Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6278

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
C/03/234334 / KG ZA 17-189
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Artikel 5:56 BW. Partijen zijn buren van elkaar. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag geplaatst of gedaagden eisers toegang tot hun perceel moeten verschaffen, zodat eisers kunnen voldoen aan een door de bodemrechter ten gunste van gedaagden uitgesproken veroordeling die inhoudt dat zij op straffe van een dwangsom de hemelwaterafvoer moeten aanpassen, zodanig dat deze niet meer overloopt en afwatert op het perceel van gedaagden. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat eisers in ieder geval binnen het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat toegang tot het perceel van gedaagden noodzakelijk is om de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer te doen uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/234334 / KG ZA 17-189

Vonnis in kort geding van 27 juni 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.J.H.M. Crombaghs,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. V.E.J. Noelmans.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de brief met bijlagen van [eisers] c.s. van 14 april 2017,

  • -

    het faxbericht, met bijlagen, van [gedaagden] c.s. van 20 april 2017,

  • -

    de mondelinge behandeling, bij gelegenheid waarvan [gedaagden] c.s. een conclusie van antwoord tevens pleitnota in het geding heeft gebracht,

  • -

    het proces-verbaal dat van de mondelinge behandeling is opgemaakt, waarin de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door partijen gemaakte afspraken zijn opgenomen en waarbij de voorzieningenrechter de behandeling van het kort geding heeft aangehouden in afwachting van bericht van de meest gerede partij over de vraag of vonnis dient te worden gewezen of dat de procedure dient te worden doorgehaald,

  • -

    de brieven van [eisers] c.s. van 6 en 8 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] c.s. is woonachtig te [woonplaats] aan [adres 1] . [gedaagden] c.s. is woonachtig te [woonplaats] aan [adres 2] .

2.2.

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 december 2016, gewezen onder zaaknummer C/03/218826 / HA ZA 16-185, is [eisers] c.s. veroordeeld tot aanpassing van zijn hemelwaterafvoer, zodanig dat deze niet meer overloopt en afwatert op het perceel van [gedaagden] c.s., een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [eisers] c.s. hiermee in gebreke blijft, vanaf twee maanden na betekening van het vonnis.

2.3.

[gedaagden] c.s. heeft het vonnis van 14 december 2016 op 10 maart 2017 doen betekenen aan [eisers] c.s.

2.4.

[eisers] c.s. is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagden] c.s., bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gebiedt zijn perceel gelegen aan [adres 2] te [woonplaats] , open te stellen en open te houden voor [eisers] c.s., althans voor door hem aan te wijzen werklieden (onder andere Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] te [vestigingsplaats] ) en voorts aldaar alle noodzakelijke werkzaamheden, al dan niet genoemd in de brief van Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] van 23 februari 2017 en de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde tekening, waaronder ook de daarbij behorende voorzieningen (het eventueel plaatsen van een ladder / rolsteiger) te gehengen en te gedogen, ten behoeve van het werken aan en / of het aanpassen van de hemelwaterafvoer van [eisers] c.s., op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag dat [gedaagden] c.s. na betekening van het vonnis in gebreke mochten blijven aan deze veroordeling te voldoen.

3.1.1.

Hiernaast vordert [eisers] c.s. dat de in het vonnis van 14 december 2016 aan hem opgelegde dwangsom primair per direct wordt opgeheven, dan wel subsidiair per direct wordt verminderd tot nihil, dan wel meer subsidiair wat betreft de ingangsdatum met minimaal twee maanden wordt opgeschort en wel twee maanden nadat [gedaagden] c.s. [eisers] c.s. althans door hem aan te wijzen werklieden (onder andere Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] te [vestigingsplaats] ) ongehinderd tot zijn perceel heeft toegelaten om werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer van [eisers] c.s. uit te (laten) voeren, al dan niet genoemd in de brief van Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] van 23 februari 2017 en de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde tekening, waaronder ook valt het plaatsen van de daarbij behorende voorzieningen (onder andere het plaatsen van een ladder / rolsteiger) en daarbij te beslissen dat geen dwangsommen verschuldigd zullen zijn voor zover de hemelwaterafvoer van [eisers] c.s. voldoet aan de NEN-norm 3215. Nog meer subsidiair vordert [eisers] c.s. dat de dwangsom voor iedere dag dat hij niet overgaat tot aanpassing van zijn hemelwaterafvoer, zodanig dat deze niet meer overloopt en afwatert op het perceel van [gedaagden] c.s., wordt verminderd tot € 50,00 alsmede dat een maximum bedrag aan de verschuldigde dwangsommen wordt verbonden van € 1.000,00 in totaal, dan wel een ander door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag. Uiterst subsidiair vordert [eisers] c.s. dat de voorzieningenrechter een in goede justitie te bepalen maateregel treft op grond waarvan de executie door middel van dwangsommen wordt opgeheven, beperkt, dan wel geschorst.

3.1.2.

Ten slotte vordert [eisers] c.s. dat [gedaagden] c.s. wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, alsmede in de nakosten. Voor de nakosten geldt dat [eisers] c.s. verlangt dat [gedaagden] c.s. tevens wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over deze kosten met ingang van twee weken na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[gedaagden] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Spoedeisend belang

4.1.1.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of [eisers] c.s. een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering in kort geding. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. [eisers] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij bij vonnis van 14 december 2016 is veroordeeld tot aanpassing van zijn hemelwaterafvoer, zodanig dat deze niet meer overloopt en afwatert op het perceel van [gedaagden] c.s., een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij hiermee in gebreke blijft, vanaf twee maanden na betekening van het vonnis. [eisers] c.s. stelt dat [gedaagden] c.s. het vonnis van 14 december 2016 op 10 maart 2017 aan [eisers] c.s. heeft doen betekenen, zodat [eisers] c.s. vanaf 10 mei 2017 dwangsommen zal verbeuren. [gedaagden] c.s. weigert evenwel, ondanks herhaalde verzoeken daartoe die [eisers] c.s. al vóór de betekening van het vonnis heeft gedaan, [eisers] c.s. en / of de door hem ingeschakelde werklieden toe te laten tot zijn perceel teneinde de in verband met de aanpassing van de hemelwaterafvoer noodzakelijke werkzaamheden te verrichten, aldus [eisers] c.s. Bij deze stand van zaken heeft [eisers] c.s. een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering en de daaraan ten grondslag liggende stellingen in kort geding en kan niet van hem worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter zal [eisers] c.s. dan ook in zijn vordering ontvangen.

4.2.

Dient [gedaagden] c.s. aan [eisers] c.s. toegang te verschaffen tot zijn perceel?

4.2.1.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eisers] c.s. dat hij [gedaagden] c.s. herhaaldelijk heeft verzocht data door te geven waarop Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] (hierna: [naam loodgietersbedrijf] ) zou kunnen worden toegelaten tot zijn perceel, zodat de in verband met de krachtens het vonnis van 14 december 2016 bevolen aanpassing van de hemelwaterafvoer noodzakelijke werkzaamheden, kunnen worden uitgevoerd. Ondanks die herhaaldelijke verzoeken en ondanks dat [eisers] c.s. een toelichting heeft gegeven op de uit te voeren werkzaamheden weigert [gedaagden] c.s. [naam loodgietersbedrijf] toegang te verschaffen tot zijn perceel, terwijl hij het vonnis van 14 december 2016 wel op 10 maart 2017 aan [eisers] c.s. heeft doen betekenen, aldus [eisers] c.s. Dit betekent dat [eisers] c.s. vanaf 10 mei 207 dwangsommen zal verbeuren, terwijl hij wel bereid is aan het vonnis van 14 december 2016 te voldoen. [gedaagden] c.s. stelt hem evenwel niet in de gelegenheid het vonnis na te leven, aldus [eisers] c.s. In dit verband wijst [eisers] c.s. tevens op het bepaalde in artikel 5:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In dit artikel is bepaald dat de eigenaar van een onroerende zaak, na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling, gehouden is toe te staan dat van zijn onroerende zaak gebruik wordt gemaakt, wanneer dat voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak noodzakelijk is, tenzij er voor deze eigenaar gewichtige redenen bestaan dit gebruik te weigeren of tot een later tijdstip te doen uitstellen. Nu [naam loodgietersbedrijf] zich op het standpunt stelt dat de werkzaamheden vanaf het perceel van [gedaagden] c.s. dienen te worden uitgevoerd, dient [gedaagden] c.s. hieraan medewerking te verlenen, aldus [eisers] c.s.

4.2.2.

