Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6473

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
03/659457-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met twee meisjes, jonger dan twaalf jaar, handelingen heeft verricht, die onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van deze meisjes. Verdachte heeft het merendeel van het hem tenlastegelegde bekend. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en legt daarbij bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659457-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J. Rubberg, advocaat kantoorhoudende te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, zoals deze luidt na de nadere omschrijving, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

met twee meisjes, jonger dan 12 jaar oud, handelingen heeft verricht, die onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van deze meisjes.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de gehele tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen. De beide slachtoffertjes verklaren er over en verdachte erkent de hem tenlastegelegde feiten met uitzondering van het proberen om zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) te brengen. Ondanks dat de verdachte dat ontkent acht de officier ook dit feit bewezen nu uit de verklaring op 141 van het strafdossier blijkt dat hij dit wél heeft gepoogd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte bekent in hoofdlijnen hetgeen is tenlastegelegd, maar hij ontkent dat hij getracht heeft zijn penis in de vagina van één van de slachtoffers te brengen. Slachtoffer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is de enige die hierover heeft verklaard en enkel tijdens het studioverhoor. Tegenover haar arts, zus of moeder heeft zij verklaard dat verdachte niet met zijn penis in haar is geweest, dit niet heeft getracht, noch met de penis tegen haar vagina heeft gewreven. Ook [slachtoffer 1] heeft hierover niets verklaard. Bovendien heeft verdachte volledige openheid van zaken gegeven. Als verdachte deze handeling wel zou hebben verricht, zou hij dit hebben toegegeven, evenals hij zijn overige daden heeft toegegeven. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat ten aanzien van de overige gedragingen zoals deze zijn genoemd in de tenlastelegging, een bewezenverklaring kan volgen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Uit het Proces-verbaal van studioverhoor, afgenomen bij [slachtoffer 2]2, blijkt, zakelijk weergegeven, dat [slachtoffer 2] het volgende verklaart:

En toen wou die met zijn ding bij [slachtoffer 1] erin doen. Van mij mocht hij dat niet. Maar toen ging hij wel met zijn ding ertegen wrijven bij mij. Hij lag op zijn rug. [slachtoffer 1] ligt op zijn buik. Zij zit dan zo op hem. En dan proberen ze het te doen. Ze zaten te proberen zijn piemel in het gaatje van [slachtoffer 1] te doen. Ze probeerde het, maar ze had een te klein gaatje. Dat zeiden ze zo. Ze bleven het proberen. En toen begon hij bij mij tussen mijn benen te wrijven met zijn ding.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat “alles wat op de tenlastelegging staat klopt, behalve het binnendringen met de penis in de vagina”.

Uit de studioverhoren, afgenomen bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt, evenals uit de bekennende verklaring van verdachte, dat hij zijn schaamstreek heeft laten scheren door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en dat hij zijn penis heeft laten vastpakken en zich heeft laten aftrekken door beide slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte bekend, hetgeen de slachtoffers ook onafhankelijk van elkaar hebben verklaard, dat hij de vagina van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gelikt, waarbij hij zijn tong tussen de schaamlippen van beide meisjes heeft gebracht en dat hij met zijn handen hun vagina’s heeft betast en gestreeld waarbij hij zijn vinger in hun vagina’s heeft gebracht. Ook heeft verdachte bekend dat hij [slachtoffer 2] kaasstengels van zijn penis heeft laten eten en dat hij zijn penis in de mond van beide slachtoffers heeft gebracht. Ter terechtzitting heeft verdachte, gelet op bovengenoemde verklaring dat alles op de tenlastelegging klopt, behalve het binnendringen met de penis, ook bekend dat hij met zijn penis tegen de vagina van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gewreven.

Gelet op dit samenstel van handelingen en de bovenstaande passages uit de verklaring van [slachtoffer 2] tijdens het studioverhoor, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft zijn geslachtsdeel in de vagina van [slachtoffer 1] te brengen. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 2] geloofwaardig. Daarbij let de rechtbank op de totale verklaring van [slachtoffer 2] , die in grote lijnen overeenkomt met de verklaring van de verdachte en op de gedetailleerdheid, zoals die ten aanzien van deze handelingen blijkt uit het schriftelijke verslag van het studioverhoor3.

De rechtbank oordeelt dan ook dat alle in de tenlastelegging genoemde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 17 december 2016 te Susteren, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , en met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar:

  • -

    zijn schaamstreek laten scheren door voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en

  • -

    zijn penis laten vastpakken en betasten en zich laten aftrekken door voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en

  • -

    de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gelikt en zijn tong tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebracht en

  • -

    met zijn handen de vagina van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betast en gestreeld en

  • -

    voornoemde [slachtoffer 2] kaasstengeltjes van zijn, verdachtes, penis laten eten en

  • -

    zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebracht en

  • -

    zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebracht en

  • -

    zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebracht en

  • -

    getracht zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De forensisch psycholoog, D. Breuker, heeft over de geestvermogens van de verdachte op

7 maart 2017 een rapport uitgebracht. In dit rapport adviseert de psycholoog het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Dit, omdat de psycholoog een verband aanwezig acht tussen de vermijdende persoonlijkheidstrekken, de licht verstandelijke beperking op inzichtgevend performaal niveau en het alcoholmisbruik, waarvan bij de verdachte sprake was en het plegen van het tenlastegelegde feit.

De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van feiten of omstandigheden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten. Wél zal de rechtbank rekening houden met het advies van de psycholoog om het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd dat hij het liefst zelf zo snel mogelijk wil vergeten, terwijl de twee meisjes en hun families deze gebeurtenis nooit zullen vergeten. In de buurt waar je woont moet je veilig kunnen zijn en moet je als kind vrij en onbevangen kunnen spelen. Deze onbevangenheid is door verdachte op de meest gruwelijke wijze van de twee jonge meisjes afgenomen. De officier van justitie maakt zich zorgen over de gevolgen die de meisjes als zij in de pubertijd komen en ook daarna nog van de gebeurtenis zullen ondervinden.

Ten aanzien van verdachte heeft de officier van justitie allereerst opgemerkt dat zij het verdachte aanrekent dat hij te weinig aan zichzelf heeft gewerkt naar aanleiding van het eerdere incident, waarbij zijn eigen dochter en haar vriendinnetje betrokken waren. Zij verwijt verdachte dat hij de meisjes heeft binnengelaten, terwijl hij - gelet op de eerdere ervaring – weet dat dit kan gebeuren als hij alcohol heeft gedronken.

De officier van justitie heeft aangegeven bij haar strafeis enigszins rekening te zullen houden met de verminderde toerekingsvatbaarheid van verdachte. Als strafverzwarend rekent de officier van justitie verdachte de speelse wijze waarop hij op de bewuste middag de aandacht van de meisjes erbij heeft gehouden aan: met een spelletje, chips en kaasstengels. Daarnaast rekent zij het verdachte zwaar aan dat hij enige mate van schuld bij de slachtoffertjes legt. Bij meisjes van deze leeftijd kan in het geheel niet gesproken worden over enig ‘zelf willen’ van dergelijke handelingen.

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 48 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft zij gevorderd hieraan de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen:

  • -

    verplichte klinische en/of ambulante behandeling;

  • -

    een alcoholverbod gedurende de gehele proeftijd (en regelmatige controle op de naleving van dit verbod);

  • -

    verplichte deelname aan een COSA-traject;

  • -

    verplicht toezicht van de reclassering, waarbij verdachte gehouden is de door de reclassering in dit kader gestelde voorwaarden na te leven.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Allereerst wijst de verdediging op het psychologisch rapport, waaruit volgt dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend: de beperkingen van verdachte stonden aan de basis van hetgeen is voorgevallen. De psychologe schat daarnaast het recidiverisico laag tot matig in.

