Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6244

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
03/661235-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk ongeval in Siebengewald. Veroordeling tot een taakstraf van 240 uur, waarvan 180 uur voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661235-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M. Struik, advocaat kantoorhoudende te Veldhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

met zijn landbouwtrekker een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een motorrijder is omgekomen, dan wel subsidiair door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 primair ten laste gelegde wordt bewezenverklaard. Hij heeft daartoe verwezen naar de verklaring van verdachte, de VerkeersOngevallenAnalyse en de foto’s van het zicht in de spiegels van de tractor van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de motorrijder niet heeft gezien. Wanneer echter wordt gekeken naar het zichtveld in de spiegels, die niet volgens de eisen van artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen waren afgesteld, dan lijkt sprake te zijn van een dode hoek. Gelet op het aangetroffen remspoor van de motor en de aard van het letsel van het slachtoffer, is het niet aannemelijk dat de motorrijder met een dermate hoge snelheid heeft gereden dat deze in het tijdsbestek van enkele seconden tussen het kijken in de spiegels en het inzetten van de afslaande manoeuvre door verdachte, een afstand heeft overbrugd vanaf de horizon tot naast de tractor van verdachte. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de motor is komen aanrijden en op enig moment op de linker weghelft is gaan rijden om de tractor van verdachte in te halen. Doordat de verdachte zijn linker buitenspiegel niet goed had afgesteld, heeft hij de motorrijder over het hoofd gezien. Dit is een vermijdbare en verwijtbare fout. Onder verwijzing naar jurisprudentie, heeft de officier van justitie gesteld dat deze gedragingen van de verdachte zijn aan te merken als verkeersgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte zowel van het primair als van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar de door de verdediging ingebrachte VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 31 mei 2017 van J.L.M. Meuwissen (MVOA) en de reactie van Meuwissen op de aanvullende VerkeersOngevallen-Analyse d.d. 15 juni 2017. Hieruit komt naar voren dat de motorrijder zich minstens op een afstand van 78 tot 100 meter tot de tractor van de verdachte bevond op het moment dat de verdachte besloot richting aan te geven en links begon af te slaan. Hierdoor dringt zich de vraag op of en in hoeverre, gelet op de door Meuwissen geduide positie, snelheid en afstand van de betrokken voertuigen, de motorrijder de tractor voor had moeten laten gaan of de tractor zodanig defensief en/of anticiperend had moeten naderen dat hij nog vermijdend had kunnen handelen. Daarom kan niet worden bewezenverklaard dat de verdachte een verkeersfout zou hebben begaan. Het enige verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, is dat hij de motorrijder had moeten laten voor gaan. Deze enkele gedraging is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van (aanmerkelijke) schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat de linkerbuitenspiegel qua afstelling net niet of niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, heeft volgens de rapportages van Meuwissen niet bijgedragen aan de mogelijke falende waarneming van de verdachte.

Over het subsidiair ten laste gelegde stelt artikel 5 van de Wegenverkeerswet als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag. Dit valt echter niet aan te nemen, omdat het scenario dat de motorrijder de tractor voor had moeten laten gaan, niet kan worden uitgesloten.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

De politie heeft gerelateerd dat er op 15 mei 2016 omstreeks 10:00 uur een aanrijding heeft plaatsgevonden op de Beltweg in Siebengewald. Ter plaatse zagen zij dat een motorrijder aan de westzijde van de weg in de berm lag en werd gereanimeerd. Op de akker in de directe nabijheid stond een tractor en aan de westzijde van de weg lag in de berm een motor met het kenteken [kenteken] . De verbalisanten werden aangesproken door de verdachte, die mededeelde dat hij de bestuurder van de tractor was. Hij vertelde dat hij uit de richting van Siebengewald was gekomen en linksaf de akker op wilde rijden. Tijdens het afdraaien naar de in- en uitrit hoorde hij een klap. De verdachte had de tractor op verzoek van de omstanders op de akker geplaatst.2

De motorrijder [slachtoffer] is op 16 mei 2016 omstreeks 21:38 uur aan de gevolgen van de aanrijding overleden.3

De verdachte heeft verklaard dat hij dagelijks op een tractor rijdt en ter plaatse goed bekend is. In en om de tractor zijn drie spiegels gemonteerd, waarin hij goed naar achteren kan kijken. Hij geeft aan dat toen hij het punt naderde dat hij linksaf wilde slaan, hij in de spiegels zag dat er geen verkeer van achteren naderde. Hij keek in de binnenspiegel en in de linker buitenspiegel. De verdachte heeft ook richting naar links aangegeven. Hij zag dat er geen tegenliggers kwamen en is linksaf geslagen met de bedoeling de akker op te rijden. De verdachte had goed in de binnenspiegel gekeken en was er vast van overtuigd dat er geen verkeer achter of naast hem zat toen hij van richting veranderde. Hij weet niet of hij nog over zijn linkerschouder heeft gekeken. Voordat hij daadwerkelijk afsloeg, had hij zijn snelheid teruggebracht en reed bijna stapvoets. Opeens hoorde de verdachte een knal, waarna hij meteen is gestopt. Hij stond stil met de tractor op de oprit tussen het fietspad en de rijbaan. Pas nadat hij was uitgestapt, zag de verdachte dat er een aanrijding met een motorrijder had plaatsgevonden.4

Ter terechtzitting van 16 juni 2017 heeft de verdachte verklaard dat hij in zijn binnenspiegel recht zicht naar achteren had. De buitenspiegels stonden iets naar beneden gedraaid, zodat hij zicht had op de zijkanten van de eg, welke aan de tractor gekoppeld was. Reden daarvoor is dat hij dan in de bebouwde kom kan voorkomen dat hij geparkeerde auto’s raakt.

De Forensische Opsporing, afdeling VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: VOA), heeft technisch onderzoek gedaan naar de aanrijding. Daarin wordt weergegeven dat het verkeersongeval plaatsvond op de Beltweg, gelegen buiten de bebouwde kom van Siebengewald, gemeente Bergen, ter hoogte van een inrit naar een perceel akkerland. Het ongeval vond gezien in de richting van de Brugfortsstraat plaats op een recht weggedeelte van de Beltweg. De rijbaan had een breedte van circa 6,2 meter en was door middel van een onderbroken witte streep verdeeld in twee rijstroken. De ter plaatste toegestane maximum-snelheid bedraagt 80 km/u. Op de linkerrijbaan is onder andere een remblokkeerspoor aangetroffen met een lengte van ongeveer 5,1 meter, getekend door de banden van de Aprillia motor van het slachtoffer. Door VOA werd voorts geconstateerd dat de linkerbuitenspiegel van de tractor naar beneden stond gericht, waardoor er hoofdzakelijk zicht werd verkregen op de linkerzijde kort achter de tractor (ongeveer 5 meter op grondniveau), alsmede de linkerzij van de gekoppelde rotor eg. Met deze spiegel was geen zicht te krijgen op het verkeer dat de tractor van achteren naderde. Ook de rechterbuitenspiegel bevond zich in enigszins naar rechts gekantelde toestand. Het zicht dat via deze spiegel werd verkregen werd links begrensd door een rechte lijn ongeveer parallel aan de rechter zijkant van de cabine. Aan de achterzijde van de tractor werd via deze spiegel geen zicht verkregen. In de binnenspiegel was zicht mogelijk in een vlak recht achter en naar de rechterzijde achter de tractor over ruime afstand. Naar de linkerzijde, vooral kort achter de tractor, was geen zicht mogelijk. De VOA heeft hieruit geconcludeerd dat de bestuurder van de tractor in de linker buitenspiegel geen zicht kon hebben op het verkeer dat zich links dicht naast hem bevond. Het zichtveld in de linker spiegel voldeed niet aan de omschrijving gesteld in de Regeling voertuigen. In de binnenspiegel werd het zichtveld, in het bijzonder op afstand achter de tractor, deels wel bestreken.

Op basis van de aangetroffen sporen en schade heeft de VOA geconstateerd dat de bestuurder van de Steyl- tractor reed over de Beltweg, komende uit de richting van de Nieuweweg. De bestuurder van de Aprillia motor reed in dezelfde richting. Ter hoogte van de inrit naar de akker reed de bestuurder van de tractor linksaf deze inrit in. De bestuurder van de motor reed op dat moment, gezien de rijrichting, op de linkerrijstrook van de Beltweg, mogelijk met de bedoeling de voor hem rijdende tractor te gaan inhalen. Op het moment dat de bestuurder van de tractor de inrit juist was opgereden en de linker rijstrook geheel blokkeerde, botste de bestuurder van de motor tegen de linkerzijkant van de tractor met de daaraan gekoppelde rotor eg. De motor botste tegen de rotor eg alsmede tegen de band van het linker achterwiel van de tractor. De bestuurder van de motor raakte als gevolg van de aanrijding ernstig gewond en kwam later, op 16 juni 2016 omstreeks 21:38 uur, aan de gevolgen van zijn verwondingen te overlijden.5

In de aanvullende VOA wordt over het zicht in de spiegels aangegeven dat in artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen staat vermeld dat de bestuurder het vlakke weggedeelte vanaf tien meter gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon dient te kunnen overzien. Hiervan was geen sprake, omdat het zichtveld eindigde op het grondvlak ongeveer vijf meter achter het voertuig. Zelfs in een aangepaste zithouding eindigde het zichtveld voor het beginpunt van het verplichte zichtveld. Voorts wordt aangegeven dat het remblokkeerspoor werd aangetroffen vrijwel parallel aan de lengte as van de Beltweg, links op de linker rijstrook, dit gezien de rijrichting. Dit impliceert dat de bestuurder van de motor zijn zijwaartse beweging naar links reeds had voltooid. In de binnenspiegel bestond de mogelijkheid voor de bestuurder van de tractor een van achteren naderende bestuurder van de motor reeds langere tijd waar te nemen. De Beltweg voor de plaats van het ongeval heeft een over ruime afstand een recht verloop. Van een bestuurder van landbouwtrekkers (toegestane maximumsnelheid 25 km/u) mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van het snelheidsverschil met overige motorvoertuigen (toegestane maximumsnelheid 80 km/u). Het is zeer waarschijnlijk dat de bestuurder van de tractor alvorens links af te slaan zijn snelheid heeft verminderd om de bocht te kunnen maken. Een bochtsnelheid van 5 tot 10 km/u lijkt hierbij reëel om aan te nemen. Het resultaat daarvan is dat het onderlinge snelheidsverschil substantieel toeneemt van 55 km/u (15,27 m/s) naar 70 a 75 km/u (19,44 a 20,83 m/s) en daarmee de onderlinge tussenruimte versneld afneemt. Het remblokkeerspoor werd aangetroffen op een afstand van 24,8 meter voor de vastgestelde botsplaats. Indien er vanuit wordt gegaan dat het rem-blokkeerspoor de eerste reactie (noodremming) was van de bestuurder van de motor, dan ligt het perceptiepunt van de bestuurder de afstand afgelegd in de reactietijd daarvoor. Bij een snelheidsverschil tussen de 70 en 75 km/u was het voor de bestuurder van de motor onmogelijk om zijn motor bijtijds tot stilstand te brengen. Op basis hiervan heeft de VOA geconcludeerd dat de bestuurder van de motor op het benaderde perceptiepunt reeds was aangevangen met het inhalen van de voor hem rijdende tractor. Tevens kan worden vastgesteld dat op dat punt de bestuurder van de tractor in de linker buitenspiegel geen zicht had op de bestuurder van de motor. Gezien het zichtveld van de binnenspiegel zal de motor gedurende de inhaalmanoeuvre uit het zichtveld verdwijnen. Bovendien was de bestuurder van de tractor gezien de bouw van de cabine, rondom ruiten, alvorens links af te slaan in de gelegenheid door over zijn schouder te kijken zicht te nemen op eventueel links naast hem dan wel dicht achter hem rijdend verkeer.

Overwegingen

Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende gang van zaken:

Op 15 mei 2016 reed de verdachte in zijn tractor met daarachter een eg over de Beltweg te Siebengewald. Gekomen bij zijn akker, wilde de verdachte linksaf slaan teneinde de op- en afrit van de akker op te rijden. De verdachte heeft verklaard dat hij voordat hij wilde afslaan in zijn spiegels heeft gekeken, maar geen verkeer van achteren zag naderen en linksaf is geslagen. Vervolgens is er een aanrijding ontstaan met de motor van [slachtoffer] , aan de gevolgen waarvan [slachtoffer] is overleden.

De vraag die beantwoordt moet worden is of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, is vereist dat het rijgedrag van verdachte ten minste zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende omstandigheden:

Het zichtveld van de spiegels

Artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen vereist dat verdachte in de spiegel het vlakke weggedeelte vanaf tien meter gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon dient te kunnen overzien. Hiervan was voor de linker buitenspiegel op de tractor van de verdachte geen sprake. Het zichtveld eindigde immers op het grondvlak ongeveer vijf meter achter het voertuig, zo blijkt uit de VOA. Dit geldt ook wanneer op dit punt de constateringen van de door de verdediging ingebrachte rapportage van Meuwissen worden gevolgd. Immers, hierin wordt geconstateerd dat de verdachte in de linker buitenspiegel zicht had op het vlaktk weggedeelte tot 8,5 meter gemeten vanaf de spiegel. Ook in het scenario waarvan Meuwissen uitgaat, was dus vanuit de linker buitenspiegel geen zicht mogelijk vanaf tien meter gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon. In de binnenspiegel was zicht mogelijk in een vlak recht achter en naar de rechterzijde achter de tractor over ruime afstand. Naar de linkerzijde, met name kort achter de tractor, was volgens de VOA geen zicht mogelijk. De VOA heeft hieruit geconcludeerd dat de bestuurder van de tractor in de linker buitenspiegel geen zicht kon hebben op het verkeer dat zich links achter hem dan wel links dicht naast hem bevond.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de linker buitenspiegel niet voldeed aan de in artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen gestelde eisen en dat de verdachte daardoor geen deugdelijk zicht had op het weggedeelte achter en dicht naast zijn tractor aan de linkerzijde.

De positie van de motorrijder

Door de VOA is op de linker rijbaan een remblokkeerspoor aangetroffen afkomstig van de motor. Het begin van dit remspoor ligt op 24,8 meter vanaf de vastgestelde botsplaats. De rechtbank gaat er, zoals ook door de VOA wordt geconstateerd, vanuit dat het begin van dit spoor de eerste reactie (noodremming) van de motorrijder was. Het perceptiepunt van de motorrijder ligt gelet op de reactietijd op enige afstand daarvoor. Wanneer de rechtbank een reactietijd van één seconde aanneemt, dan betekent dat bij de maximaal toegestane snelheid van 80 km/u (22,22 m/s) een afstand van 22,22 meter extra voor het begin van het remblokkeerspoor. Gelet op de situatie ter plaatse, namelijk een rechte weg, geen tegenliggers en het snelheidsverschil tussen de motor en de tractor (70 à 75 km/u), acht de rechtbank het aannemelijk dat de motorrijder, op het moment dat de verdachte besloot links af te slaan, reeds met een inhaalmanoeuvre was begonnen en daartoe op de linker rijbaan reed op een afstand van ongeveer 47 á 50 meter.

Gelet op het door de VOA geconstateerde zichtveld van de binnenspiegel stelt de rechtbank vast dat de motorrijder op dit punt nog niet in het zichtveld van de binnenspiegel was waar te nemen. Voorts bood de linkerbuitenspiegel enkel zicht op het linker weggedeelte tot - in het voor de verdachte meest gunstige geval - 8,5 meter, gemeten vanaf de spiegel. De motorrijder was daardoor ook niet in de linkerbuitenspiegel waar te nemen. Het feit dat de verdachte de motorrijder niet heeft gezien in de spiegels, zoals hij zelf heeft verklaard, acht de rechtbank te wijten aan het feit dat de linkerbuitenspiegel niet volgens de eisen van artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen was afgesteld. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich er van bewust was dat de buitenspiegels naar binnen waren gedraaid, teneinde meer zicht te hebben op de zijkanten van de eg, die achter de tractor bevestigd was.

Op grond van vorenstaande concludeert de rechtbank dat de verdachte als ervaren bestuurder van landbouwvoertuigen voor vertrek de linkerbuitenspiegel van zijn tractor niet volgens de wettelijke vereisten, voor gebruik op de openbare weg, heeft afgesteld, waardoor hij niet kon zien wat zich links (dicht) achter de tractor afspeelde. Hij is vervolgens in deze tractor met aangekoppeld landbouwwerktuig gaan rijden. Op een recht stuk weg, waar ter plaatse een maximumsnelheid van 80 km/u geldt en het snelheidsverschil met medeweggebruikers dus groot kan zijn, is de verdachte links afgeslagen. Daarbij heeft hij geen voorrang verleend aan de motorrijder die hem op dat moment aan het inhalen was. De verdachte was zich bewust van het feit dat de linkerbuitenspiegel op de zij-/achterkant van het aangekoppelde landbouwwerktuig was gericht, maar hij heeft geen compenserende maatregelen genomen door bijvoorbeeld over zijn linkerschouder te kijken. Had hij dit gedaan, dan zou hij waarschijnlijk de motorrijder nog hebben zien aankomen. Deze omstandigheden samen bezien, acht de rechtbank aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 15 mei 2016 te Siebengewald, in de gemeente Bergen (L), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), zich bevindende op de weg, de Beltweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedraging aanmerkelijk, onvoorzichtig was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig, - terwijl dit voertuig niet was voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte kan overzien als bedoeld in artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen -, zich voorafgaand aan of tijdens het afslaan onvoldoende van heeft vergewist of er zich dicht achter hem geen ander verkeer bevond, en (vervolgens) gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar links is afgeslagen teneinde de inrit naar een akker op te rijden, zulks op het moment dat de bestuurder van een motorfiets, zijnde [slachtoffer] , zich links dicht achter hem bevond, waardoor een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5 De straf en/of de maatregel

