Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5608

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
5936610 AZ VERZ 17-57
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vernietiging opzegging na ontslag met tostemming UWV afgewezen. Verzoekschriftprocedure is géén beroep tegen beslissing UWV maar een civielrechtelijke procedure waarin de verzoekster de rechtsfeiten die aan haar verzoek ten grondslag liggen duidelijk dient te stellen en bij betwisting (aanbieden te) bewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3141
AR-Updates.nl 2017-0770
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 5936610 AZ VERZ 17-57

Beschikking van zitting van 13 juni 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. A.C.S. Gregoire

tegen

de besloten vennootschap Berdenmeubelen b.v.,

gevestigd te Blerick, gemeente Venlo,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.A.F. Overdijk.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en BerdenMeubelen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 26 april 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift van 25 april 2017

  • -

    het op 29 mei 2017 ontvangen verweerschrift

  • -

    de nadere producties van de zijde van BerdenMeubelen

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 6 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is vanaf januari 2008 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst bij BerdenMeubelen, laatstelijk als bedrijfsleidster van de vestiging in Heerlen, tegen een bruto salaris van 2.645,89 per maand exclusief emolumenten en vakantiebijslag bij een dienstverband van 37 uur per week.

2.2.

Op 11 november 2016 heeft BerdenMeubelen het UWV toestemming ex art. 7:671a lid 1 BW verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen vanwege bedrijfseconomische redenen, in het bijzonder teruglopende resultaten van - met name - de vestiging in Heerlen en een daardoor noodzakelijke reorganisatie, met het verval van de functie van bedrijfsleidster als gevolg.

2.3.

Op 14 november 2016 heeft BerdenMeubelen tijdens een gesprek met [verzoekster] aan haar medegedeeld dat zij zal worden ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen.

2.4.

Bij beslissing van 5 januari 2017 heeft het UWV de verzochte toestemming verleend, waarna BerdenMeubelen met inachtneming van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen 1 maart 2017.

2.5.

Op 24 april 2017 heeft BerdenMeubelen de transitievergoeding ex art. 7:673 BW

(€ 8.572,68 bruto) aan [verzoekster] betaald.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt vernietiging van de opzegging, herstel van de dienstbetrekking en de veroordeling van BerdenMeubelen tot doorbetaling van het loon inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente. Subsidiair verzoekt zij veroordeling van BerdenMeubelen tot betaling van de transitievergoeding. Ter zitting heeft [verzoekster] (nader) gesteld dat haar primaire verzoek is gebaseerd op art. 7:682 lid 1 onder a. juncto art. 7: 669 lid 1 en lid 3, onderdeel a. BW. De aan het toestemmingsverzoek en de ontslagvergunning ten grondslag gelegde (bedrijfseconomische) noodzaak van het laten vervallen van haar functie bestaat in werkelijkheid niet althans BerdenMeubelen heeft zich onvoldoende ingespannen om haar te herplaatsen in een andere functie, aldus [verzoekster] .

3.2.

Ter zitting heeft [verzoekster] het verweer van BerdenMeubelen tegen het subsidiaire verzoek, dat de transitievergoeding reeds is betaald, als juist erkend (de ontvangst daarvan en de indiening van het verzoekschrift hebben elkaar gekruist).

3.3.

BerdenMeubelen heeft ook tegen het primaire verzoek verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek is op grond van art. 7:686a lid 4, onderdeel a sub 2 BW, tijdig ingediend, namelijk binnen twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

4.2.

Anders dan [verzoekster] lijkt te veronderstellen, is deze procedure geen (bestuursrechtelijke) beroepsprocedure waarin het besluit van het UWV ter vernietiging voorligt, maar een civielrechtelijke procedure waarin de verzoekster de rechtsfeiten die aan haar verzoek ten grondslag liggen duidelijk dient te stellen en bij betwisting (aanbieden te) bewijzen. Waar [verzoekster] ermee heeft volstaan te verwijzen naar argumenten die in de procedure voor het UWV zijn aangevoerd, komt de kantonrechter aan (her)beoordeling van die argumenten niet toe.

4.2.1.

Onbegrijpelijk althans onjuist is het standpunt van [verzoekster] dat de door BerdenMeubelen gekozen ontslagroute via het UWV voor haar niet open stond of dat het UWV haar niet in haar verzoek had mogen ontvangen, omdat er van een opzegging om bedrijfseconomische redenen geen sprake was. Dat is nu juist de vraag die het UWV gehouden is te beantwoorden, en dat heeft zij in positieve zin gedaan. Onjuist is ook dat het UWV niet kon volstaan met één schriftelijke ronde en partijen de gelegenheid had moeten geven voor repliek en dupliek, nog daargelaten dat [verzoekster] niet duidelijk heeft gemaakt wat zij bij dupliek had willen aanvoeren en waarom dit tot een andere beslissing had moeten leiden.

4.3.

Ter onderbouwing van haar stellingen voert [verzoekster] aan dat “de overgelegde cijfers” (waarmee zij doelt op de bedrijfseconomische onderbouwing die door BerdenMeubelen aan het UWV werd verstrekt in het kader van het verzoek om toestemming voor de opzegging, welke thans als productie G in deze procedure is ingebracht) onvolledig zijn, soms het hele concern betreffen en soms slechts een deel daarvan, geen inzicht geven in de echte personeelsbezetting en geplande aanpassingen daarin en de noodzaak van het ontslag niet aantonen noch dat herplaatsing onmogelijk is. BerdenMeubelen voert aan dat er wel degelijk sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor het ontslag. Zij stelt voorop dat de vestiging in Heerlen waar [verzoekster] werkte een zelfstandige bedrijfsvestiging is zodat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 7:669 lid 3 onder a achter de komma BW (het over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen) alleen naar die vestiging gekeken hoeft te worden en niet naar het gehele concern (dat naast een meubel-tak ook een mode-tak omvat en meerdere vestigingen heeft). BerdenMeubelen heeft vanaf 2013 te maken met aanhoudende verliezen waardoor bezuinigingen noodzakelijk zijn. Rond de jaarwisseling 2016/2017 is de vestiging in Heerlen teruggegaan van drie naar twee etages waardoor minder personele bezetting nodig is. Deels is de teruggang in personeel gerealiseerd door het niet verlengen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Met de teruggang van het aantal verkoopmedewerkers werd ook de functie van bedrijfsleider in de Heerlense vestiging overbodig. Die functie was in Heerlen uniek. De verkoopmedewerkers worden thans aangestuurd door de regiomanagers, aldus nog steeds BerdenMeubelen.

4.3.1

Met betrekking tot het afspiegelingsbeginsel heeft bovendien te gelden dat, zelfs indien voor wat betreft de functie van bedrijfsleider gekeken wordt naar het hele concern, [verzoekster] de persoon was die voor ontslag in aanmerking zou komen nu de andere twee bedrijfsleiders (die op andere vestigingen werken) allebei een hogere anciënniteit hebben, zo heeft BerdenMeubelen ter zitting nog aangevoerd. BerdenMeubelen heeft intern onderzocht of zij [verzoekster] binnen haar concern kon herplaatsen, doch dit bleek niet mogelijk.

4.4.

Bezien in het licht van dit verweer had het op de weg van [verzoekster] gelegen om veel concreter en specifieker dan zij heeft gedaan, aan te voeren wat er aan de onderbouwing van BerdenMeubelen schort. In het hiervoor onder 4.2 beschreven kader van deze procedure kon zij er niet mee volstaan de reeds door het UWV beoordeelde stukken nogmaals over te leggen, feitelijk niet meer stellende dan dat het UWV hieruit onjuiste conclusies heeft getrokken en dat de kantonrechter er nog eens goed naar moet kijken en tot een ander oordeel moet komen. Het gaat, bijvoorbeeld, niet aan om te volstaan met een verwijzing naar “de stukken uit de UWV-procedure” met de mededeling dat het UWV de door de werkgever ingebrachte cijfers ten onrechte als compleet, vaststaand en juist heeft beschouwd, zonder daarbij concreet aan te geven welke gegevens dan zouden ontbreken of niet zouden kloppen, en tot welke bevindingen een juiste interpretatie van completere gegevens had moeten leiden.

4.4.1

Het ter zitting gevoerde verweer (zie 4.3.1) aangaande het afspiegelingsbeginsel en de hogere anciënniteit van de andere in het concern werkzame bedrijfsleiders is door [verzoekster] niet weersproken, zodat van de juistheid van dat verweer dient te worden uitgegaan. [verzoekster] heeft ook niet gemotiveerd betwist - bijvoorbeeld door te verwijzen naar concrete vacatures - de stelling van BerdenMeubelen dat er eenvoudigweg geen functies vacant waren waarvoor zij, gelet op haar kennis en ervaring, in aanmerking kwam. Ook op de grondslag (als [verzoekster] dit al heeft bedoeld) dat niet de juiste ontslagvolgorde zou zijn gehanteerd of dat BerdenMeubelen [verzoekster] niet in aanmerking heeft gebracht voor een andere passende functie terwijl die er wel was, kan het primaire verzoek dus niet worden toegewezen.

4.5.

Ter zitting is gebleken dat de transitievergoeding, van de omvang als door [verzoekster] berekend in het verzoekschrift, inmiddels is voldaan. Het subsidiaire verzoek kan dus niet meer worden toegewezen. Nu de voldoening pas heeft plaatsgevonden nadat [verzoekster] er via haar gemachtigde aanspraak op had gemaakt en daags voordat het verzoekschrift werd ingediend, zijn - beoordeeld naar dat moment - beide partijen te beschouwen als op enkele punten in het ongelijk gesteld. Daarom zal de kantonrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

RK