toe nodig heeft;

- de verdachte geen openheid over zijn problemen wil of kan geven;

- aan de verdachte veel kansen zijn geboden, maar dat hij deze niet heeft opgepakt;

- het toezicht niet uitvoerbaar is.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zijn schorsingsvoorwaarden heeft overtreden en zal zij de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 03/700358-15 met onmiddellijke ingang opheffen. Hieraan voegt de rechtbank toe dat zij, indien geen sprake zou zijn geweest van (geschorste) voorlopige hechtenis, aanleiding zou zien om de gevangenneming van de verdachte te bevelen, nu - ten aanzien van de doodslag - sprake is van een bewezenverklaard feit waarop een gevangenisstraf van meer dan twaalf jaren is gesteld en de rechtsorde door dit feit ernstig is geschokt en de rechtbank een lange gevangenisstraf - met name voor dit feit - aan de verdachte oplegt.

Gelet op de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03/700358-15, zal de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03/700572-14 opheffen.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1] heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 een schadevergoeding gevorderd van € 1.799,07.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03/700358-15 een schadevergoeding gevorderd van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft hij verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd beide vorderingen in hun geheel toe te wijzen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1] heeft de verdediging:

  • -

    primair, in geval van een vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging voor dit feit, verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen;

  • -

    zich subsidiair, indien de benadeelde erfgenaam is in de zin van artikel 51f, lid 2, van het Wetboek van strafvordering en de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, nu de kosten voldoende zijn onderbouwd en gespecificeerd.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1

De vordering van benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1]

Op grond van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Op grond van het tweede lid van deze bepaling kunnen, indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Op grond van artikel 108, lid 2, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is de aansprakelijke verplicht om aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Gelet op artikel 108, lid 2, van Boek 6 van het Burgerlijke Wetboek, in combinatie met artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het voor de ontvankelijkheid in de vordering met betrekking tot begrafeniskosten dus niet nodig dat de benadeelde erfgenaam is van de overledene. Voldoende is dat de benadeelde partij degene is ten laste van wie de kosten van lijkbezorging zijn gekomen. De benadeelde partij is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

De benadeelde partij heeft gevorderd een bedrag van € 1.799,07, bestaande uit de kosten voor het plaatsen van een overlijdensadvertentie (€ 149,07) en de kosten van de crematie (€ 1.650,00). Nu het schadebedrag niet door de verdediging is betwist, stelt de rechtbank dit naar redelijkheid en billijkheid vast op het gevorderd bedrag. Gelet hierop wijst de rechtbank het bedrag van € 1.799,07 toe.

Voorts wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel toe voor ditzelfde bedrag, nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8.4.2

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het dossier blijkt dat de verdachte en [slachtoffer 2] al lange tijd in onmin leven. Beiden hebben zich tegenover elkaar niet onbetuigd gelaten. In deze zaak gaat het om de strafbare feiten die aan de verdachte worden verweten. Uit de stukken blijkt evenwel dat de verdachte tegen [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan. Gelet hierop acht de rechtbank de vordering van [slachtoffer 2] , die is gebaseerd op beweerde immateriële schade, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Bij schriftelijke vordering van 25 juni 2015 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, omdat de verdachte de algemene voorwaarde zou hebben overtreden door zich schuldig te maken aan een of meer strafbare feiten, zoals tenlastegelegd in de dagvaarding met parketnummer 03/700572-14.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de vordering af te wijzen, omdat de tenuitvoerlegging zich niet verdraagt met de door hem gevorderde gevangenisstraf.

De verdediging heeft verzocht de vordering, die is gebaseerd op feiten uit 2014, af te wijzen. Zij vermag niet in te zien waarom dit feitencomplex zou moeten leiden tot toewijzing van de vordering. Het doel van de ISD-maatregel, de beveiliging van de maatschappij, zou niet meer aan de orde zijn, aldus de verdediging.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering tot tenuitvoerlegging. Niettemin zal de rechtbank de vordering afwijzen. Hiertoe overweegt zij het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel zich niet met de op te leggen langdurige gevangenisstraf. Hiervoor vindt de rechtbank steun in de wetsgeschiedenis. De Hoge Raad heeft onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis al eens geoordeeld dat de beslissing om naast de maatregel als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf op te leggen, blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting. Hiervoor verwijst de rechtbank naar HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1161. Om dezelfde reden acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet mogelijk naast het opleggen van een (langdurige) gevangenisstraf.

10 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen CD Rom (met goednummer 666705) aan Bristol en van de inbeslaggenomen DVD (met goednummer 573875) aan Blokker.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen blikje bier (met goednummer 586554) zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

11 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57, 63, 180, 285, 287, 300, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 3 primair, 7, 8 primair, 8 subsidiair, en 9 primair onder parketnummer 03/700358-15 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 8 meer subsidiair en 9 subsidiair onder parketnummer 03/700358-15 en voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03/700572-14 tot een gevangenisstraf van 9 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

  • -

    heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03/700358-15 met ingang van heden;

  • -

    heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03/700572-14 met ingang van heden;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03/700118-13 af;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1], wonende te [woonplaats] , ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 03/700358-15 toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.799,07;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam nabestaande slachtoffer 1 - 1] , € 1.799,07, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats] , ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03/700358-15 af;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Beslag

- gelast de teruggave van de inbeslaggenomen

  • -

    CD Rom (met goednummer 666705) aan Blokker te Maastricht ( [adres 5] );

  • -

    DVD (met goednummer 573875) aan Bristol 8141 te Gronsveld;

- gelast de bewaring van het inbeslaggenomen blikje bier (goednummer 586554) ten behoeve van de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. D. Osmic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2017.

Buiten staat

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

Onder parketnummer 03/700358-15

feit 1

hij op of omstreeks 22 juli 2015, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Limburg, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een mes, in elk geval een steekwapen, te steken;

feit 2

hij op of omstreeks 8 mei 2015 te Maastricht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik vermoord je familie” en/of “ik begin met je moeder aan stukken te snijden” en/of “ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3 primair

hij op of omstreeks 31 december 2015, in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde Fraiquin meermalen, althans eenmaal (met gebalde

vuist) tegen het gezicht en/of het lichaam heeft geslagen en/of meerdere malen, althans eenmaal heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2015, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ) meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) tegen het gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 4

hij op of omstreeks 31 december 2015, in de gemeente Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 4] ) een kopstoot tegen het gezicht/ hoofd heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 5

hij op of omstreeks 03 maart 2015, in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een blender en/of een ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Blokker, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam aangeefster 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij voornoemde [naam aangeefster 1] heeft (weg) geduwd;

feit 7

hij op of omstreeks 09 februari 2015, in de gemeente Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere, in elk geval een broek (Adidas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Bristol, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

feit 8 primair

hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 8 subsidiair

hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met voornoemd opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 8 meer subsidiair

hij op of omstreeks 05 april 2015, in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in elk geval alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of in de/een arm(en) en/of in de hand(en) heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 9 primair

hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in een bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 9 subsidiair

hij op of omstreeks 5 april 2015 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met voornoemd opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in een bovenarm heeft gestoken en/of die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] een kniestoot (in het gezicht) heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 9 meer subsidiair

hij op of omstreeks 05 april 2015, in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in een bovenarm heeft gestoken en/of die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] een kniestoot (in het gezicht) heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Onder parketnummer 03/700572-14

feit 1

hij op of omstreeks 15 september 2014 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- diverse verpakkingen gezichtsverzorging en/of

- diverse stuks mascara en/of

- diverse elektrische tandenborstels,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Kruidvat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 2

hij op of omstreeks 25 december 2014 in de gemeente Maastricht, toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar (te weten [verbalisant 8] , hoofdagent van politie) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en/of had vastgegrepen, althans vast had, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te slaan in de richting van die opsporingsambtenaar en/of te rukken en/of te trekken en/of te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte trachtte te geleiden.

1 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 16 augustus 2015 met proces-verbaalnummer 2015138081, doorgenummerd (vanaf het stam proces-verbaal) van pagina 1 tot en met pagina 339.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2015 op pagina 168.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2015 op pagina 170.

