Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6350

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
5888419/AZ/17-77 04072017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst: geen sprake van verwijtbaar handelen, wel van een verstoorde verhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3648
AR-Updates.nl 2017-0885
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5888419 \ AZ VERZ 17-77

Beschikking van de kantonrechter van 4 juli 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALLBIDIGIT B.V.,

gevestigd te Echt,

werkgever,

gemachtigde mr. H.P.A.J. Kamp,

verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het zelfstandig verzoek,

tegen:

[werkneemster] ,

wonend [adres werkneemster] ,

[woonplaats werkneemster] ,

werkneemster,

gemachtigde mr. S.W.A. van den Berg,
verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het zelfstandig verzoek.

Partijen zullen hierna AllBidigit en [werkneemster] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 11 april 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties,

- het op 19 mei 2017 ter griffie ontvangen verweerschrift tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv en tevens houdende zelfstandige verzoeken ex art. 7:668a lid 3 BW, met producties,

- het op 31 mei 2017 ter griffie ontvangen verweerschrift tegen de provisionele vordering en de tegenverzoeken, met producties,

- de mondelinge behandeling d.d. 6 juni 2017,

- de door mr. Van den Berg ter zitting overgelegde pleitnotities.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

AllBidigit is een bedrijf dat organisaties adviseert en begeleidt bij vraagstukken op het gebied van informatie- en documentenbeheer. Zij biedt diensten aan zoals archiefbewerking en -opslag, postverwerking, factuurverwerking en digitalisering van het documentenbeheer.

2.2.

[werkneemster] , geboren op [geboortedag werkneemster] 1966, is op 9 januari 2009 bij AllBidigit in dienst getreden. Zij is werkzaam in de functie van Allround Medewerker Medior tegen een salaris van € 882,27 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.3.

In de periode van 9 september 2015 tot 16 februari 2016 is [werkneemster] ziek geweest. Vanaf 16 februari 2016 gaat zij op therapeutische basis werken en vanaf 12 juni 2016 is zij weer volledig arbeidsgeschikt.

2.4.

Op 9 december 2016 vindt er een eindejaarsgesprek met [werkneemster] plaats. Tijdens dit gesprek zijn onder meer klachten van collega’s over het gedrag van [werkneemster] ter sprake gekomen.

2.5.

Op 12 december 2016 meldt [werkneemster] zich ziek met nekklachten. Enige dagen later hervat zij haar werk weer.

2.6.

Op 22 december 2016 zegt [werkneemster] tegen collega [collega A] : “Ik sla de tanden uit je mond”, althans woorden van gelijke strekking.

2.7.

Op 27 december 2016 meldt [werkneemster] zich ziek. Op 3 januari 2017 vindt er een gesprek plaats tussen AllBidigit en [werkneemster] , welke laatste wordt bijgestaan door haar echtgenoot en een adviseur. Tijdens dit gesprek is AllBidigit erop gewezen dat [werkneemster] is gediagnosticeerd met Posttraumatische stressstoornis (PTSS).

2.8.

De bedrijfsarts concludeert op 3 januari 2017 dat [werkneemster] niet ziek is, maar dat er sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseert een interventieperiode tot uiterlijk 13 januari 2017 en acht het inschakelen van een mediator zinvol.

2.9.

Op 6 januari 2017 vindt er een vervolggesprek plaats tussen AllBidigit en [werkneemster] . [werkneemster] geeft aan een mediation traject te willen ingaan. AllBidigit geeft tijdens dat gesprek aan dat zij mediation, gelet op de grote groep werknemers, niet realistisch vindt. Aan het einde van het gesprek overhandigt AllBidigit aan [werkneemster] een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Partijen spreken af om op 13 januari 2017 weer bij elkaar te komen.

2.10.

In de ochtend van 13 januari 2017 laat [werkneemster] weten niet naar het gesprek te komen. Haar gemachtigde stuurt die middag een e-mail aan AllBidigit waarin zij aangeeft dat [werkneemster] over haar arbeidsongeschiktheid een deskundigenoordeel bij het UWV zal aanvragen.

2.11.

Bij e-mailschrijven van 16 januari 2017 deelt AllBidigit aan [werkneemster] mee dat zij per direct de loonbetaling stopt vanwege het niet nakomen van de afspraak om op het gesprek van 13 januari 2017 te verschijnen en ook vanwege het feit dat [werkneemster] niet is komen werken.

2.12.

Per e-mailschrijven van 17 januari 2017 protesteert de gemachtigde van [werkneemster] tegen de loonstop. Er wordt verwezen naar een bij het UWV aangevraagd deskundigenoordeel over de arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] .

2.13.

Op 24 februari 2017 oordeelt het UWV dat [werkneemster] per 27 december 2016 geschikt is te achten voor haar eigen werk.

2.14.

Op 10 maart 2017 meldt [werkneemster] zich via haar gemachtigde opnieuw ziek voor haar werk.

2.15.

Op 17 maart 2017 oordeelt de bedrijfsarts dat [werkneemster] volledig arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk. Er is volgens de bedrijfsarts sprake van een arbeidsgeschil en de bedrijfsarts adviseert partijen om dit met een mediator te bespreken.

3 Het geschil

3.1.

AllBidigit verzoekt primair de tussen haar en [werkneemster] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Subsidiair verzoekt zij ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding

(artikel 7:669 lid 3 sub g BW).

3.2.

[werkneemster] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek. Bij wege van voorlopige voorziening verzoekt zij - kort gezegd - AllBidigit te veroordelen tot betaling van 70% van het loon vanaf 14 januari 2017 tot de datum van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband.

Subsidiair, bij toewijzing van het verzoek tot ontbinding, verzoekt [werkneemster] om AllBidigit te veroordelen tot:

- betaling van de transitievergoeding ten bedrage van € 2.540,93 bruto en een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 en met buitengerechtelijke kosten ter hoogte van

€ 40,00,

- overlegging van deugdelijke specificaties op straffe van een dwangsom,

Daarnaast verzoekt [werkneemster] betaling van 70% van het loon vanaf 14 januari 2017 tot de datum van rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede met buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 40,00,

  • -

    overlegging van deugdelijke specificaties,

  • -

    opstelling van een deugdelijke eindafrekening waarbij pro rato opgebouwd vakantiegeld en het openstaande saldo aan niet genoten maar wel opgebouwde vakantie-uren wordt uitgekeerd,

  • -

    afgifte van een positief geformuleerd getuigschrift onder verbeurte van een dwangsom,

  • -

    een verklaring voor recht te geven dat zij primair ontheven zal worden uit het overeengekomen concurrentiebeding en subsidiair te bepalen dat AllBidigit geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding.

3.3.

AllBidigit voert verweer tegen de provisionele vordering en de tegenverzoeken en

-vorderingen van [werkneemster] .

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, leden 1 tot en met 4 en 10 van het BW, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Derhalve komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [werkneemster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Primair: verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW

4.3.

AllBidigit heeft primair aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat [werkneemster] verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4.

AllBidigit stelt in de eerste plaats dat het verwijtbaar handelen van [werkneemster] reeds op zichzelf staand bestaat uit haar neerbuigende, intimiderende, agressieve en bedreigende gedrag en uitlatingen jegens haar collega’s en haar leidinggevende. En dan met name vanaf het beoordelingsgesprek op 9 december 2016, uitmondend in een escalatie op 22 december 2016. In de tweede plaats heeft [werkneemster] verwijtbaar gehandeld door het uit de weg gaan van contact en overleg met AllBidigit respectievelijk het niet opvolgen van gemaakte afspraken tot overleg in de interventieperiode tot en met 13 januari 2017, en vervolgens hierna. Daarnaast bestaat het verwijtbaar handelen c.q. nalaten uit het feit dat [werkneemster] niet is ingegaan op de oproepen van AllBidigit van 3 februari 2017 en 24 februari 2017 om mee te werken aan een mediationtraject. [werkneemster] vond zich arbeidsongeschikt, en dat was het volgens haar.

4.5.

[werkneemster] stelt zich op het standpunt dat zij nooit iets heeft gehoord over collega’s die signalen zouden hebben afgegeven over het feit dat zij agressief en/of vervelend zou communiceren of zich agressief zou opstellen. Dit is nooit aan de orde geweest en ook nooit zo met haar besproken.