[gedaagden] c.s. stelt zich op het standpunt dat niet aan het in artikel 5:56 BW opgenomen noodzakelijkheidsvereiste is voldaan. Volgens hem is het mogelijk dat de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer worden uitgevoerd zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van zijn perceel. Hiernaast stelt [gedaagden] c.s. zich op het standpunt dat een deel van de werkzaamheden, het aanbrengen van een extra standleiding aan de buitenkant van de stalmuur van [eisers] c.s., onrechtmatig is. Volgens hem pleegt [eisers] c.s. hiermee overbouw.

4.2.3.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagden] c.s. niet in zijn verweer. [eisers] c.s. heeft ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 5:56 BW een brief van [naam loodgietersbedrijf] van 23 februari 2017, die de voorzieningenrechter voorshands als loodgieter ter zake kundig acht, in het geding gebracht. Uit deze brief blijkt dat [naam loodgietersbedrijf] in verband met de uitvoering van zijn werkzaamheden toegang tot het perceel van [gedaagden] c.s. wenst. Hoewel dat in de brief niet met zoveel woorden is gesteld, volgt hieruit impliciet wel dat [naam loodgietersbedrijf] het noodzakelijk acht dat de werkzaamheden (in ieder geval gedeeltelijk) vanaf het perceel van [gedaagden] c.s. worden uitgevoerd. Immers, als dat niet het geval zou zijn, zou [naam loodgietersbedrijf] geen toegang wensen tot het perceel van [gedaagden] c.s. [gedaagden] c.s. heeft op zijn beurt zijn stelling dat de werkzaamheden zodanig kunnen worden uitgevoerd dat het betreden van zijn perceel daarvoor niet noodzakelijk is, niet onderbouwd met een verklaring van een deskundige ter zake, zoals bijvoorbeeld een loodgieter. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt wel gesteld dat in het verleden ook al werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer zijn uitgevoerd en dat die werkzaamheden destijds uitsluitend en probleemloos vanaf het perceel van [eisers] c.s. zijn verricht, maar dit legt in het licht van de brief van [naam loodgietersbedrijf] onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat het nu (ook) mogelijk is de werkzaamheden (uitsluitend) vanaf het perceel van [eisers] c.s. uit te voeren. Op basis hiervan komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [eisers] c.s. in ieder geval binnen het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat toegang tot het perceel van [gedaagden] c.s. noodzakelijk is om de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer te doen uitvoeren.

4.2.3.1. Ten aanzien van de stelling van [gedaagden] c.s. dat het aanbrengen van een extra standleiding aan de buitenzijde van de stalmuur van [eisers] c.s. leidt tot overbouw, hetgeen volgens hem onrechtmatig is, overweegt de voorzieningenrechter dat deze stelling, zelfs als deze juist zou zijn, niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. De vordering strekt immers uitsluitend ertoe dat [gedaagden] c.s. op de voet van artikel 5:56 BW [eisers] c.s. en de door hem aan te wijzen werklieden toegang tot zijn perceel verschaft in verband met de krachtens het vonnis van 14 december 2016 te verrichten werkzaamheden aan de hemelwaterafvoering. De vordering heeft geen betrekking op de aard en inhoud van de te verrichten werkzaamheden en ook niet op de eventuele consequenties van de wijze waarop de hemelwaterafvoer wordt aangepast. Gelet hierop en op het feit dat [gedaagden] c.s. ter zake geen vordering in reconventie heeft ingesteld, bestaat geen aanleiding om deze stelling van [gedaagden] c.s. in dit kort geding op juistheid te beoordelen.

4.2.3.2. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [eisers] c.s. in zoverre voor toewijzing gereed ligt, niet alleen wat betreft het verlenen van toegang aan [naam loodgietersbedrijf] en / of andere door [eisers] c.s. aan te wijzen werklieden, maar óók wat betreft het verlenen van toegang tot het perceel door [gedaagden] c.s. aan [eisers] c.s. zelf. [eisers] c.s. dient immers in de gelegenheid te worden gesteld om te controleren of de werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd.

4.3.

De dwangsommen

4.3.1.

[eisers] c.s. vordert dat aan de veroordeling van [gedaagden] c.s. om toegang te verlenen tot zijn perceel een dwangsom wordt gekoppeld van € 250,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagden] c.s. na betekening van het vonnis nalaat aan deze veroordeling te voldoen.

4.3.1.1. [gedaagden] c.s. heeft daartegen geen verweer gevoerd.

4.3.1.2. Gelet op het door [gedaagden] c.s. ingenomen standpunt dat inhoudt dat de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer kunnen worden verricht zonder dat het betreden van zijn perceel daarvoor noodzakelijk is én gelet op de, op zijn zachtst gezegd, zeer moeizame verstandhouding tussen partijen, acht de voorzieningenrechter een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom aangewezen. In zoverre is ook deze vordering van [eisers] c.s. toewijsbaar. Aangezien partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn overeengekomen dat zij gedurende twee weken na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis over en weer geen dwangsommen zullen verbeuren, zal de voorzieningenrechter bepalen dat [gedaagden] c.s. een dwangsom van € 250,00 per dag zal verbeuren voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, nalaat aan de hoofdveroordeling te voldoen.

Tot slot ziet de voorzieningenrechter aanleiding de te verbeuren dwangsommen te maximeren tot € 10.000,00.

4.3.2.

Ten slotte vordert [eisers] c.s. dat de voorzieningenrechter de bij vonnis van 14 december 2016 aan hem opgelegde dwangsom opheft, dan wel vermindert dan wel opschort, een en ander op de wijze zoals geformuleerd in het petitum van de dagvaarding.

4.3.2.1. Daartegen heeft [gedaagden] c.s. wel verweer gevoerd.

4.3.2.2. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van deze vordering, hecht de voorzieningenrechter, voor alle duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden, eraan op te merken dat [eisers] c.s. in de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gemaakte afspraak die inhoudt dat partijen gedurende twee weken na dagtekening van dit vonnis over en weer geen dwangsommen zullen verbeuren geen aanleiding heeft gezien deze vordering in te trekken. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan een beoordeling daarvan.

4.3.2.3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de aan [eisers] c.s. opgelegde dwangsom per direct op te heffen dan wel te verminderen tot nihil. [eisers] c.s. heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat hij door toedoen van [gedaagden] c.s. niet in staat is om over te gaan tot aanpassing van de hemelwaterafvoer, maar de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagden] c.s. nu hij bij dit vonnis op straffe van een dwangsom daartoe wordt veroordeeld, die medewerking wél zal verlenen.

4.3.2.4. Wat betreft de volgens [eisers] c.s. bestaande onduidelijkheid van de hoofdveroordeling - de hemelwaterafvoer aanpassen zodanig dat deze niet meer overloopt en afwatert op het perceel van [gedaagden] c.s. - en de volgens hem daaruit voortvloeiende feitelijke onmogelijkheid om aan een dergelijke veroordeling te voldoen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De hoofdveroordeling in het vonnis van 14 december 2016 houdt in dat [eisers] c.s. de hemelwaterafvoer moet aanpassen zodanig dat deze niet meer afwatert en / of overloopt op het perceel van [gedaagden] c.s. Die norm is op zichzelf helder; hemelwater afkomstig van het perceel van [eisers] c.s. mag in het geheel niet (dus ook niet bij noodweer) overlopen en / of afwateren op het perceel van [gedaagden] c.s. Op basis hiervan kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de hoofdveroordeling onduidelijk is en dat het om die reden feitelijk onmogelijk is voor [eisers] c.s. om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor de conclusie dat de hoofdveroordeling onduidelijk is, zou pas plaats zijn als zou kunnen of moeten worden aangenomen dat óók nadat de werkzaamheden aan de hemelwaterafvoer zijn uitgevoerd, nog steeds het risico bestaat dat de hemelwaterafvoer in enige mate overloopt en afwatert op het perceel van [gedaagden] c.s. In dat geval zou het, gelet op de inhoud van de hoofdveroordeling, de vraag zijn of [gedaagden] c.s. niet toch in enige mate zou hebben te dulden dat de hemelwaterafvoer overloopt en / of afwatert op zijn perceel. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord, acht de voorzieningenrechter het voorstelbaar dat [eisers] c.s. behoefte heeft aan een concrete norm op dit punt. Een en ander dient evenwel niet in deze procedure, maar in hoger beroep aan de orde te komen, nu dit de inhoud van de hoofdveroordeling en de vraag of deze in stand kan blijven, raakt. Hierin kan dan ook evenmin grond worden gevonden om de opgelegde dwangsom op te heffen of tot nihil te verminderen.

4.3.2.5. Dit laat overigens onverlet dat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen dat de hemelwaterafvoer, volgens de door [eisers] c.s. als productie 8 in het geding gebrachte berekening van [naam loodgietersbedrijf] , na uitvoering van de werkzaamheden een afvoercapaciteit zal hebben van 540 l/min., terwijl de benodigde afvoercapaciteit, daar waren partijen het in ieder geval tijdens de mondelinge behandeling over eens, 514 l/min. bedraagt. De voorzieningenrechter gaat, bij gebrek aan aanwijzingen die op het tegendeel duiden, daarom in ieder geval in deze procedure ervan uit dat geen hemelwater meer afwatert en / of overloopt op het perceel van [gedaagden] c.s., als de hemelwaterafvoer na uitvoering van de werkzaamheden een afvoercapaciteit heeft van 540 l/min.

4.3.2.6. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om de looptijd van de opgelegde dwangsom gedurende enige tijd op te schorten. Partijen zijn reeds overeengekomen dat zij gedurende twee weken na dagtekening van dit vonnis over en weer geen dwangsommen zullen verbeuren. Het valt evenwel, zeker gelet op de aankomende “bouwvak”, niet uit te sluiten dat Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] en / of andere in verband met de uitvoering van de werkzaamheden door [eisers] c.s. in te schakelen bedrijven niet binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis beschikbaar zullen zijn en de betreffende werkzaamheden in die periode volledig kunnen afronden. [eisers] c.s. vordert in dit verband dat de datum waarop [gedaagden] c.s. [eisers] c.s. en de betreffende werklieden toegang tot zijn perceel verschaft om de werkzaamheden te doen uitvoeren, als ingangsdatum van de opschorting wordt gehanteerd, maar hierin volgt de voorzieningenrechter hem niet. Enerzijds omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [gedaagden] c.s. datgene waartoe hij, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld zal naleven en anderzijds ter voorkoming van discussies (en executiegeschillen) tussen partijen over de vraag op welke datum [gedaagden] c.s. [eisers] c.s. en de werklieden toegang heeft verschaft tot zijn perceel. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter bepalen dat de ingangsdatum van de bij vonnis van 14 december 2016 aan [eisers] c.s. opgelegde dwangsommen gedurende twee maanden, ingaande vanaf twee weken na dagtekening van dit vonnis, wordt opgeschort.

4.3.2.7. De voorzieningenrechter zal anders dan [eisers] c.s. vordert, hierbij niet beslissen dat geen dwangsommen verschuldigd zullen zijn voor zover de hemelwaterafvoer van [eisers] c.s. voldoet aan de NEN-norm 3215. Een dergelijke beslissing gaat het bestek van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarop de vordering van [eisers] c.s. tot opheffing dan wel vermindering dan wel opschorting van de looptijd van de dwangsom is gebaseerd, te buiten. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar hetgeen zij in rechtsoverweging 4.3.2.4. heeft overwogen.

4.4.

Proceskosten

4.4.1.

[gedaagden] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 101,11

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.204,11

4.4.2.

De vordering die strekt tot een veroordeling van [eisers] c.s. in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt [gedaagden] c.s. hoofdelijk zijn perceel gelegen te [woonplaats] aan [adres 2] open te stellen en open te houden voor [eisers] c.s., althans voor door hem aan te wijzen werklieden (onder andere Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] te [vestigingsplaats] ) en voorts aldaar de uitvoering van alle noodzakelijke werkzaamheden ten behoeve van het werken aan en / of het aanpassen van de hemelwaterafvoer van [eisers] c.s., al dan niet genoemd in de brief van Loodgietersbedrijf [naam loodgietersbedrijf] van 23 februari 2017 en in de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde tekening, waaronder ook de daarbij behorende voorzieningen (het eventueel plaatsen van een ladder / rolsteiger), te gehengen en te gedogen,

5.1.1.

veroordeelt [gedaagden] c.s. om na betekening van dit vonnis, maar niet eerder dan twee weken na dagtekening van dit vonnis, aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 250,00 per dag dat hij niet aan de hiervoor uitgesproken veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,00,

5.1.2.

bepaalt dat ingangsdatum van de bij vonnis van 14 december 2016 aan [eisers] c.s. opgelegde dwangsommen gedurende twee maanden, ingaande vanaf twee weken na dagtekening van dit vonnis, wordt opgeschort,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op € 1.204,11,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017.1

1 type: NL