Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5512

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
04 5711837/CV 17-1365
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaat heeft niet voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 24 van de Gedragsregels voor Advocaten. Gedaagde verbindt hieraan echter geen rechtsgevolgen en moet facturen advocaat voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5711837 \ CV EXPL 17-1365

Vonnis van de kantonrechter van 14 juni 2017

in de zaak van:

de maatschap [naam maatchap] ADVOCATEN,

gevestigd te [vestigingsplaats eidende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.A. Stoks,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend op een bij de deurwaarder bekend adres

in de gemeente [gemeente] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen worden hierna [naam maatchap] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam maatchap] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde partij] juridische werkzaamheden verricht. Deze opdracht is vastgelegd in de ‘overeenkomst inzake juridische dienstverlening’ gedateerd 3 juni 2013 en ondertekend door zowel mr. [A] namens [naam maatchap] als door [gedaagde partij] . In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Inhoud opdracht:

Advisering ter zake opzegging door verhuurder van de bedrijfs-/woonruimte.

Kosten:

-honorarium per uur (excl. BTW): € 220,--

(…)

“Overige condities:

(…)

Ondergetekende verklaart tevens uitdrukkelijk af te zien van een beroep op door de overheid gesubsidieerde rechtshulp op basis van de Wet Rechtsbijstand.”

Mr. [A] , een in huurrecht gespecialiseerde advocaat van [naam maatchap] , is de overeengekomen werkzaamheden gaan verrichten.

2.2.

[naam maatchap] heeft op 12 juli 2013, 9 september 2013 en 13 november 2013 facturen verzonden voor de door [A] verrichte werkzaamheden, die alle drie door [gedaagde partij] zijn betaald. De factuur van 23 januari 2014 ten bedrage van € 1.708,13 heeft [gedaagde partij] niet voldaan. Ook de factuur van 9 mei 2014 ten bedrage van € 1.512,50 heeft [gedaagde partij] onbetaald gelaten.

2.3.

[gedaagde partij] heeft op enig moment aan [A] verzocht om de zaak over te dragen aan zijn nieuwe advocaat, mr. [B] van [X] Advocaten te Weert, die vanaf 14 juli 2014 de belangen van [gedaagde partij] heeft behartigd. Mr. [B] heeft voor [gedaagde partij] een toevoeging aangevraagd. De eigen bijdrage van [gedaagde partij] bedroeg € 143,00.

2.4.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft [gedaagde partij] bij de deken van de Orde van Advocaten van het arrondissement Limburg een klacht ingediend tegen [A] .

[A] werd verweten dat:

  1. hij heeft verzuimd [gedaagde partij] gezien zijn lage inkomen op de mogelijkheden van gefinancierde rechtshulp te wijzen;

  2. hij zijn toezegging dat de werkzaamheden door een medewerker met een lager uurtarief zouden worden verricht niet is nagekomen;

  3. hij zijn uurtarief heeft verhoogd terwijl [A] had toegezegd de kosten te zullen matigen.

2.5.

Partijen zijn eerst in de gelegenheid gesteld de interne klachtenprocedure van [naam maatchap] te doorlopen. De plaatsvervangend klachtenfunctionaris van [naam maatchap] heeft geconcludeerd dat de klacht van [gedaagde partij] ongegrond is.

2.6.

Op 17 juni 2016 heeft de deken zijn standpunt kenbaar gemaakt. Klachtonderdeel 1 is door de deken gegrond verklaard. Klachtonderdeel 2 en 3 heeft hij ongegrond verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[naam maatchap] vordert - samengevat - [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van € 3.697,69, vermeerderd met rente en kosten als in de dagvaarding vermeld.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen houdt onder meer verdeeld het antwoord op de vraag of [A] [gedaagde partij] juist heeft voorgelicht over de mogelijkheid tot gefinancierde rechtsbijstand.

4.2.

In artikel 24 van de Gedragsregels voor Advocaten is, voor zover van belang,

het volgende bepaald:

1. Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen.

2. (…)

3. Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.”

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat als niet dan wel onvoldoende weersproken vast dat het geschil van [gedaagde partij] met zijn verhuurder betrekking had op de huur van woonruimte. Een dergelijk geschil komt voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking.

Mr. [B] , de opvolgend advocaat van [gedaagde partij] , heeft voor het huurgeschil van [gedaagde partij] dan ook op basis van een toevoeging geprocedeerd. De inkomensgegevens van [gedaagde partij] die bij de toevoegingsaanvraag zijn gevoegd hebben, zo blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde stukken, betrekking op het jaar 2014.