Daarnaast merkt de verdediging op dat schaamte en schuld al vanaf de dag van het voorval bij verdachte de boventoon voeren. Verdachte ondervindt de gevolgen van zijn daden reeds in ernstige mate: een ruit van zijn woning is met een steen ingegooid, de voordeur van zijn woning is geforceerd, zijn woning is beklad, hij is bedreigd, er zijn vervelende berichten over hem op Facebook geplaatst – waardoor zijn zus en werkgever hebben vernomen dat er een voorval heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat zijn dienstverband waarschijnlijk niet zal worden voortgezet – en hij heeft zijn woning moeten verkopen. Hoewel verdachte begrijpt dat het zijn eigen handelingen waren die dit teweeg hebben gebracht, is verdachte hiervan hevig geschrokken en heeft hij voor zijn leven gevreesd. Verdachte zal na afloop van zijn detentie volledig opnieuw moeten beginnen.

Daarnaast moet volgens de verdediging worden meegewogen dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft.

De verdediging kan zich vinden in het advies van de reclassering om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te combineren met een voorwaardelijke gevangenisstraf, met oplegging van bijzondere voorwaarden. Verdachte is zeer ontvankelijk voor hulp en wilt er alles aan doen om te voorkomen dat hij opnieuw een fout begaat. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf het reeds ondergane voorarrest niet te boven moet gaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van twee zeer jonge meisjes. Door deze handelingen en de omstandigheden waaronder deze die bewuste middag zijn gepleegd, is het gevoel van veiligheid in de eigen omgeving bij de meisjes volledig weggevaagd: de twee vriendinnetjes waren enkel van plan die middag het onschuldige ‘heitje voor karweitje’ te verrichten. De lichamelijke integriteit is bij de meisjes hierdoor op een vreselijke manier aangetast. Deze gebeurtenissen op de bewuste dag zullen de slachtoffertjes en hun families nooit van hun leven vergeten.

Ter zitting nuanceert verdachte zijn uitspraken tijdens de verhoren, dat de meisjes ‘vrijwillig’ deelnamen aan hetgeen die middag is gebeurd en dat het initiatief van hem kwam, door ter zitting aan te geven dat hij hiermee bedoelde dat de meisjes geenszins door hem zijn gedwongen.

De rechtbank benadrukt echter dat in het feit dat er geen sprake is geweest van geweld niets af doet aan de strafbaarheid van de feiten. Verdachte, als volwassen man, had onder alle omstandigheden deze jonge meisjes moeten beschermen tegen dit soort ervaringen. Verdachte heeft dat echter niet gedaan en heeft, enkel om tegemoet te komen aan een kennelijk bij hem levende seksuele behoefte, ernstig misbruik gemaakt van de onbevangenheid van deze zeer jonge meisjes. Zo heeft hij hen, mede door er een ‘speels’ accent in te brengen ( eten van chips, kaasstengels) er toe gebracht dat zij vergaande seksuele handelingen bij hem hebben verricht en zelf hebben ondergaan.

Deze zeer ernstige strafbare feiten en de omstandigheden waaronder dit alles zich heeft afgespeeld, neemt de rechtbank als vertrekpunt voor de bepaling van de hoogte van de straf die aan verdachte zal worden opgelegd.

Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf het advies van de psycholoog om verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten, in aanmerking. Voorts weegt de rechtbank ten voordele van verdachte mee dat hij een nagenoeg blanco strafblad heeft.

Verdachte stelt geen pedoseksuele neigingen te hebben. Door de psycholoog wordt aangegeven dat er weliswaar geen concrete aanwijzingen bestaan voor pedofilie, maar dat dit ook niet geheel uitgesloten kan worden. Dit laatste, gevoegd bij de constatering dat verdachte eerder seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft getoond ten opzichte van minderjarigen - immers zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard is hij enkele jaren geleden in bad gegaan met zijn dochter en haar vriendinnetje en heeft hij ook getracht t naakt op de slaapkamer van de dochter te komen terwijl haar vriendinnetje er was – maakt dat er zorgen bestaan over het seksueel gedrag van verdachte, ook in de toekomst. Hoewel het recidiverisico laag tot matig wordt ingeschat door de deskundige is ook deze van mening dat verdachte behandeling nodig heeft bij een forensische polikliniek.

Al het vorenstaande in ogenschouw nemende, komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en met een proeftijd voor de duur van 3 jaren. De rechtbank acht een proeftijd van drie jaar met begeleiding door de reclassering noodzakelijk, om ervan verzekerd te zijn dat er, gelet op het recidiverisico, de aard van de strafbare feiten en de verklaring van verdachte over eerdere incidenten, voor een langere periode toezicht op en begeleiding van verdachte aanwezig is, terwijl daarnaast de dreiging van zes maanden gevangenisstraf verdachte hopelijk zal weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten. Voorts zal de rechtbank aan verdachte, naast de algemene voorwaarden die gedurende de proeftijd gelden, een aantal bijzondere voorwaarden opleggen, te weten een meldplicht en reclasseringstoezicht, gedragsinterventie in de vorm van een leefstijltraining, een alcoholverbod en een behandelverplichting.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam ouder slachtoffer 2] , ouder van [slachtoffer 2] , vordert namens [slachtoffer 2] de volgende schadevergoeding:

Een materiële schadevergoeding ter hoogte van € 53,76 aan reiskosten, in verband met een ziekenhuisbezoek, een afspraak op het politiebureau en het studioverhoor in Eindhoven.

Een immateriële schadevergoeding ad € 5.000,-, vanwege de psychische gevolgen die [slachtoffer 2] ondervindt naar aanleiding van het strafbare feit. Door de ouders van [slachtoffer 2] is een schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld, die ter terechtzitting is voorgedragen en waarin zij hun zorgen en hun verdriet hebben geprobeerd weer te geven.

De benadeelde partij [naam ouder slachtoffer 1] , ouder van [slachtoffer 1] , vordert namens [slachtoffer 1] de volgende schadevergoeding:

Een materiële schadevergoeding ter hoogte van € 81,94 aan reiskosten, in verband met een ziekenhuisbezoek, een afspraak op het politiebureau, het studioverhoor in Eindhoven (inclusief parkeerkosten) en een bezoek aan Xonar jeugdhulp.

Een immateriële schadevergoeding ad € 5.000,-, vanwege de psychische gevolgen die [slachtoffer 1] ondervindt naar aanleiding van het strafbare feit. Door de moeder van [slachtoffer 1] is een schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld. Deze is ter terechtzitting voorgelezen en verwoordt hoe verdachte door zijn handelen het gezin heeft geraakt.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen zijn volgens de officier van justitie voldoende onderbouwd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat beide verzoeken om schadevergoeding kunnen worden toegewezen, voor wat betreft de materiële schade. Het verzoek om immateriële schadevergoeding kan volgens de verdediging slechts gedeeltelijk worden toegewezen. Het gevorderde bedrag ad € 5.000,- is volgens de verdediging immers te hoog, waarbij wordt gewezen op – volgens de verdediging – vergelijkbare gevallen, waarin door de desbetreffende rechtbank een lager bedrag is toegewezen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

7.4.1

Het verzoek tot schadevergoeding namens [slachtoffer 2]

De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 53,76, nu dit bedrag voldoende is onderbouwd, redelijk te achten is en bovendien niet is bestreden.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van psychisch lijden, overweegt de rechtbank het volgende. [slachtoffer 2] is door de huisarts doorverwezen naar de psycholoog. De GZ-psycholoog die haar heeft onderzocht concludeert op 15 februari 2017 dat geen sprake is van nachtmerries, slaapproblemen, prikkelbaarheid, angst, concentratieproblemen of herbelevingen die zouden kunnen duiden op een posttraumatische stressstoornis. Ook is er volgens de psychologe in februari 2017 geen sprake van disregulatie in emoties, aandacht en gedrag. De ouders van [slachtoffer 2] constateren zelf wel dat hun dochtertje huilbuien en angstaanvallen heeft en zich dan terugtrekt in haar slaapkamer. Dat er op dit moment, gelukkig, geen psychische schade kan worden geconstateerd bij [slachtoffer 2] , neemt niet weg dat in een later stadium, bijvoorbeeld ten tijde van de puberteit, wel psychische schade kan worden bemerkt.

De rechtbank schat, gelet op de thans voorliggende stukken, de omvang van de door verdachte toegebrachte schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 2.000,=. De rechtbank zal de vordering om vergoeding van de immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor het overige zal de rechtbank het verzoek om vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

7.4.2

Het verzoek om schadevergoeding namens [slachtoffer 1]

De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 81,94, nu dit bedrag voldoende is onderbouwd, redelijk te achten is en bovendien niet is bestreden.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van psychisch lijden, overweegt de rechtbank het volgende. [slachtoffer 1] is onder behandeling bij Xonar. Uit het gespreksverslag dat naar aanleiding van het consult is opgemaakt, blijkt niet van psychische klachten bij [slachtoffer 1] . De medewerkster van het Centrum Seksueel Geweld bij Xonar heeft er wel op gewezen dat deze psychische klachten later nog kunnen ontstaan. In februari 2017 heeft de moeder van [slachtoffer 1] contact opgenomen met de medewerkster van Xonar en aangegeven dat [slachtoffer 1] alsnog klachten heeft. In de schriftelijke slachtofferverklaring heeft de moeder van [slachtoffer 1] dit ook naar voren gebracht.

De rechtbank acht, gelet op de thans voorliggende stukken, vergoeding van immateriële schade tot een bedrag ter hoogte van € 2.000,- thans billijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 17 december 2016. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor het overige zal de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar, doch stelt vast dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. Meldplicht. De veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na invrijheidsstelling eerst telefonisch melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet de veroordeelde zich in persoon blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. Gedragsinterventie. GI-GGZ Leefstijltraining. De veroordeelde wordt verplicht de leefstijltraining als voorloper aan zijn behandeling voor alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid te volgen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  3. Alcoholverbod. De veroordeelde wordt verplicht zich te onthouden van het nuttigen van alcohol en wordt daarbij verplicht zijn medewerking te verlenen aan het uitvoeren van urinecontroles ter controle van de naleving van het alcoholverbod, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  4. Behandelverplichting – ambulante behandeling. De veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor grensoverschrijdend seksueel gedrag en voor zijn alcoholmisbruik cq alcoholafhankelijkheid bij een door de reclassering nader te bepalen forensische instelling, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling / behandelaar zullen worden gegeven. Het zorgaanbod zal daarbij door de toezichthouder middels de IFZO-procedure worden geactiveerd.

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag ad € 53,76 aan materiële schadevergoeding en een bedrag ad € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 17 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , van € 2.053,76,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 17 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag ad € 81,94 aan materiële schadevergoeding en een bedrag ad € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 17 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 2.081,94,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 17 december 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Boogaard-Derix, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en

mr. G.L.A.M. van Doveren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2017.

Buiten staat

Mr. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. G.L.A.M. van Doveren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Susteren, in elk geval in de gemeente

Echt-Susteren, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , en/of met [slachtoffer 1]

, geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaren

nog niet had(den) bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die

bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam

van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

(telkens) meermalen, althans eenmaal

- zijn schaamstreek laten scheren door voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

- zijn penis laten vastpakken en/of betasten en/of zich laten aftrekken door

voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

- de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gelikt en/of zijn tong

tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gebracht en/of

- met zijn handen de vagina van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] betast en/of

gestreeld en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] kaasstengels van zijn, verdachtes, penis laten eten en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gebracht en/of

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gebracht en/of

- met zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gewreven en/of

- getracht zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Dienst Regionale Recherche, Afdeling Zeden, proces-verbaalnummer 2016226487, gesloten d.d. 5 april 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 311.

2 Proces-verbaal van studioverhoor, getuige [slachtoffer 2] , 21-12-2016, p.149 e.v.

3 Proces-verbaal van studioverhoor, getuige [slachtoffer 2] , 21-12-2016, p.188-192.