4 Het deskundigenrapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 31 juli 2015 met zaaknummer 2015.07.23.223, aanvraagnummer 001, sectienummer 2015-164, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, op pagina 149.

5 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 150.

6 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 150.

7 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 152.

8 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 150.

9 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 152.

10 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 151.

11 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 152.

12 Voornoemd pathologisch rapport op de pagina’s 151-153.

13 Voornoemd pathologisch rapport op pagina 154.

14 Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking woning [adres 3] te Maastricht ( [verdachte] ) d.d. 23 juli 2015 op pagina 32 in combinatie met het aanvullend proces-verbaal PD onderzoek d.d. 4 april 2016, PL2300-2015138081-18, blad 5 en 7: inbeslagneming mes, SIN AAIV1256NL, goednummer 643351.

15 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 november 2015 met zaaknummer 2015.07.23.223 (aanvraag 003 en 004). Dit rapport maakt geen deel uit van het proces-verbaal van politie.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 juli 2015 op de pagina’s 101-104.

17 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 11 mei 2015 met OPS-dossiernummer 2015086136, doorgenummerd (vanaf p-v aanhouding gesignaleerde) van pagina 1 tot en met pagina 28.

18 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 9 mei 2015 op de pagina’s 22 en 23.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2015 op de pagina’s 26 en 27.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 11 mei 2015 op de pagina’s 16 en 17.

21 Waar hierna ten aanzien van deze feiten wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 4 januari 2016 met OPS-dossiernummer 2015241821, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 37.

22 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 31 december 2015 op de pagina’s 13 en 14.

23 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 31 december 2015 op de pagina’s 19 en 20.

24 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 31 december 2015 op de pagina’s 17 en 18.

25 Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2016 met proces-verbaalnummer PL2300-2015241737-5.

26 Het proces-verbaal aanhouding d.d. 2 januari 2016 op de pagina’s 23 en 24.

27 De foto van de verdachte op pagina 21.

28 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar processen-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 9 april 2015 met registratienummer PL2300-2015047223, inclusief zes bijlagen (niet doorgenummerd).

29 Het proces-verbaal aangifte van [naam aangeefster 1] d.d. 13 maart 2015, proces-verbaalnummer PL2300-2015047223-1, blad 1 en 2.

30 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2015 met proces-verbaalnummer PL2300-2015047223-3, blad 1 en 2.

31 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 8 juni 2015 met proces-verbaalnummer 2015063068 doorgenummerd (vanaf het stamproces-verbaal) van pagina 1 tot en met pagina 139.

32 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 6 april 2015 op pagina 111.

33 De opmerking van de verbalisant in het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 6 april 2015 op pagina 113.

34 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 7 april 2015 op de pagina’s 44 en 45.

35 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 8 juni 2015 met proces-verbaalnummer 2015063068 doorgenummerd (vanaf het stamproces-verbaal) van pagina 1 tot en met pagina 139.

36 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 6 april 2015 op de pagina’s 106 en 107.

37 Het proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 13 april 2015 op pagina 138.

38 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 6 april 2015 op pagina 107.

39 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 6 april 2015 op pagina 99.

40 Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 april 2015 op pagina 25.

41 De geneeskundige verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] d.d. 21 april 2015, ondertekend door een arts van het Azm, op pagina 110.

42 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 3 oktober 2014 met OPS-dossiernummer 2014102411, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 46.

43 Het proces-verbaal aangifte van [naam aangeefster 2] namens Kruidvat d.d. 15 september 2014 op de pagina’s 27 en 28.

44 Bijlage goederen bij het proces-verbaal aangifte van [naam aangeefster 2] namens Kruidvat d.d. 15 september 2014 op de pagina’s 30 en 31.

45 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2014 op de pagina’s 32 en 33.

46 De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 15 september 2014 op de pagina’s 13-17.

47 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2014 op de pagina’s 37 en 38.

48 Waar hierna ten aanzien van dit feit wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg d.d. 26 december 2014 met OPS-dossiernummer 2014171620, doorgenummerd (vanaf de ID-staat) van pagina 1 tot en met pagina 15.

49 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2014 op de pagina’s 3 en 4.

50 Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 26 december 2014 op de pagina’s 13 en 14.