Hieruit volgt dat het zeer waarschijnlijk is dat [gedaagde partij] ook in de periode dat [A] hem bijstond - grofweg van juni 2013 t/m juli 2014 - voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking zou zijn gekomen.

4.4.

Vervolgens doet zich de vraag voor of [A] [gedaagde partij] erop gewezen heeft dat hij voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking zou kunnen komen. [naam maatchap] stelt zich op het standpunt dat [A] [gedaagde partij] heeft meegedeeld dat hijzelf nooit op basis van een toevoeging werkte maar dat het [gedaagde partij] vrij stond om een advocaat in de hand te nemen die dat wel deed. [gedaagde partij] wilde per se dat [A] hem bijstond en heeft dan ook afgezien van gefinancierde rechtshulp, aldus [naam maatchap] .

[gedaagde partij] betwist nadrukkelijk dat hij gewezen is op de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp. Gelet op zijn penibele financiële situatie, had hij zeker voor procederen op basis van een toevoeging gekozen.

4.5.

In de opdrachtbevestiging staat enkel vermeld dat [gedaagde partij] uitdrukkelijk afziet van een beroep op door de overheid gefinancierde rechtshulp. Uit de opdrachtbevestiging blijkt niet of [gedaagde partij] volgens [A] in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp en zo ja, of [gedaagde partij] daarop door [A] is gewezen.

Wat destijds tussen [A] en [gedaagde partij] bij aanvang van de opdracht exact hierover is besproken, kan de kantonrechter op basis van de stellingen van partijen niet vaststellen.

4.6.

Uit artikel 24 lid 1 van de Gedragsregels voor Advocaten volgt dat een advocaat verplicht is om niet alleen bij het begin van de zaak met zijn cliënt te overleggen over gefinancierde rechtshulp maar ook gedurende het verloop van de zaak. Gelet op de omstandigheid dat de zaak in de loop der tijd complexer werd dan vooraf ingeschat, had het op de weg van [A] gelegen om hierover met [gedaagde partij] te overleg te plegen, te meer nu [A] niet heeft weersproken dat hij op de hoogte was van de financiële situatie van [gedaagde partij] . Niet is gebleken dat zo’n overleg heeft plaatsgevonden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [A] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 24 van de Gedragsregels voor Advocaten.

4.7.

In zoverre slaagt het verweer van [gedaagde partij] . Echter, [gedaagde partij] verbindt aan het tekortschieten van [A] c.q. [naam maatchap] geen rechtsgevolgen. [gedaagde partij] had bijvoorbeeld een beroep kunnen doen op vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van dwaling: was het voor hem duidelijk geweest dat hij in aanmerking zou kunnen komen voor gefinancierde rechtshulp, dan had hij geen opdracht aan [A] gegeven.

[gedaagde partij] had er wellicht ook voor kunnen kiezen om de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. Nu [gedaagde partij] dit alles niet heeft gedaan, betekent dit dat hij niet is bevrijd van zijn betalingsverplichtingen jegens [naam maatchap] .

De overige verweren van [gedaagde partij] , te weten het verweer met betrekking tot de verhoging van het uurtarief door [naam maatchap] en het verweer dat [A] zou hebben toegezegd dat een medewerker met een lager uurtarief bepaalde werkzaamheden zou verrichten, zijn gemotiveerd door [naam maatchap] weersproken. Deze verweren van [gedaagde partij] zullen dan ook worden verworpen.

4.8.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat [gedaagde partij] gebonden blijft aan de oorspronkelijke overeenkomst en de daarin afgesproken tarieven.

De daarop gebaseerde facturen dient hij aan [naam maatchap] te voldoen en de door [naam maatchap] gevorderde hoofdsom ten bedrage van € 3.220,63 ligt dan ook voor toewijzing gereed, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

4.9.

[naam maatchap] maakt verder aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim

na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

4.10.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.11.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [naam maatchap] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 82,83

  • -

    griffierecht 470,00

  • -

    salaris gemachtigde 350,00 (2 x tarief € 175,00)

totaal € 902,83

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam maatchap] te betalen een bedrag van € 3.220,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrijken van de onderscheidenlijke betalingstermijnen tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [naam maatchap] gevallen en tot op heden begroot op € 902,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: em

coll: