Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5889

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
217006 / HA ZA 16-100
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vervoer van goederen over de weg van de haven in Hamburg naar diverse plaatsen in Duitsland. Onderdeel van de overeenkomst is het opslaan en herverpakken van de goederen in Nederland. Sprake van internationaal vervoer. CMR van toepassing. De Nederlandse rechter is bevoegd. Voor het overige is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 7 lid 1 van de herziene EEX-Vo. Rechtsmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/109
NTHR 2017, afl. 5, p. 320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/217006 / HA ZA 16-100

Vonnis in incident van 21 juni 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DS LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R. Evers,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

TONGFANG GLOBAL GERMANY GMBH,

gevestigd te Dreieich (D-63303), Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J. Wind.

Partijen zullen hierna DS Logistics en Tongfang genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2016 en de daarin genoemde stukken

  • -

    het vonnis van de rechtbank Limburg van 4 mei 2016 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte van 31 augustus 2016 van DS Logistics met productie 1

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 en 2

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord met producties 2 tot en met 10

  • -

    de conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident met productie 3

  • -

    de conclusie van dupliek in het bevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

DS Logistics is een logistieke dienstverlener die is gevestigd te Swalmen. Zij verzorgt voor haar klanten diverse logistieke werkzaamheden op gebied van onder andere transport en (tijdelijke) opslag van goederen.

2.2.

Tongfang exploiteert een groothandel in consumentenelektronica. Zij is actief op de Duitse markt. Zij importeert haar producten uit onder andere het Verenigd Koninkrijk en China. De producten komen in containers per schip aan in onder meer de haven van Hamburg. Voor de distributie in Duitsland maakt Tongfang gebruik van de diensten van DS Logistics.

2.3.

DS Logistics heeft in opdracht en voor rekening van Tongfang in 2013 en 2014 logistieke werkzaamheden verricht en heeft daartoe in de periode mei 2014 tot en met begin februari 2015 facturen naar Tongfang verzonden voor een totaalbedrag van € 77.247,83.

2.4.

Ondanks herhaalde sommaties heeft Tongfang de facturen van DS Logistics niet voldaan. In de hoofdzaak vordert DS Logistics betaling van de facturen.

2.5.

De gefactureerde werkzaamheden bestaan uit het transport over de weg van de haven in Hamburg naar Swalmen, opslagwerkzaamheden (waaronder ook herverpakken van de goederen), transport van Swalmen naar diverse plaatsen in Duitsland. Daarnaast zijn diverse andere kosten bij Tongfang in rekening gebracht, zoals kosten die door de terminal in Hamburg zijn doorbelast aan DS Logistics met betrekking tot containers met Tongfang-goederen en nabelaste invoerrechten.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Tongfang vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. DS Logistics voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.2.

Bij de beoordeling van de rechtsmacht stelt de rechtbank voorop dat in een zaak met internationale aspecten als hier aan de orde (Tongfang is gevestigd in Duitsland), de rechter, zonodig ambtshalve, moet beoordelen of hij - de Nederlandse rechter - rechtsmacht heeft. Als de rechter van oordeel is dat hem geen rechtsmacht toekomt, moet hij zich (ambtshalve) onbevoegd verklaren.

3.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt is uitgangspunt dat de vestigingsplaatsen van partijen zijn gelegen in verschillende EU-lidstaten, dat de vordering in eerste aanleg is ingesteld na 10 januari 2015 (verzoek om een Europees betalingsbevel is ontvangen op 26 maart 2015). Daarom dient de rechterlijke bevoegdheid in beginsel beoordeeld te worden aan de hand van de herschikte EEX-Vo/Brussel-I bis Vo, 1215/2012/EU (hierna EEX-Vo 1215/2012), tenzij op grond van het bepaalde in artikel 71 EEX-Vo 1215/2012 de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR van toepassing is.

3.4.

DS Logistics betwist de incidentele vordering. Zij stelt daartoe dat de rechtbank Limburg bevoegd is kennis te nemen van het geschil:
- voor zover de vordering betrekking heeft op de vervoerswerkzaamheden, primair op grond van artikel 31 CMR omdat de plaats van inontvangstneming/aflevering in Swalmen is gelegen, en subsidiair op grond van een forumkeuze zoals vermeld in artikel 23 van de toepasselijke FENEX-voorwaarden;
- voor zover de vordering betrekking heeft op de opslagwerkzaamheden: primair op grond van artikel 7 lid 1 onder a en b EEX-Vo 2015/2012 en subsidiair op grond van artikel 27 EEX-Vo 2015/2012 (forumkeuze)
- voor zover de vordering betrekking heeft op de overige logistieke werkzaamheden primair op grond van een forumkeuze, subsidiair op grond van artikel 7 EEX-Vo 2015/2012 en meer subsidiair omdat de werkzaamheden zozeer verband houden met de andere werkzaamheden dat het in de rede ligt dat deze rechtbank ook beslist op die vorderingen.

