Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:6020

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
C/03/223160 / HA ZA 16-409
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident ex art. 843a Rv; ex samenwoners; verzoek inzage in bankafschriften over een bepaalde periode; vordering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/223160 / HA ZA 16-409

Vonnis in incident van 28 juni 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres in de hoofdzaak in conventie,

verweerster in de hoofdzaak in reconventie,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.W.A.M. van Roy,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in de hoofdzaak in conventie,

eiser in de hoofdzaak in reconventie,

eiser in het incident,

advocaat mr. E.E. Frenken.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 juli 2016,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering tot inzage in

bescheiden ex artikel 843a Rv,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    het pleidooi van 31 mei 2017,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] ,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten, voor zover van belang in het incident ex artikel 843a Rv

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. In het kader van die relatie zijn zij in augustus 2011 gaan samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding gaan voeren. Partijen hebben geen samenlevingscontract gesloten, zijn niet gehuwd (geweest) en zijn geen geregistreerd partnerschap aangegaan.

2.2.

Op 14 augustus 2011 is er tussen Eldoradoparken B.V. enerzijds en [eiseres] en [gedaagde] anderzijds een koopovereenkomst gesloten ter zake van een chalet voor een bedrag van € 50.000,-. Dit chalet is gelegen op vakantiepark “Camping en Jachthaven de Maasterp” in [woonplaats gedaagde] . De aankoopprijs van het chalet is door [eiseres] voldaan.

2.3.

Partijen hebben in het begin van hun affectieve relatie in voormeld chalet gewoond. Daarna hebben partijen in de woning die in eigendom toebehoort aan [eiseres] te [woonplaats eiseres] samengewoond.

2.4.

Medio 2014 is de affectieve relatie tussen partijen beëindigd. [gedaagde] is sindsdien woonachtig in het chalet.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert in hoofdzaak - samengevat en zakelijk weergegeven - verdeling van voormeld chalet, in die zin dat het chalet aan [gedaagde] wordt toebedeeld onder betaling van een bedrag van € 50.000,- aan [eiseres] . Voor het geval [gedaagde] nalaat tot betaling van een bedrag van € 50.000,- aan [eiseres] over te gaan, vordert [eiseres] te bepalen dat het chalet dient te worden verkocht aan een derde, onder betaling van de verkoopopbrengst aan [eiseres] .

In reconventie

3.2.

In reconventie vordert [gedaagde] - samengevat en zakelijk weergegeven -:

  1. te bepalen dat de waarde van het chalet tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, althans te bepalen dat betreffende de waarde van het chalet de verdeelsleutel als door [gedaagde] omschreven zal worden toegepast;

  2. te bepalen dat het chalet inclusief inboedel aan hem zal worden toegedeeld, mits het deel van de waarde van het chalet dat aan [eiseres] toekomt lager is dan de toegewezen vordering van [gedaagde] in reconventie;

  3. voor zover het chalet met inboedel niet wordt toegedeeld aan [gedaagde] , te bepalen dat het chalet dient te worden verkocht aan een derde;

  4. voor zover de rechtbank niet oordeelt dat sprake is van een nadrukkelijke althans stilzwijgende afspraak dat de waarde van het chalet bij helfte dient te worden gedeeld en [eiseres] aldus geen vordering heeft betreffende de aanschafprijs, [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.396,15 aan [gedaagde] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van betaling;

  5. [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 59.900,- aan [gedaagde] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2016 tot aan de dag van betaling.

in het incident

3.3.

[gedaagde] vordert in reconventie om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en onder verbeurte van een dwangsom, [eiseres] te veroordelen om binnen veertien dagen na dit vonnis afschriften te verstrekken aan [gedaagde] van de bankrekening op naam van [eiseres] met nummer: IBAN [de bankrekening] (hierna: de bankrekening van [eiseres] ), voor zover het de betaling van de huishoudelijke kosten betreft over de periode januari 2013 tot en met augustus 2014.

3.4.

[gedaagde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat er gedurende de samenwoning tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de betaling van de gemeenschappelijke huishoudelijke kosten. In dat kader werd er volgens [gedaagde] een tussen partijen in samenspraak vastgesteld bedrag per maand gestort op de bankrekening van [eiseres] ; de huishoudelijke kosten werden vervolgens betaald van diezelfde bankrekening. [gedaagde] stelt voorts dat het maandelijks te storten bedrag dermate ruim was dat daarvan nog gelden over moeten zijn gebleven. [gedaagde] vordert in incident inzage in deze bankrekening teneinde zijn stellingen te kunnen onderbouwen dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken, dan wel dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [eiseres] .

3.5.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Onderhavige zaak draagt een internationaal karakter nu [eiseres] in België woonachtig is en [gedaagde] in Nederland. De rechtbank dient daarom ambtshalve te onderzoeken of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. In deze zaak is van toepassing de Verordening (EU) nr. 2015/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (EEX-Vo 2012), aangezien er sprake is van een handelszaak (artikel 1 EEX-Vo 2012) en de zaak na 1 januari 2015 is aangebracht. Nu [gedaagde] woonachtig is in Nederland en er geen gerecht is dat op grond van artikel 24 EEX-Vo 2012 exclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe op grond van artikel 4 van de EEX-Vo 2012. Nu de reconventionele vordering voortspruit uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vordering (waaronder het in reconventie opgeworpen incident ex artikel 843a Rv) rechtsmacht (artikel 8 lid 3 EEX-Vo 2012). Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

4.2.

Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 10:127 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (artikel 2 Wet conflictenrecht goederenrecht (oud)) worden de goederenrechtelijke aspecten van een eenvoudige gemeenschap van een roerende of onroerende zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt (HR 18 november 2011, RvdW 2011/1423). Nu het in de onderhavige zaak – zowel in conventie als in reconventie – gaat om een vordering tot verdeling van een onroerende zaak in Nederland die aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehoort, is op de onderhavige zaak (waaronder het incident ex artikel 843a Rv) Nederlands recht van toepassing.

Beoordeling

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vier cumulatieve voorwaarden verbindt aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken. Deze voorwaarden luiden als volgt: 1) op het moment van instellen van de vordering moet er sprake zijn van rechtmatig belang bij inzage, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorgang partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben. Indien aan voormelde voorwaarden is voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden indien: de wederpartij tot geheimhouding verplicht is met betrekking tot de bescheiden (artikel 843a lid 3 Rv), er gewichtige redenen zijn die zich tegen afgifte verzetten of dat redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder afgifte is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).

Rechtsbetrekking

4.4.

Vast staat dat partijen een affectieve relatie hebben gehad en in dat kader hebben samengewoond. Voorts is van belang dat [eiseres] tijdens het pleidooi desgevraagd heeft bevestigd dat partijen in 2013 afspraken hebben gemaakt over welke huishoudelijke kosten gezamenlijk zouden worden betaald, alsmede over de hoogte van het bedrag dat ieder maandelijks zou overmaken op de bankrekening van [eiseres] . Nu daarmee vast staat dat partijen onderling afspraken hebben gemaakt over de betaling van huishoudelijke kosten en ieders bijdrage daarin, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen.

Bepaalde bescheiden

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] zijn vordering in het incident heeft beperkt tot afgifte van uitsluitend die bankafschriften van de bankrekening van [eiseres] die zien op de uitgaven met betrekking tot de huishoudelijke kosten over de periode januari 2013 tot en met augustus 2014. Daarnaast heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij uitdrukkelijk geen inzage vordert in het saldo van de bankrekening en/of in de financiële positie van [eiseres] . De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [gedaagde] daarmee voldoende bepaald is en dermate concreet is dat duidelijk is welk bescheiden er worden bedoeld.

Ter beschikking hebben bescheiden

4.6.

Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] niet (meer) de beschikking heeft over de betreffende bankafschriften. De rechtbank overweegt dat indien en voor zover [eiseres] feitelijk niet meer over de bankafschriften beschikt, zij deze kan opvragen bij de bank. Daarmee is aan de eis van het ter beschikking hebben van de bescheiden voldaan.

Rechtmatig belang bij inzage

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat van rechtmatig belang bij inzage ex artikel 843a Rv sprake is indien een materieelrechtelijke aanspraak op de gevraagde bescheiden bestaat dan wel sprake is van een bewijsbelang. Van dat laatste is sprake indien de gevraagde bescheiden dienen tot bewijs van feiten en/of rechten waarvan de eiser de bewijslast draagt.

4.8.

[gedaagde] stelt dat [eiseres] de tussen hen gemaakte afspraken niet (volledig) is nagekomen. [eiseres] heeft erkend dat partijen in 2013 afspraken hebben gemaakt over welke huishoudelijke kosten gezamenlijk betaald zouden worden en becijferd hebben welk bedrag ieder maandelijks zou overmaken op de bankrekening van [eiseres] . [gedaagde] stelt dat deze raming gaandeweg te hoog bleek en dat hij [eiseres] daar herhaaldelijk op heeft gewezen. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat partijen nauwelijks kosten hebben hoeven te maken voor gas, elektra en water vanwege het gebruik van zonnepanelen, bronwater en een tank met dieselolie om te stoken. [eiseres] heeft daarnaast tijdens het pleidooi erkend dat van het afgesproken maandelijkse bedrag ook een gedeelte gespaard zou worden om samen een dure reis te kunnen maken, maar dat partijen deze reis uiteindelijk niet gemaakt hebben omdat de relatie in augustus 2014 is verbroken. [eiseres] heeft tevens verklaard dat in het maandelijkse bedrag door partijen geen rekening is gehouden met een bijdrage voor het gebruik van de woning van [eiseres] door [gedaagde] .

4.9.

Nu op [gedaagde] de bewijslast rust met betrekking tot zijn stelling dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken, dan wel van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [eiseres] , heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank een rechtmatig (bewijs-)belang bij inzage in de uitgaven voor huishoudelijke kosten in de gevorderde periode. Het inhoudelijke verweer van [eiseres] tegen de stelling dat sprake is van wanprestatie dan wel ongerechtvaardigde verrijking zal worden beoordeeld in de hoofdzaak.

4.10.

Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet, noch dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de verschaffing van de gegevens is gewaarborgd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [eiseres] tijdens het pleidooi heeft verklaard dat deze bankrekening enkel en alleen werd gebruikt voor het storten van de maandelijkse bijdragen in de huishoudelijke kosten en het doen van uitgaven ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. Daarnaast heeft [eiseres] tijdens het pleidooi verklaard dat zij de (meeste) uitgaven per bankkaart verrichtte, zodat de bankafschriften ook een beeld zullen kunnen geven van de voor de huishoudelijke kosten gedane uitgaven. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat er aan de zijde van [eiseres] sprake is van een verplichting tot geheimhouding.

4.11.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [gedaagde] voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom evenwel matigen tot € 50,- per dag of gedeelte van een dag en maximeren op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de termijn waarbinnen [eiseres] tot afgifte van de bescheiden dient over te gaan – teneinde haar indien nodig voldoende gelegenheid te geven om de bankafschriften bij de bank op te vragen – bepalen op 30 dagen.

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 904,- (2 punten x tarief € 452,-) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt [eiseres] om binnen dertig dagen na dit vonnis aan [gedaagde] te verstrekken afschriften van de bankrekening IBAN [de bankrekening] voor zover het de betaling van de huishoudelijke kosten betreft over de periode januari 2013 tot en met augustus 2014, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 904,-,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 augustus 2017 voor conclusie van antwoord in reconventie,

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.1

1 type: KB coll: