Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:590

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
C/03/223583 / FA RK 16-2610
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. De man moet gelet op zijn onderhoudsverplichting zijn ontslagvergoeding aanwenden ter suppletie van zijn inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0027
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/223583 / FA RK 16-2610

Beschikking van 23 januari 2017 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. G.D. Jongen;

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.A.P. Peeters.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 15 juli 2016;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 15 augustus 2016;

- het verweerschrift van de man op het zelfstandig verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op 13 september 2016;

- de brief d.d. 11 oktober 2016 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het F-9 Formulier d.d. 21 oktober 2016 van de advocaat van de man, met bijlagen;

- het F-9 Formulier d.d. 25 oktober 2016 van de advocaat van de man, met bijlagen;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016 en waarbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door mr. G.D. Jongen;

- de vrouw, bijgestaan door mr. M.A.P. Peeters.

1.2.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief d.d. 18 november 2016 aan de rechtbank meegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

De rechtbank Roermond heeft op 9 december 2009 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 26 januari 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij voornoemde uitspraak heeft de rechtbank Roermond de door partijen in het echtscheidingsconvenant overeengekomen uitkering tot levensonderhoud, verder te noemen partnerbijdrage, van € 1.350,-- per maand aan de man opgelegd.

Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage vanaf 1 januari 2016 € 1.445,83 per maand.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank de partnerbijdrage zal wijzigen en met ingang van 1 september 2016, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, zal bepalen op nihil, althans op een door de rechtbank te bepalen bedrag.

3.2.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en voert daartoe het volgende aan.

De man is vanaf 1998 werkzaam geweest bij de Rabobank. Laatstelijk heeft hij gewerkt als statutair directeur bij de vestiging Almkerk. Ten gevolge van een verschil van inzicht in het te voeren beleid is de man met ingang van 1 september 2016 werkloos geworden.

De man is bijna 54 jaar oud en zijn leeftijd maakt de zoektocht naar werk niet makkelijker. Via de website van het UWV heeft hij de online ondernemerstest gedaan, waaruit bleek dat het starten van een onderneming een optie was. Het UWV heeft de man gewezen op de zogenaamde startersregeling. De man heeft besloten dit traject te gaan bewandelen. Gelet op zijn zeer specifieke werkervaring, de beperkte mogelijkheden in de bankensector, zijn leeftijd en zijn eerdere sollicitaties zonder resultaat, meent de man dat hij in redelijkheid en billijkheid deze keuze heeft mogen maken. De man heeft een ontslagvergoeding ontvangen van € 350.000,-- bruto. De man zal daarvan uitbetaald krijgen een netto bedrag van € 168.000,--. Dit bedrag zal geheel nodig zijn als startkapitaal voor de onderneming, het opvangen van de exploitatiekosten van de eerste jaren, ter voorziening in het inkomen gedurende de eerste jaren, voor pensioenvoorziening en voor reservering van vervangingsinvesteringen. De man heeft een inkomen nodig van € 1.800,-- per maand om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man verwacht dat hij in 2019 voldoende inkomen zal verwerven.

Bij gebruikmaking van de startersregeling krijgt de man gedurende 26 weken 71% van zijn WW-uitkering. De eerste twee maanden (september 2016 en oktober 2016) zal de uitkering € 2.341,-- bruto bedragen en de volgende vier maanden zal de uitkering naar verwachting € 2.185,-- bruto per maand bedragen.

Indien rekening wordt gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zijn woonlasten, premie ziektekostenverzekering en advocaatkosten, dan heeft de man geen draagkracht.

De man heeft voorts gesteld dat bij de herbeoordeling van de partneralimentatie tevens onderzocht dient te worden of de vrouw nog behoeftig is.

4 Het verweer tevens zelfstandig verzoek

4.1.

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan.

Tevens verzoekt de vrouw de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen het bedrag van de wettelijke indexering tot en met augustus 2016 ten bedrage van € 3.629,36, alsmede de na 1 september 2016 verschuldigde wettelijke indexering. De vrouw voert daartoe het volgende aan.

4.2.

Draagkracht man

De vrouw is van mening dat het inkomensverlies van de man verwijtbaar en voor

herstel vatbaar is, doch in ieder geval tot het inkomensniveau van de man ten tijde van de

echtscheiding. De vrouw beschikt nog over een loonstrook van de man uit augustus 2008

waaruit blijkt dat hij destijds een bedrag van € 7.454,58 bruto per maand verdiende. Dit

salaris is derhalve als uitgangspunt genomen voor de hoogte van de partneralimentatie. De

vrouw is van mening dat de man dit bedrag aan inkomen kan verwerven, ook na ontslag.

Naast het feit dat de vrouw van mening is dat de man zich niet, dan wel onvoldoende heeft ingespannen om een baan in loondienst te vinden, is de vrouw van mening dat de man uit de

door hem te starten onderneming, in combinatie met de te ontvangen ontslagvergoeding

alsmede WW-uitkering en eigen vermogen, in staat moet worden geacht een inkomen te

verwerven op een gelijk niveau als in 2008/2010.

De vrouw is primair van mening dat bij een herberekening van de partneralimentatie

uitsluitend dient te worden gekeken naar de inkomens- en vermogenspositie van de man.

Dit volgt naar mening van de vrouw uit (de uitleg van) het echtscheidingsconvenant.

Partijen zijn namelijk uitdrukkelijk overeengekomen dat verhoging van de

partneralimentatie niet kan plaatsvinden bij gewijzigde omstandigheden en vermindering

uitsluitend bij werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid (van de man).

De behoeftigheid, behoefte en draagkracht van de vrouw zijn dan ook niet relevant. De man

dient conform zijn draagkracht partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

De man heeft de beschikking over de ontslagvergoeding ten bedrage van € 350.000,- bruto. Het nettobedrag van € 168.000,- kan worden gevolgd. De vrouw betwist daarnaast dat de man een bedrag van € 1.800,- netto per maand nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. De man zal minimaal gedurende 26 weken een WW-uitkering ontvangen welke WW-uitkering de kosten van de man om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien (ruim) zal dekken.

De vrouw is van mening dat met de navolgende lasten van de man rekening mag worden

gehouden:

- woonlasten: € 185,25 per maand hypotheekrente en € 142,31 per maand VvE;

- ziektekosten: € 138,17 per maand en € 32,08 per maand eigen risico.

Met de advocaatkosten mag geen rekening worden gehouden, dan wel slechts gedurende 1

jaar, aangezien het geen terugkerende kosten betreft.

Behoeftigheid

De vrouw beschikt momenteel over een fulltime dienstverband, weliswaar voor 36 uur doch

dit is gebruikelijk bij haar werkgever. De vrouw heeft ook een vast contract zodat niet van

haar gevergd kan worden dat zij op zoek gaat naar een andere functie.

In 2008/2009 op het moment dat partijen uit elkaar zijn gegaan is de behoefte van de vrouw

niet vastgesteld.

Behoefte

Uitgaande van het jaarinkomen van de man in 2008 (aangezien inkomensgegevens uit 2009

niet voorhanden zijn), van € 72.586,-, en van de vrouw in 2009, van € 19.425,- is een

behoefteberekening opgemaakt naar de normen van 2009 (productie 3). Op basis van de Hof-formule hebben beide partijen een behoefte van (geïndexeerd naar 2016) € 3.491,- netto per maand. De vrouw beschikt momenteel over een eigen inkomen van € 2.046,- netto per maand, zodat aan behoefte resteert een bedrag van € 1.445,- netto per maand, zijnde plusminus € 2.167,- bruto per maand.

Jusvergelijking

De vrouw is van mening dat wanneer door de man het bedrag van € 1.445,83 per maand voldaan wordt zij niet in een betere positie dan de man komt.

Ingangsdatum

De vrouw is van mening dat de ingangsdatum voor een eventuele wijziging van de

partneralimentatie niet eerder gelegen kan zijn dan de datum van de beschikking,

aangezien de vrouw geen rekening heeft hoeven houden met een wijziging. Van de vrouw

kan niet gevergd worden dat zij een terugbetalingsverplichting aan de man heeft nu de

vrouw iedere maand de bijdrage van de man nodig heeft, zoals uit haar behoefte blijkt.

Zelfstandig verzoek

Door de man is nimmer de wettelijke indexering voldaan. De man dient derhalve nog € 3.629,36 tot en met augustus 2016 aan de vrouw te voldoen.

Indien de man vrijwillig de op hem rustende wettelijke verplichting zou hebben voldaan, had de vrouw ook geen reden gehad een deurwaarder in te schakelen. De kosten van het exploot komen derhalve voor rekening van de man. De man kan zich niet beroepen op verrekening . Primair is de vrouw van mening dat met partneralimentatie, en derhalve ook met de wettelijke indexering, geen kosten verrekend mogen worden aangezien partneralimentatie een hoge preferentie heeft. Subsidiair is de vrouw van mening dat de door de man genoemde kosten niet voor verrekening in aanmerking komen.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1.

De man concludeert tot afwijzing van het zelfstandig verzoek van de vrouw, kosten rechtens.

5.2.

De man stelt dat de wettelijke indexering van alimentatie uit de wet voortvloeit. De man betwist de door de vrouw becijferde indexering, omdat daarbij geen rekening is gehouden met verjaring. Bovendien had de man nog een vordering op de vrouw, waarmee jarenlang de indexering is verrekend. Volgens de in de beschikking van 9 december 2009 opgenomen, door partijen getroffen regeling, dient de vrouw aan de man ter zake de auto te betalen een bedrag van zo’n € 4.500,--, terwijl de man aan de vrouw ter zake het golfcertificaat moet voldoen een bedrag van circa € 2.000,--. Op grond van de toedeling van de auto aan de vrouw en het golfcertificaat aan de man, diende de vrouw uiteindelijk aan de man te betalen een bedrag van € 3.289,83. De vordering van de vrouw op de man uit hoofde van de indexering kent geen hogere preferentie dan de vordering van de man op de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de goederengemeenschap en deze vorderingen mogen “gewoon” met elkaar verrekend worden.

6 De beoordeling

6.1.

De grondslag van het verzoek

De man heeft zijn verzoek gebaseerd op een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak, waarbij de tussen partijen overeengekomen partnerbijdrage aan de man is opgelegd, niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

De rechtbank is van oordeel dat, nu sedert de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 december 2009, waaraan geen inhoudelijke beoordeling van de behoefte en draagkracht ten grondslag heeft gelegen, de man vanaf 1 september 2016 werkloos is, waardoor zijn inkomsten zijn gewijzigd, er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, die een hernieuwde beoordeling van de partnerbijdrage rechtvaardigt vanaf 1 september 2016.

6.2.

De behoefte

6.2.1.

Anders dan de vrouw meent, is de rechtbank van oordeel dat bij die hernieuwde beoordeling de (aanvullende) behoefte van de vrouw wel degelijk in aanmerking moet worden genomen. In het echtscheidingsconvenant is het volgende bepaald:

Partneralimentatie

De man zal maandelijks aan de vrouw € 1.350,- ter zake van partneralimentatie betalen.

Partneralimentatie, dient voor zover althans dat recht op alimentatie blijft bestaan, betaald te worden gedurende een periode van twaalf jaar, te rekenen vanaf het moment waarop de echtscheiding een feit is. (…) Het recht op partneralimentatie vervalt indien de vrouw gaat samenwonen met een partner.

De hoogte van de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie zal gedurende de looptijd enkel worden aangepast met de jaarlijkse indexering. Man en vrouw komen overeen dat geen verhoging bij gewijzigde financiële omstandigheden zal plaatsvinden. Vermindering om die reden kan wel plaatsvinden als er sprake is van werkloosheid en of arbeidsongeschiktheid”.

In de eerste alinea is bepaald dat de man de partneralimentatie betaalt voor een periode van twaalf jaar voor zover het recht op alimentatie blijft bestaan. Aan het recht op alimentatie kan een einde komen indien de vrouw zelf volledig in haar behoefte kan voorzien of wanneer zij gaat samenwonen met een nieuwe partner. Die laatste mogelijkheid wordt expliciet benoemd. Maar daarmee is niet gezegd dat de behoefte van de vrouw verder geen rol speelt. In de tweede alinea wordt expliciet benoemd dat verhoging van de alimentatie niet kan plaatsvinden, doch vermindering wel, indien sprake is van werkloosheid en of arbeidsongeschiktheid. Ook uit die alinea valt niet af te leiden, dat bij gewijzigde financiële omstandigheden ingeval van werkloosheid en of arbeidsongeschiktheid de behoefte van de vrouw geen rol speelt.

De rechtbank relateert de behoefte van de vrouw aan het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk. De rechtbank zal uitgaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.310,-- per maand, nu door de vrouw onweersproken is gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen ongeveer € 1.311,-- per maand bedroeg en dat van de man ongeveer € 3.999,-- per maand.

Op het netto besteedbaar gezinsinkomen komen de kosten van de twee kinderen van partijen die destijds nog minderjarig waren in mindering. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen destijds zijn overeengekomen dat de behoefte van de kinderen € 575,-- per maand per kind bedroeg. De rechtbank zal derhalve een bedrag van in totaal € 1.150,-- per maand in mindering brengen op het netto besteedbaar gezinsinkomen, zodat resteert € 4.160,-- netto per maand ter besteding voor de man en de vrouw. Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten met zich meebrengt, acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de vrouw op 60% van het resterende bedrag te bepalen. De rechtbank becijfert de behoefte van de vrouw dan ook op € 2.496,-- netto per maand. Vermeerderd met de wettelijke indexeringen bedraagt deze behoefte vanaf 1 januari 2016 € 2.673,-- per maand. Daarop komt het huidige eigen inkomen van de vrouw in mindering. Op basis van de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties augustus en september 2016 becijfert de rechtbank een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van gemiddeld € 2.233,-- per maand. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een bruto inkomen van € 2.734,--, een BHV-vergoeding van € 18,-- bruto per maand, een vakantietoeslag van 8% en een dertiende maand van € 1.968,--. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Voornoemd netto besteedbaar inkomen van de vrouw brengt de rechtbank in mindering op de behoefte van de vrouw, zodat de aanvullende behoefte van de vrouw € 440,-- netto per maand bedraagt. Het daarmee corresponderende bruto bedrag bedraagt circa € 660,-- per maand (uitgaande van een gemiddelde belastingdruk van 33,33 %).

6.3.

De draagkracht

6.3.1.

Anders dan de vrouw heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat sprake is van niet voor herstel vatbaar, niet verwijtbaar inkomensverlies. De arbeidsovereenkomst van de man is blijkens de door de man overgelegde beëindigingsovereenkomst, beëindigd wegens verschil van inzicht in het te voeren beleid. De man was werkzaam in de bankensector. Het is niet te verwachten dat hij in die sector, gelet op zijn leeftijd en het niveau waarop hij werkzaam was, te weten: directeur van een Rabovestiging, op korte termijn een nieuwe baan zal vinden, mede gelet op de in de bankensector plaatsvindende bezuinigingen en reorganisaties. Dat de man ervoor gekozen heeft om een eigen bedrijf op te richten, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden, een gerechtvaardigde keuze.

Uit de overgelegde uitkeringsspecificatie september 2016 blijkt dat de man een WW-uitkering heeft ontvangen van € 2.019,-- netto, exclusief vakantietoeslag. Verder blijkt uit de door de man overgelegde toekenningsbeslissing UWV dat de WW-uitkering vanaf 1 november 2016 70% van het dagloon zal bedragen en dat, nu de man met toestemming UWV start met een onderneming per 1 september 2016, de man hierdoor 29% minder WW zal ontvangen.

Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat de door hem ontvangen ontslagvergoeding dient te worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van zijn inkomen vanaf 1 september 2016 als aanvulling op zijn WW-uitkering. Dat de man de ontslagvergoeding voor een groot deel wenst aan te wenden als startkapitaal voor de onderneming, het opvangen van de exploitatiekosten van de eerste jaren, ter voorziening in het inkomen gedurende de eerste jaren, voor pensioenvoorziening en voor reservering vervangingsinvesteringen, zoals door hem aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. De ontslagvergoeding is bedoeld als aanvulling op de WW uitkering, dan wel een lager inkomen. Van de man mag verwacht worden dat hij de ontslagvergoeding aanwendt voor de suppletie van zijn inkomen opdat hij aan zijn alimentatieverplichting kan blijven voldoen. Dit geldt te meer nu de vrouw heeft gesteld dat de man nog over een aanzienlijk vermogen beschikt. Nu de man geen financiële stukken heeft overgelegd waaruit blijkt of de man al dan niet beschikt over (inkomsten uit) vermogen, is de rechtbank niet in staat dit te beoordelen. Dit dient voor rekening en risico van de man te komen. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de man in staat is zijn onderneming te financieren met het door hem opgebouwde vermogen.

De rechtbank acht de man dan ook in staat zijn alimentatieverplichting na te komen, rekening houdend met de hoogte van de ontslagvergoeding. Wanneer naast de door hem ontvangen WW-uitkering tevens rekening wordt gehouden met de toegekende ontslagvergoeding van € 350.000,-- bruto, dan is er gedurende een langere periode geen sprake van een inkomensvermindering ten opzichte van de periode dat de man nog in loondienst bij de Rabobank was geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de overgelegde vaststellingsovereenkomst blijkt dat het inkomen van de man bij de Rabobank bruto € 11.652,12, inclusief dertiende maand en 8% vakantietoeslag, bedroeg. Dit is omgerekend, rekening houdende met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, een netto besteedbaar inkomen van € 6.299,-- per maand.

De man heeft recht op een WW-uitkering, uitgaande van 75% van het bruto maandloon van € 4.433,74 gedurende de eerste twee maanden, zijnde een bedrag van € 3.355,--, en vervolgens 70%, zijnde een bedrag van € 3.103,-- bruto per maand. Omdat de startperiode van zijn onderneming 1 september 2016 is heeft de man recht op voornoemde uitkering gedurende 26 weken en wordt hij daarop met 29% gekort. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een bruto WW-uitkering over de maanden september en oktober 2016 van ( € 3.355,-- minus 29% =) € 2.382,-- per maand en vanaf 1 november 2016 tot 1 maart 2016 een bruto WW-uitkering van ( € 3.103,-- minus 29% =) € 2.203,-- bruto per maand. Dit is omgerekend over de periode september en oktober 2016 een netto WW-uitkering van € 1.636,-- per maand en over de periode 1 november 2016 tot 1 maart 2017 een netto WW-uitkering van € 1.538,-- per maand.

De rechtbank gaat uit van een ontslagvergoeding van € 350.000,-- bruto, zijnde netto een bedrag van € 168.000,--.

Vanaf 1 september 2016 heeft de man, zonder rekening te houden met eventuele inkomsten uit de nieuwe onderneming en inkomsten uit vermogen, ten opzichte van zijn inkomen bij de Rabobank van € 6.299,-- netto per maand, iedere maand minder aan inkomsten:

  • -

    € 4.663,-- vanaf 1 september

  • -

    € 4.761,-- vanaf 1 november 2016

  • -

    € 6.299,-- vanaf 1 maart 2017.

Gelet hierop kan de man minimaal tot 1 januari 2019 van deze ontslagvergoeding gebruik maken om zijn inkomen aan te vullen tot zijn salaris dat hij bij de Rabobank verdiende.

6.3.2.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man nog altijd voldoende draagkracht heeft om een partnerbijdrage ter hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw te betalen. De door de man te betalen partnerbijdrage vanaf 1 september 2016 zal de rechtbank dan ook vaststellen op € 660,-- bruto per maand.

6.4.

De wettelijke indexering

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen het bedrag van de wettelijke indexering tot en met augustus 2016 ten bedrage van € 3.629,36, alsmede de na 1 september 2016 verschuldigde wettelijke indexering, overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op hetgeen in artikel 1:402a BW is bepaald worden bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage. Gelet op het bepaalde in lid 5 van voornoemd artikel kan de wijziging van rechtswege geheel of voor een bepaalde duur worden uitgesloten.

De rechtbank is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door de vrouw (zoals onder andere blijkt uit de door haar als produktie 1 bij het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek overgelegde email d.d. 19 juni 2012), zijn stelling dat partijen de wettelijke indexering hebben uitgesloten, dan wel dat de man nog een vordering heeft op de vrouw, waarmee jarenlang de indexering dient te worden verrekend, onvoldoende heeft onderbouwd en aangetoond. Nu vaststaat dat noch bij rechterlijke uitspraak noch bij overeenkomst de wettelijke indexering is uitgesloten, is de man de wettelijke indexering in beginsel verschuldigd.

De man heeft zich echter op verjaring beroepen. Hij stelt dat de vordering ter zake indexering over de periode voorafgaande aan 4 augustus 2011 is verjaard, gelet op het bepaalde in artikel 3:324 lid 3 BW. Nu de deurwaarder op 4 augustus 2016 de man heeft gesommeerd tot betaling van de achterstallige indexering over te gaan en niet gebleken is dat de vrouw voor die datum aanspraak heeft gemaakt op de indexering, treft het beroep op verjaring doel.

De rechtbank zal de door de man verschuldigde wettelijke indexering over de periode vanaf 4 augustus 2011 tot en met augustus 2016 als volgt vaststellen:

Periode Percentage Hoofdsom

4-8-2011 0,9 € 1.362,15 (€ 10,58 + 4 x € 12,15) = € 59.18

1-1-2012 1,3 € 1.379,86 (12 x € 29,86) = € 346,32

1-1-2013 1,7 € 1.403,32 (12 x € 53,32) = € 639,84

1-1-2014 0,9 € 1.415,95 (12 x € 65,95) = € 791,40

1-1-2015 0,8 € 1.427,27 (12 x € 77,27) = € 927,24

1-1-2016 1,3 € 1.445,83 (8 x € 95,83) = € 766,64

Totaal: € 3.532,19

De rechtbank zal beslissen als hierna is vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

wijzigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 december 2009 waarbij de tussen partijen overeengekomen partnerbijdrage is vastgesteld, in die zin dat de man met ingang van 1 september 2016 voor levensonderhoud aan de vrouw heeft te betalen een bedrag van € 660,-- per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.2.

bepaalt dat de wettelijke indexering over de periode 1 januari 2011 tot en met augustus 2016 op een bedrag van € 3.532,19;

7.3.

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 23 januari 2017 uitgesproken in tegenwoordigheid van H.V.M. Smeets, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.