3.5.

Tussen partijen is in geschil of met betrekking tot de vervoerswerkzaamheden de CMR van toepassing is. Tongfang stelt dat sprake is van een expeditieovereenkomst en voor zover er wel sprake is van een vervoersovereenkomst dat de plaats van inontvangstneming van de goederen en de plaats bestemd voor de aflevering beiden zijn gelegen in Duitsland, reden waarom de CMR niet van toepassing is.

3.6.

Tongfang heeft zich bij repliek in incident op het standpunt gesteld dat de CMR niet van toepassing kan zijn omdat DS zelf geen vervoerswerkzaamheden heeft verricht, doch deze heeft doen uitvoeren door een derde en dus niet als vervoerder maar als expediteur is opgetreden. De rechtbank overweegt dat een vervoerder de feitelijke uitvoering van het vervoer kan uitbesteden aan derden. Dit geeft evenwel geen aanduiding dat die vervoerder als expediteur optreedt, nu sprake kan zijn geweest van ondervervoer. Nu verdere onderbouwing van deze stelling ontbreekt en Tongfang zich bovendien in haar incidentele conclusie op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van vervoersovereenkomsten gaat de rechtbank aan deze stelling verder voorbij.

3.7.

Om in geval van een vervoersovereenkomst vast te kunnen stellen of de CMR van toepassing is moet worden beoordeeld of sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen waarvan er tenminste één partij is bij het Verdrag, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen.

3.8.

De (CMR)vrachtbrieven zijn niet overgelegd, zodat de rechtbank niet aan de hand van die stukken kan vaststellen wat de plaats van inontvangstneming en de plaats bestemd voor aflevering is. Echter, de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.9.

DS Logistics heeft gesteld dat alle goederen per zeecontainer aankwamen in de haven van Hamburg, waarbij op het moment van aankomst aldaar nog niet bekend was wat de uiteindelijke bestemming van de goederen was. In verband daarmee schakelde Tongfang DS Logistics in om de goederen van de haven in Hamburg te vervoeren naar Swalmen, om de goederen één tot twee weken op te slaan in Swalmen, om de goederen, zodra duidelijk was wat de eindbestemming was, te herpakken en op pallets te plaatsen ten behoeve van de afleveradressen en om uiteindelijk het vervoer van Swalmen naar deze afleveradressen te verrichten. Terminalkosten met betrekking tot containers met Tongfang goederen en aan DS Logistics nabelaste invoerrechten werden door DS Logistics doorberekend aan Tongfang.

DS Logistics heeft betwist dat zij ten aanzien van de onderhavige facturen ooit opdracht heeft gekregen van Tongfang om de betreffende goederen rechtstreeks van Hamburg naar bestemmingen binnen Duitsland te vervoeren.

3.10.

Tongfang stelt dat de essentie van de overeenkomsten tussen partijen niet is gelegen in het vervoer naar of het verrichten van werkzaamheden in Swalmen, maar in het vervoer van de goederen van Hamburg naar eindbestemmingen in Duitsland. Tongfang stelt dat vervoer specifiek naar Swalmen en verdere logistieke werkzaamheden in Swalmen geen eis van Tongfang was.

3.11.

De vordering is gebaseerd op nakoming van betalingsafspraken. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst(en) een element van vervoer èn opslag èn herverpakken in zich heeft/hebben. Tongfang stelt – zo begrijpt de rechtbank - dat het element van opslag van ondergeschikte betekenis is en dat slechts sprake is van één vervoersovereenkomst waarbij plaats van inontvangstneming en aflevering is gelegen in Duitsland. Echter, met een dergelijke redenering gaat Tongfang naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. Naar het oordeel van de rechtbank staat immers als onvoldoende weersproken vast dat alle vervoerde goederen, waarvan thans betaling wordt gevorderd, één tot twee weken opgeslagen zijn geweest en herverpakt/omgepakt te Swalmen. Dat is ook aannemelijk nu DS Logistics pas op het moment van ontvangst van de “Lieferscheinen” (productie 2 bij incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid) wist waar zij uiteindelijk de goederen naartoe moest (laten) transporteren en in welke hoeveelheden. Voor zover Tongfang betoogt dat dit niet het geval is, had het op haar weg gelegen om bijvoorbeeld transportdocumenten over te leggen waaruit blijkt dat zowel de plaats van inontvangstneming als de plaats van aflevering in Duitsland zijn gelegen, danwel om te stellen en te onderbouwen welke gefactureerde en gevorderde transportwerkzaamheden enkel in Duitsland hebben plaatsgevonden, zonder opslag en/of herverpakking in Swalmen. Nu zij dat heeft nagelaten gaat de rechtbank er vanuit dat alle goederen, waarvan de logistiek werd verzorgd door DS Logistics, in Swalmen werden gelost en daar gedurende één tot twee weken werden opgeslagen en vervolgens herverpakt in de juiste hoeveelheden.

3.12.

Daarmee heeft Tongfang ook (impliciet) ingestemd. Vast staat immers dat Tongfang wist dat de goederen in Swalmen werden opgeslagen. Zij heeft het bedrijf en de opslagruimte van DS Logistics in Nederland bezocht. Daarbij komt dat Tongfang aan DS Logistics geen andere instructies heeft gegeven over hoe of waar de goederen tijdelijk moesten worden opgeslagen, omgepakt en op pallets moesten worden geplaatst. Zonder andere instructies lag het gelet op de vestigingsplaats van DS Logistics ook niet voor de hand dat de goederen zouden worden opgeslagen en herverpakt in Duitsland. Tongfang heeft aan DS Logistics overgelaten hoe en waar de goederen werden opgeslagen/bewaard/herverpakt en heeft ook nooit bezwaar gemaakt tegen het feit dat dit in Swalmen gebeurde, waaruit naar het oordeel van de rechtbank kan worden afgeleid dat zij daarmee heeft ingestemd.

3.13.

Opslag van goederen was noodzakelijk omdat de bestemming ten tijde van aankomst van de goederen in Hamburg nog niet bekend was. Ook de hoeveelheid uiteindelijk af te leveren goederen in Duitsland was op dat moment niet bekend. De inhoud van de zeecontainer werd kennelijk in Swalmen opgesplitst in verschillende deelzendingen die op verschillende momenten naar verschillende plaatsen in Duitsland werden vervoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de opslag en de herverpakking niet gezien worden als een vervoersrechtelijke bijkomstigheid die in de lijn van de vervoerovereenkomst ligt en die, mede in het licht van de omstandigheden van het geval, plaatsvindt ter ondersteuning van het vervoer en daaraan dus ondergeschikt is. Door de opslag, de herverpakking en de herverdeling is het vervoerstraject wezenlijk doorbroken en dient te worden geconcludeerd dat partijen in feite twee losse transport trajecten zijn overeengekomen: het transport van Hamburg naar Swalmen en het transport van Swalmen naar diverse plaatsen in Duitsland. Aangezien in beide trajecten de plaats van inontvangstneming en de plaats van aflevering zijn gelegen in verschillende landen, is de CMR van toepassing is op de transportwerkzaamheden.

3.14.

Artikel 31 lid 1 CMR zegt met zoveel woorden dat in geval van “CMR-rechtsgedingen”
i naast de door partijen gekozen rechter ook bevoegd zijn:

ii het gerecht van de woonplaats van gedaagde,

iii het gerecht van de plaats van inontvangstneming van de goederen,

iv het gerecht van de plaats bestemd voor de aflevering van de goederen.

3.15.

Nu Swalmen in het ene traject de plaats van inontvangstneming is en in het andere traject de plaats bestemd voor aflevering is deze rechtbank op grond van artikel 31 CMR derhalve bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tot betaling van de transportwerkzaamheden.

3.16.

Met betrekking tot de opslagwerkzaamheden en de overige logistieke werkzaamheden overweegt de rechtbank als volgt.

De in artikel 4 herschikte EEX-verordening vastgelegde hoofdregel vindt hier geen toepassing, nu gedaagde haar woon- of vestigingsplaats niet in Nederland heeft. Met betrekking tot verbintenissen uit overeenkomst houdt de herschikte EEX-verordening in artikel 7 lid 1 echter een alternatieve bevoegdheidsregel in. Op grond van die bepaling is bevoegd het gerecht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 lid 1 onder b herschikte EEX-verordening geldt, bij overeenkomsten tot het verstrekken van diensten, tenzij anders is overeengekomen, als die plaats de plaats waar de diensten verstrekt werden of hadden moeten worden verstrekt. Vast staat dat de opslag plaatsvond in Swalmen en niet betwist is dat de overige logistieke werkzaamheden werden verricht vanuit Swalmen. Nog los van de vraag of met betrekking tot de overige logistieke werkzaamheden tussen partijen sprake is van een rechtsgeldige forumkeuze ontleent de rechtbank voor zowel de opslagwerkzaamheden als de overige logistieke werkzaamheden haar bevoegdheid aan artikel 7 lid 1 onder a en b EEX-Vo 2015/2012.

3.17.

Tongfang zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van DS Logistics begroot op € 904,00 (2 x € 452,00).

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt Tongfang in de kosten van het incident, aan de zijde van DS Logistics tot op heden begroot op € 904,00,

4.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 augustus 2017 voor conclusie van antwoord,

4.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op
21 juni 2017.1

1 type: SS coll: