Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:577

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
C/03/229411 / KG ZA 16-649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Bewoners eigendomswoning ervaren overlast van buren. Zij vorderen de verhuurder van de woning van de buren te veroordelen tot ontruiming van de woning en om de buren te veroordelen tot staken van de overlast.

Onrechtmatig handelen verhuurder? De gestelde overlast is onderbouwd met logboek, anonieme verklaringen almede beeld- en geluidsopnames. Onvoldoende zekerheid over gestelde overlast om gevorderde voorzieningen toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/229411 / KG ZA 16/649

Vonnis in kort geding van 23 januari 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

en

2. [eiseres sub 2],

beiden wonend te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. G.A.M.F. Spera te Heerlen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Baltus,

2 [gedaagde sub 2] ,

en

3. [gedaagde sub 3],

beiden wonend te [woonplaats 1] ,

gedaagden,

advocaat mr. G.J.A.F. Beulen.

Partijen zullen hierna ook [eiser] (in mannelijk enkelvoud), [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] (in mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 10

  • -

    de bij brief van 6 januari 2017 ingediende producties 11 tot en met 15

  • -

    de akte depot van de zijde van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 januari 2017, waarbij [eiser] is bijgestaan door
    mr. K.M.C. Jansen, kantoorgenoot van mr. Spera

  • -

    de pleitnota’s van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] woont met zijn gezin sinds december 2006 in de woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats 1] . [gedaagde sub 1] is eigenaar van de woning aan het adres [adres 2] te [woonplaats 1] . Deze woningen zijn als zogenoemde twee-onder-een- kap-woningen met elkaar verbonden.

2.2.

De woning van [gedaagde sub 1] staat te koop. Hij heeft sedert februari 2016 zijn woning tijdelijk verhuurd aan [gedaagde sub 2 en 3] op grond van de Leegstandswet.

2.3.

Vanaf maart 2016 heeft [eiser] bij [gedaagde sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] regelmatig melding gemaakt van volgens hem door [gedaagde sub 2 en 3] veroorzaakte (geluids)overlast.

2.4.

[eiser] heeft voorts regelmatig bij de wijkagent (destijds) [naam wijkagent 1] (hierna: [naam wijkagent 1] ) althans meer in het algemeen bij de politie geklaagd over de door hem ervaren overlast van [gedaagde sub 2 en 3] .

2.5.

Op 14 mei 2016 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2 en 3] een gesprek gehad over door [eiser] ervaren (geluids)overlast van [gedaagde sub 2 en 3] .

2.6.

Op 8 november 2016 heeft [naam wijkagent 1] aan [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] een bemiddelingsgesprek voorgesteld.

2.7.

Bij brief van 11 november 2016 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde sub 1] verzocht en gesommeerd om [gedaagde sub 2 en 3] te sommeren de overlast te staken en gestaakt te houden.

2.8.

Nadat [eiser] in de nacht van 12 op 13 november 2016 bij de politie melding heeft gemaakt van overlast, is de politie ter plaatse geweest.

2.9.

Bij e-mailbericht van 14 november 2016 heeft [naam wijkagent 1] [eiser] medegedeeld dat [gedaagde sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] het bemiddelingsgesprek willen aangaan zonder aanwezigheid van de advocaat van [eiser] .

2.10.

Op 15 november 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] , waarbij [eiser] [gedaagde sub 1] heeft gevraagd om diezelfde avond tot een structurele oplossing ten aanzien van de door [eiser] ervaren (geluids)overlast van [gedaagde sub 2 en 3] te komen. [gedaagde sub 1] heeft vervolgens om meer tijd gevraagd, waarna [eiser] rechtsmaatregelen heeft aangekondigd.

2.11.

Sinds eind november/begin december 2016 is [naam wijkagent 2] de opvolger van [naam wijkagent 1] als wijkagent.

2.12.

Op 6 januari 2017 zouden partijen alsnog een bemiddelingsgesprek hebben. Dit gesprek is niet doorgegaan. Het gesprek is vervolgens ingepland op 11 of 16 januari 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat -:

  1. [gedaagde sub 1] te veroordelen om met ingang van de datum van dit vonnis tot ontruiming van de door [gedaagde sub 2 en 3] gehuurde woning over te gaan, althans hem te verplichten ervoor zorg te dragen, althans zodanige maatregelen te nemen, dat de door [gedaagde sub 2 en 3] structureel veroorzaakte overlast en onrechtmatig handelen gestaakt worden (gehouden),

  2. [gedaagde sub 2 en 3] te veroordelen om met ingang van de datum van dit vonnis de structurele overlast en de onrechtmatige gedragingen jegens [eiser] te staken en gestaakt te houden,

  3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 (althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat “gedaagden sub 1 en sub 2 met de vorderingen” hierboven onder 1. en 2. in gebreke blijven,

  4. [eiser] te machtigen het vonnis zo nodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen,

  5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, alsmede de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] (samengevat) het volgende aan.

Hij heeft tot maart 2016 geen overlast uit de naburige woning ervaren. Sinds [gedaagde sub 2 en 3] in de woning woont, wordt [eiser] voortdurend en met name ’s nachts geconfronteerd met veel lawaai afkomstig van [gedaagde sub 2 en 3] . Het gaat dan om het schuiven van meubels, scheldpartijen, televisiegeluiden en/of muziek, aanhoudend hondengeblaf en -gehuil, geluid van de rolluiken, luidruchtige mensen, klusgeluiden en gehuil en geschreeuw van de twee kinderen (drie en vijf jaar) van [gedaagde sub 2 en 3] . Als gevolg hiervan kan het gezin van [eiser] (met twee minderjarige kinderen van zeven en tien jaar) ’s nachts niet doorslapen. [eiser] wordt, als hij [gedaagde sub 2 en 3] op de overlast aanspreekt, agressief door [gedaagde sub 2 en 3] bejegend en hij is zelfs door [gedaagde sub 2 en 3] in het gezicht gespuugd. Ondanks de vele meldingen van de overlast en het geplande bemiddelingsgesprek blijft [gedaagde sub 2 en 3] voornoemde overlast veroorzaken. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2 en 3] onrechtmatig handelt jegens hem aangezien door de overlast zijn woongenot wordt verstoord en er stelselmatig inbreuk gemaakt wordt op zijn recht op een persoonlijke levenssfeer. [gedaagde sub 2 en 3] heeft namelijk het oogmerk [eiser] lastig te vallen en vrees aan te jagen. Ook [gedaagde sub 1] handelt onrechtmatig jegens [eiser] doordat hij onvoldoende optreedt tegen [gedaagde sub 2 en 3] om ervoor te zorgen dat de overlast wordt gestaakt (gehouden). Daarnaast, zo stelt [eiser] , handelt [gedaagde sub 1] in strijd met art. 5:37 BW omdat ingevolge deze bepaling een eigenaar van een erf geen hinder mag toebrengen door (onder meer) het verspreiden van rumoer.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting is door [eiser] desgevraagd medegedeeld dat in onderdeel 3 van de hiervoor weergegeven samenvatting van de vordering een kennelijke schrijffout is gemaakt. In plaats van “gedaagden sub 1 en sub 2” dient gelezen te worden “gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3”. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en 3] is hiertegen desgevraagd geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter zal derhalve van de door [eiser] gestelde correctie uitgaan.

4.2.

De aard, omvang en duur van de door [eiser] gestelde overlast en inbreuk op zijn woongenot zijn zodanig, dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [eiser] bij de gevorderde voorzieningen vast staat. Voor zover door [gedaagde sub 2 en 3] is aangevoerd dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft aangezien hij reeds vanaf maart 2016 overlast ervaart, moet dat verweer worden verworpen. Het enkele gegeven dat [eiser] niet onverwijld na de eerste door hem ervaren overlast in maart 2016 een kort gedingprocedure heeft gestart, maakt niet dat het spoedeisend belang is komen te vervallen. [eiser] beroept zich op structurele overlast en behoefde niet onmiddellijk na de eerste door hem ervaren overlast een kort gedingprocedure te starten. Daar komt nog bij dat [eiser] (onbetwist) in de periode van maart 2016 tot en met december 2016 heeft gepoogd [gedaagde sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] buiten rechte ertoe te bewegen de gestelde overlast te (laten) staken. Volgens [eiser] zijn die pogingen tevergeefs geweest, zodat ook hieruit volgt dat het spoedeisend belang niet door tijdsverloop is komen te vervallen.

4.3.

[gedaagde sub 2 en 3] betoogt dat [eiser] geen voorlopige voorziening vordert, maar “een uitspraak ten principale”. De zaak is daarom volgens [gedaagde sub 2 en 3] niet geschikt om in kort geding te worden beslist. Dit verweer moet worden verworpen. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband dat de vorderingen niet declaratoir van aard zijn. Ook strekken de vorderingen niet tot een definitieve vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen. [eiser] vorderingen hebben hooguit een ordenende functie, met als doel een voorziening te treffen in afwachting van een (eventueel) in een bodemprocedure te nemen beslissing omtrent de onrechtmatigheid van de door [eiser] gestelde overlast.

4.4.

[gedaagde sub 2 en 3] betoogt voorts dat de zaak zich niet leent voor een kort geding omdat [eiser] onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van de gestelde en door [gedaagde sub 2 en 3] betwiste overlast. [gedaagde sub 1] heeft een soortgelijk verweer gevoerd. Dit verweer slaagt wel. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.5.

Voor toewijzing van de gevorderde voorzieningen is (onder meer) vereist dat met een grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden vastgesteld dat [gedaagde sub 2 en 3] zodanige structurele (geluids)overlast veroorzaakt dat hij daardoor onrechtmatig handelt jegens [eiser] . [eiser] heeft de gestelde overlast onderbouwd met door een door hemzelf opgesteld logboek. In dat logboek doet [eiser] verslag van de volgens hem door [gedaagde sub 2 en 3] veroorzaakte (geluids)overlast in de periode van maart 2016 tot en met 3 januari 2017. Ook heeft [eiser] diverse (geanonimiseerde) schriftelijke verklaringen van derden (met name buurtbewoners) overgelegd en een USB-stick met een geluidsopname en vier filmopnames (waarvan twee identiek). Ter zitting is de geluidsopname beluisterd en zijn de filmopnames bekeken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de geluidsopname niet blijkt van de gestelde door [gedaagde sub 2 en 3] veroorzaakte geluidsoverlast. Ook uit de filmopnames (zonder geluid), die kennelijk op oudejaarsavond 2016 zijn gemaakt, blijkt niet van de door [eiser] gestelde overlast. Op de twee identieke filmopnames is te zien dat vuurwerk wordt afgestoken en dat dit vuurwerk in de nabijheid van enkele geparkeerde auto’s tot ontploffing komt. Zelfs indien dit door [gedaagde sub 2 en 3] is gedaan (hetgeen hij ontkent) is dit niet als onrechtmatige overlast jegens [eiser] te betitelen. De overige twee filmopnames laten zien dat er enkele personen voor de woning van [gedaagde sub 2 en 3] en/of [eiser] in (wellicht verhit) gesprek zijn. Ook die beelden kunnen, omdat ze te onduidelijk zijn, niet bijdragen aan het bewijs van de door [eiser] gestelde overlast. Dat geldt evenzeer voor de door [eiser] overgelegde verklaringen van derden. Namens [gedaagde sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] is terecht aangevoerd dat die verklaringen buiten beschouwing gelaten moeten worden, althans dat daar geen waarde aan gehecht kan worden, aangezien deze verklaringen geanonimiseerd zijn waardoor [gedaagde sub 2 en 3] en [gedaagde sub 1] , die de door [eiser] gestelde ernstige overlast bestrijden, te zeer in hun mogelijkheden om verweer te voeren worden belemmerd. Voor het overige heeft [eiser] de gestelde overlast dus enkel onderbouwd met het door hemzelf opgestelde logboek. Verklaringen van met name genoemde derden en/of buurtbewoners die de stellingen van [eiser] kunnen ondersteunen ontbreken dus. Weliswaar heeft [eiser] nog een verklaring overgelegd van de buurvrouw, mevrouw [naam buurvrouw] (productie 14 bij dagvaarding). Deze verklaring, die niet is ondertekend ziet echter uitsluitend op hetgeen op oudejaarsavond 2016 is voorgevallen. Ook een verklaring en/of een mutatierapport van de politie/wijkagent [naam wijkagent 1] en/of [naam wijkagent 2] ter verdere onderbouwing van de gestelde overlast ontbreken. In wezen is het derhalve het woord van [eiser] tegen dat van [gedaagde sub 2 en 3] . Er is thans geen grond om meer gewicht toe te kennen aan de stelling van [eiser] dan aan de betwisting van [gedaagde sub 2 en 3] . Hieruit volgt dat in deze procedure onvoldoende zekerheid bestaat dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat [gedaagde sub 2 en 3] structurele onrechtmatige overlast jegens [eiser] veroorzaakt. [eiser] heeft nog aangevoerd dat, ondanks zijn verzoeken daartoe, door [naam wijkagent 2] geen mutatierapport aan hem verstrekt is en dat de verklaringen zijn geanonimiseerd uit angst voor represailles van [gedaagde sub 2 en 3] , maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van deze overwegingen zal de vordering onder 2. afgewezen worden.

4.6.

Ten aanzien van de vordering onder 1. heeft [gedaagde sub 1] het principiële verweer gevoerd dat dit reeds niet toewijsbaar is omdat hij niet (ook) de verhuurder is van de woning van [eiser] . Dit verweer moet worden verworpen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.2.1 van het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 maart 2012 (WR 2012/72). Het gerechtshof heeft daarin (kort gezegd) overwogen dat een verhuurder ook jegens een derde (niet-huurder) onder omstandigheden onrechtmatig handelt indien de verhuurder nalaat adequate maatregelen te nemen tegen de door zijn huurder veroorzaakte onrechtmatige overlast jegens deze derde. De voorzieningenrechter onderschrijft deze overwegingen. Wat hier verder ook van zij, de vordering jegens [gedaagde sub 1] is desondanks niet toewijsbaar omdat thans onvoldoende zekerheid bestaat dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [gedaagde sub 2 en 3] onrechtmatige overlast jegens [eiser] heeft veroorzaakt.

4.7.

Uit de afwijzing van de vorderingen onder 1. en 2. volgt, dat ook de overige vorderingen van [eiser] afgewezen zullen worden.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.103,00

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2 en 3] worden op hetzelfde bedrag begroot.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van
[gedaagde sub 1] begroot op € 1.103,00 en aan de zijde van [gedaagde sub 2 en 3] eveneens begroot op € 1.103,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.1

1 type: RW