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van een eventuele strafoplegging bepleit aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen, aangezien deze in dit geval geen enkel doel dient, omdat de deze zaak zich – ondanks de tragische gevolgen van het ongeval – niet leent voor een strafrechtelijke afdoening. Een onvoorwaardelijke straf levert bovendien geen bijdrage aan de verwerking van het rouwproces van de nabestaande en evenmin aan het rijgedrag van verdachte. Voorts heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het grote belang dat hij in verband met zijn bedrijf heeft bij behoud van zijn rijbewijs.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft schuld aan een verkeersongeval. Doordat hij een motorrijder niet heeft opgemerkt in zijn onjuist afgestelde spiegel en daardoor heeft verzuimd om voorrang te verlenen, is er een botsing ontstaan. Daarbij heeft de motorrijder zodanig letsel opgelopen ten gevolge waarvan hij een dag later is overleden.

Een dergelijke verkeersfout heeft dramatische gevolgen. Het strafrecht heeft op de eerste plaats tot doel om de ernst van de gemaakte (verkeers-)fout te bestraffen. De vergelding komt als doel op de tweede plaats, maar deze plaats is in het geval van een schulddelict zoals het onderhavige feit minder prominent. Desondanks biedt een strafrechtelijke uitspraak alsdan nog de functie van erkenning van de nabestaanden voor hun (indirect) slachtofferschap.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de WVW. Deze oriëntatiepunten houden in dat in beginsel een taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden aan de orde is.

De rechtbank is ter terechtzitting gebleken dat de verdachte zeer gebukt gaat onder de gevolgen van het door hem veroorzaakte ongeval. Hij heeft oprecht berouw getoond en heeft na het ongeval betrokkenheid getoond bij de situatie van de nabestaanden. Tot slot overweegt de rechtbank dat de verdachte met zijn leeftijd van 76 jaar niet eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten. Gelet hierop ziet de rechtbank redenen om te bepalen dat de taakstraf deels voorwaardelijk zal worden opgelegd, te weten 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Bij de oplegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid houdt de rechtbank tevens rekening met de omstandigheden dat verdachte afhankelijk is van de zijn rijbewijs voor zijn bedrijfsactiviteiten. De rechtbank zal verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, dit om verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer te betrachten.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[benadeelde] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 6.155,70 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen met oplegging van de schademaatregel.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder primair ten laste gelegde feit (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door de verdediging niet is weersproken, geheel voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 6.155,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 6.155,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

16 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 65 dagen, te betalen ten behoeve van [benadeelde] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 180 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst toe de civiele vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [benadeelde] , te betalen 6.155,70 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 16 juni 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van 6.155,70 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 16 juni 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en

mr. C.M. Nollen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer,

griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2017.

Mr. W.L.J. Voogt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 mei 2016 te Siebengewald, in de gemeente Bergen (L), als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), zich bevindende op de weg, de Beltweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedraging(en) zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig, - terwijl dit voertuig niet was voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte kan overzien als bedoeld in artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen -, zich voorafgaand aan of tijdens het afslaan onvoldoende van heeft vergewist of er zich dicht achter of naast hem geen ander verkeer bevond, en/of (vervolgens) gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar links is afgeslagen teneinde de inrit naar een akker op te rijden, zulks op het moment dat de bestuurder van een motorfiets, zijnde [slachtoffer] , zich links naast, dan links dicht achter hem bevond, waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans met de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde motorfiets;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2016, in de gemeente Siebengewald, gemeente Bergen (L),, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmee rijdende op de weg, de Beltweg, - terwijl dit voertuig niet was voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte kan overzien als bedoeld in artikel 5.8.45 van de Regeling voertuigen -, zich voorafgaand aan of tijdens het afslaan onvoldoende van heeft vergewist of er zich dicht achter of naast hem geen ander verkeer bevond, en/of (vervolgens) gezien zijn, verdachtes, rijrichting naar links is afgeslagen teneinde de inrit naar een akker op te rijden, zulks op het moment dat de bestuurder van een motorfiets zich links naast, dan links dicht achter hem bevond, waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en (de bestuurder van) die motorfiets, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2016086850 gesloten d.d. 31 augustus 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 46.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2016, pagina 39.

3 Proces-verbaal van schouw stoffelijk overschot d.d. 17 mei 2016, pagina 33-36.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 mei 2016, pagina 43-46.

5 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 10 juni 2016, pagina 5-31.