[werkneemster] betwist dat zij zich vanaf haar betermelding op 19 december 2016 nog negatiever en oncollegialer zou hebben opgesteld. Zij herkent zich niet in de overgelegde verklaringen. Ten gevolge van misbruik van een van haar kinderen is bij [werkneemster] PTSS ontstaan. AllBidigit was hiervan op de hoogte. Als gevolg van PTSS uit [werkneemster] zich soms anders dan zij zou willen. Zo heeft zij haar verbale uitingen soms niet in de hand en kan zij zich ongemeen fel uitdrukken. Dit is in de afgelopen periode één keer gebeurd in een gesprek met en over [collega A] op 22 december 2016. Een van de andere symptomen van PTSS is een gebrek aan concentratie. [werkneemster] heeft aangegeven dat zij moeite heeft om zich te concentreren in een drukke ruimte waar meer achtergrondgeluiden zijn. Dit heeft zij meerdere malen aangekaart bij AllBidigit. Ook heeft zij het gedrag van collega [collega A] , die haar veelvuldig bekritiseerde, kleineerde en commandeerde, meerdere malen bij AllBidigit aangekaart, maar deze heeft nooit iets met de klachten van [werkneemster] gedaan.

4.6.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat als onvoldoende weersproken vast dat [werkneemster] lijdt aan PTSS. Zij is hiervoor onder behandeling bij een psycholoog.

PTSS is een psychische aandoening die kan ontstaan na het meemaken van schokkende traumatische ervaringen. Symptomen van PTSS zijn onder meer negatieve veranderingen in stemming, concentratieproblemen, slaapproblemen, prikkelbaarheid en boosheid.

[werkneemster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te kampen heeft met (een aantal van) bovenstaande symptomen, en dat PTSS van invloed is geweest op haar gedrag op de werkvloer. Datzelfde gedrag vormt voor AllBidigit nu de reden om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen.

4.7.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft AllBidigit aangegeven dat het in haar ogen laakbare gedrag van [werkneemster] is toegenomen na haar hersteld melding in het voorjaar van 2016. De kantonrechter constateert dat dit gedrag voor AllBidigit vóór december 2016 in ieder geval geen reden vormde om in te grijpen. Uit eerdere functioneringsgesprekken blijkt niets van het gedrag dat [werkneemster] nu wordt verweten.

Uit het Verslagformulier Eindejaarsgesprek van 9 december 2016 (productie 7 bij verzoekschrift), dat door [werkneemster] ondertekend is, blijkt wel dat er in december 2016 fricties bestonden tussen [werkneemster] en een aantal collega’s. [werkneemster] beklaagt zich onder meer over het niveau van haar collega’s, vindt dat ze te veel kletsen, en stelt dat er sprake is van kliekvorming en pestgedrag jegens haar. [werkneemster] geeft verder aan dat ze graag apart zou willen zitten omdat ze dan meer gedaan krijgt.

4.8.

Op 22 december 2016 vinden er vervolgens een tweetal incidenten plaats: [werkneemster] zegt die dag tegen haar collega [collega B] , als deze aangeeft dat zij toch nog een kerstpakket via de loting zal krijgen: “Je moet een schop onder je kont krijgen als je aan die loting meedoet”. Daarna zegt ze tegen een andere collega, [collega A] :

“Ik sla je tanden uit je mond”, althans woorden van gelijke strekking. Deze laatste opmerking heeft zij vervolgens min of meer herhaald tegenover haar leidinggevende, de heer [leidinggevende] : “Als die de volgende week nog eens zo doet, sla ik al haar tanden uit haar bek.”

4.9.

Collega [collega B] heeft schriftelijk verklaard dat zij de opmerking van [werkneemster] over de loting als een mening heeft gezien, en niet als een bedreiging.

Meerdere collega’s maakten opmerkingen over het lootjes trekken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze uitlating van [werkneemster] , mede gelet op de verklaring van collega [collega B] , niet als verwijtbaar handelen worden aangemerkt.

De opmerkingen die [werkneemster] tegen en over [collega A] heeft gemaakt, worden door haar erkend. Zij wijt dit echter aan PTSS.

De kantonrechter stelt voorop dat het niet getuigt van fatsoen om een collega op een dergelijke manier aan te spreken c.q. om op deze wijze over een collega te spreken.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werkneemster] voldoende aannemelijk gemaakt dat niet uitgesloten kan worden dat zij deze uitlating heeft gedaan onder invloed van PTSS. Hoewel dit het handelen van [werkneemster] niet goed praat, raakt PTSS wel de verwijtbaarheid aan de zijde van [werkneemster] . Waar daarmee niet toegekomen wordt aan een voldragen “e-grond”, weegt een en ander wel mee bij de beoordeling van de al dan niet verstoorde arbeidsrelatie.

4.10.

Het verwijtbaar handelen van [werkneemster] zou volgens AllBidigit ook gelegen zijn in het uit de weg gaan van contact en overleg met AllBidigit respectievelijk het niet opvolgen van gemaakte afspraken tot overleg in de interventieperiode tot en met 13 januari 2017, en vervolgens hierna. Ook het niet mee willen werken aan een mediationtraject (na oproepingen van AllBidigit van 3 februari 2017 en 24 februari 2017) is verwijtbaar, aldus AllBidigit.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat er in de interventieperiode tot en met 13 januari 2017 op 3 januari 2017 en 6 januari 2017 gesprekken hebben plaatsgevonden. Vast staat eveneens dat [werkneemster] toen kenbaar heeft gemaakt een mediationtraject in te willen gaan, zoals door de bedrijfsarts voorgesteld, terwijl AllBidigit aangaf dat dit geen zin had. AllBidigit overhandigde aan het einde van het gesprek van 6 januari 2017 wel een concept vaststellingsovereenkomst aan [werkneemster] .

AllBidigit heeft niet betwist dat het de bedoeling was dat [werkneemster] uiterlijk op 13 januari 2017 de vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou tekenen. De kantonrechter kan begrijpen dat [werkneemster] zich ongerechtvaardigd behandeld voelde, en ervoor koos om op 13 januari 2017 niet op het geplande gesprek te verschijnen. Vervolgens hebben de contacten steeds via de gemachtigde van [werkneemster] plaatsgevonden. Dat [werkneemster] vanaf dat moment zonder gegronde reden contact uit de weg ging en afspraken niet wilde opvolgen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Ook in dit geval is er geen sprake van verwijtbaar handelen geweest.

4.11.

AllBidigit heeft verder nog gesteld dat het niet willen meewerken aan een mediationtraject eveneens verwijtbaar is.

De kantonrechter stelt vast dat het juist [werkneemster] is geweest die al begin januari 2017 open stond voor mediation, terwijl op dat moment AllBidigit zich daartegen verzette.

Op 3 februari 2017 schrijft de gemachtigde van AllBidigit een brief aan de gemachtigde van [werkneemster] . In deze brief staat onder meer de volgende passage vermeld: “Cliënte is niet duidelijk of uw cliënte nu nog mediation wil of dat zij het standpunt inneemt dit niet te willen, wanneer zij door het UWV in het gelijk wordt gesteld. Hoewel cliënte vindt dat uw cliënte ten onrechte een gesprek met haar uit de weg gaat, is zij coulancehalve – en dus onder voorbehoud van haar rechten en weren – desalniettemin bereid om mediation aan te bieden. Graag verneemt cliënte van uw cliënte of zij hier mee instemt. Alsdan zal de loonbetaling per dat moment ook hervat worden.”

Bij e-mailschrijven van 10 februari 2017 antwoordt de gemachtigde van [werkneemster] als volgt: “Cliënte heeft kennis genomen van de inhoud van uw schrijven. Zij wil echter eerst de uitslag afwachten van het door haar aangevraagde deskundigenoordeel, alvorens verder te kunnen reageren.”

Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze reactie van [werkneemster] , in samenhang bezien met de passage uit de brief van de gemachtigde van AllBidigit, bezwaarlijk als verwijtbaar handelen worden gezien.

Bij e-mailschrijven van 24 februari 2017 bericht de gemachtigde van AllBidigit aan de gemachtigde van [werkneemster] dat het UWV inmiddels haar deskundigenoordeel heeft afgegeven, en dat het UWV oordeelt dat [werkneemster] per 27 december 2016 arbeidsgeschikt is. [werkneemster] wordt opgeroepen om alsnog mee te werken aan de voorgestelde mediation.

Bij e-mailschrijven van 6 maart 2017 deelt de gemachtigde van AllBidigit aan de gemachtigde van [werkneemster] onder andere mee dat hij tot onbegrip van zijn cliënte geen enkele reactie heeft ontvangen op zijn e-mail van 24 februari j.l. Er wordt voorgesteld om een beëindigingsovereenkomst aan te gaan, bij gebreke waarvan AllBidigit de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal verzoeken.

De gemachtigde van [werkneemster] reageert vervolgens bij e-mailschrijven van 10 maart 2017 en geeft aan dat haar cliënte bereid was, is en blijft om een mediationtraject aan te gaan, maar wel bij haar standpunt blijft dat zij ziek was op 27 december 2016. Zij vraagt vervolgens om een onafhankelijke mediator in te schakelen.

De omstandigheid dat de gemachtigde van [werkneemster] pas op 10 maart 2017 reageert op het mediationvoorstel van 24 februari 2016 kan naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de aanvankelijke weigering van AllBidigit om aan een mediationtraject mee te werken, niet als verwijtbaar handelen worden aangemerkt.

Subsidiair: een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3,

onderdeel g BW

4.12.

AllBidigit heeft subsidiair aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie.

4.13.

De kantonrechter is van oordeel dat het incident op 22 december 2016 in samenhang bezien met het feit dat [werkneemster] herhaaldelijk heeft aangegeven last te hebben van kletsende collega’s en een zeer vervelende collega ( [collega A] ), maar bij AllBidigit geen gehoor vond, evenals de moeizame contacten tussen partijen na de ziekmelding van [werkneemster] op 27 december 2016, ertoe hebben geleid dat partijen steeds verder uit elkaar zijn gaan staan. Voorts heeft het een negatieve uitwerking gehad op de relatie tussen [werkneemster] en haar directe collega’s. Er kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geconcludeerd dat aan een van partijen (in overwegende mate) een verwijt kan worden gemaakt van de verstoorde arbeidsverhouding die inmiddels is ontstaan. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende gebleken is dat deze verstoorde arbeidsverhouding een duurzaam karakter heeft zodat met voortzetting van het dienstverband geen redelijk doel meer is te bereiken.

4.14.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door AllBidigit naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond opleveren voor ontbinding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Het is de kantonrechter verder gebleken dat herplaatsing van [werkneemster] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is en evenmin in de rede ligt.

4.15.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van AllBidigit zal toewijzen.

4.16.

Ingevolge artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW bepaalt de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, met dien verstande dat de looptijd van de procedure in mindering wordt gebracht op de geldende opzegtermijn. De door AllBidigit in acht te nemen opzegtermijn bedraagt in dit geval twee maanden. Dat een afwijkende opzegtermijn is overeengekomen, is niet gesteld of gebleken. Deze procedure is aangevangen op

11 april 2017 en is geëindigd op 4 juli 2017. Met inachtneming van het vorenstaande en overwegende dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt tegen het einde van de maand, is de kantonrechter voornemens om de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2017 te ontbinden.

4.17.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat AllBidigit aan [werkneemster] een transitievergoeding verschuldigd is indien - kort gezegd - de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van AllBidigit is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. De kantonrechter kent aan [werkneemster] indachtig het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW derhalve een transitievergoeding toe ten bedrage van € 2.540,93 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

[werkneemster] maakt daarnaast aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten over de transitievergoeding. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [werkneemster] heeft niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

AllBidigit zal ten aanzien van de uit te keren transitievergoeding c.a. eveneens worden veroordeeld tot afgifte van een (deugdelijke) specificatie. De daaraan te verbinden dwangsom van € 500,00 per dag zal worden gemaximeerd tot € 5.000,00.

4.18.

[werkneemster] heeft verzocht aan haar een billijke vergoeding toe te kennen. Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW is vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van AllBidigit. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van AllBidigit zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als AllBidigit grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als AllBidigit een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, zodat de verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.

Het verzoek tot doorbetaling van salaris c.a.

4.19.

[werkneemster] stelt zich op het standpunt dat AllBidigit met ingang van

14 januari 2017 ten onrechte is overgegaan tot stopzetting van de loonbetalingen aan [werkneemster] . [werkneemster] is van mening dat zij arbeidsongeschikt was wegens ziekte.

AllBidigit stelt zich primair op het standpunt dat de bedrijfsarts op 3 januari 2017 heeft geoordeeld dat [werkneemster] per 27 december 2016 niet arbeidsongeschikt is.

De verzekeringsarts van het UWV heeft dit oordeel op 24 februari 2017 bevestigd.

Op 10 maart 2017 heeft [werkneemster] zich opnieuw ziek gemeld voor haar werk.

De bedrijfsarts heeft [werkneemster] op 17 maart 2017 per 10 maart 2017 opnieuw volledig arbeidsgeschikt geoordeeld. [werkneemster] heeft ter zake geen deskundigenoordeel van het UWV gevraagd.

4.20.

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [werkneemster] vanaf 14 januari 2017 tot 10 maart 2017 arbeidsongeschikt was tot het verrichten van haar werkzaamheden bij AllBidigit. Zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts van het UWV hebben immers geoordeeld dat zij per 27 december 2016 arbeidsgeschikt was.

AllBidigit heeft het loon van [werkneemster] over deze periode dan ook terecht stopgezet, zodat de loonvordering over deze periode zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de periode na de hernieuwde ziekmelding op 10 maart 2017 ligt er enkel een oordeel van de bedrijfsarts, die luidt dat [werkneemster] per 10 maart 2017 volledig arbeidsgeschikt is. Een oordeel van een deskundige van het UWV ontbreekt.

Nu artikel 7:629a BW voorschrijft dat bij een eis tot betaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 BW een verklaring van een deskundige van het UWV dient te zijn bijgevoegd, zal de loonvordering van [werkneemster] voor zover het de periode betreft vanaf 10 maart 2017, eveneens worden afgewezen.

Eindafrekening

4.21.

AllBidigit verweert zich niet tegen het opmaken van een correcte eindafrekening sec, respectievelijk om dienovereenkomstig de tot 14 januari 2017 opgebouwde en nog niet genoten vakantiedagen en tot die datum opgebouwde vakantiebijslag aan [werkneemster] uit te betalen. Vanaf 14 januari 2017 bouwt [werkneemster] geen vakantiedagen meer op nu

ex artikel 7:634 lid 1 BW de aanspraak op loon het beslissende criterium is.

AllBidigit is vanaf 14 januari 2017 geen vakantietoeslag meer aan [werkneemster] verschuldigd nu deze wordt opgebouwd over verschuldigd loon.

De kantonrechter is van oordeel dat [werkneemster] vanaf 14 januari 2017 inderdaad geen vakantiedagen en geen vakantietoeslag meer opbouwt nu zij vanaf die datum geen aanspraak meer heeft op loon. De kantonrechter zal deze vordering dan ook slechts toewijzen over de periode tot 14 januari 2017.

Concurrentiebeding

4.22.

AllBidigit heeft verklaard dat zij [werkneemster] ontheffing zal verlenen van haar non-concurrentiebeding in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst.

De vordering van [werkneemster] op dit punt zal dan ook worden toegewezen.

Getuigschrift

4.23.

[werkneemster] vordert verder om AllBidigit te veroordelen tot afgifte van een positief geformuleerd getuigschrift. AllBidigit acht zich echter niet gehouden om ten behoeve van [werkneemster] een positief getuigschrift en positieve referenties af te geven. Zij zou dit in strijd met de waarheid moeten doen.

De kantonrechter overweegt dat een werkgever op grond van artikel 7:656 BW verplicht is bij het einde van de arbeidsovereenkomst de werknemer op diens verzoek een getuigschrift uit te reiken. Dit getuigschrift dient in ieder geval te vermelden de aard van de verrichte arbeid en de arbeidsduur per dag of week, alsmede de begindatum en de einddatum van het dienstverband. Slechts indien de werknemer hierom verzoekt, moet de werkgever eveneens in het getuigschrift opnemen een opgave van de wijze waarop de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, een opgave van de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en indien de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, de reden daartoe. Indien de werknemer toestemming geeft om een passage omtrent zijn functioneren in het getuigschrift op te nemen, is het vervolgens aan de werkgever om hieraan zijn eigen invulling te geven. Voor de werknemer is het niet mogelijk af te dwingen dat de werkgever een positief getuigschrift afgeeft. De kantonrechter zal AllBidigit dan ook enkel veroordelen tot afgifte van een getuigschrift. Aan de gevorderde dwangsom zal een maximum worden verbonden van € 5.000,00. Voor afgifte van positieve referenties bestaat geen grondslag in de wet, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

De provisionele vordering ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

4.24.

Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [werkneemster] tot doorbetaling van salaris c.a., is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen.

4.25.

Gelet op de aard en uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat de proceskosten op hierna te bepalen wijze worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2017,

5.2.

veroordeelt AllBidigit tot betaling van € 2.540,93 bruto ter zake transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt AllBidigit om binnen tien dagen na betekening van deze beschikking een (deugdelijke) specificatie van de onder 5.2. uit te keren bedragen over te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat AllBidigit nalatig is om aan deze veroordeling uitvoering te geven, tot een maximum van € 5.000,00,

5.4.

veroordeelt AllBidigit om een correcte eindafrekening op te stellen van het dienstverband, waarbij pro rato opgebouwd vakantiegeld en het openstaande saldo aan niet genoten maar wel opgebouwde vakantie-uren tot 14 januari 2017 wordt uitgekeerd,

5.5.

verklaart voor recht dat [werkneemster] wordt ontheven van haar verplichtingen voortvloeiende uit het overeengekomen concurrentiebeding,

5.6.

veroordeelt AllBidigit tot afgifte van een getuigschrift binnen tien dagen na betekening van deze beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat verzoekster nalatig is om aan deze veroordeling uitvoering te geven, tot een maximum van € 5.000,00,

5.7.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de transitievergoeding uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: em

coll: