Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5457

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
5899736 AZ VERZ 17-53
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Werknemersverzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst. Ontbinding toegewezen. Billijke vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3145
AR-Updates.nl 2017-0776
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5899736 AZ VERZ 17-53

Beschikking van de kantonrechter van 12 juni 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. R.A.H.C. Bastiaans,

tegen

de vennootschap onder firma SI!FASHION V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudend aan de Bunderstraat 75A, 6231EJ Meerssen,

verwerende partij,

gemachtigde mr. R.H.J.G. Borger.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Si!Fashion genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 13 april 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift ex artikel 7:681 BW met inbegrip van een verzoek dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671c BW met bijlagen 1 tot en met 10 (inclusief usb-stick met geluidsopnamen)

  • -

    het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 8

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster]

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 30 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is sedert 14 januari 2013 in dienst van Si!Fashion, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en thans (sedert 14 januari 2015) op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een loon van laatstelijk € 1.248,53 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten (bijlagen 1 en 2 verzoekschrift).

2.2.

Eind december 2016 / begin januari 2017 deelt Si!Fashion mee dat er geen opdrachten (meer) zijn, diverse reeds uitgevoerde opdrachten onbetaald zijn gebleven en er geen financiële middelen zijn. [verzoekster] hoeft voorlopig niet meer te komen werken.

2.3.

Medio januari 2017 heeft Si!Fashion aan haar werknemers meegedeeld dat zij niet langer in staat is het loon van de werknemers te betalen.

2.4.

Nadien is er contact tussen partijen maar heeft [verzoekster] geen werkzaamheden (meer) voor Si!Fashion verricht.

2.5.

Si!Fashion is achterstallig met de loonbetaling sedert december 2016.

2.6.

Op 2 februari 2017 vindt er een gesprek tussen partijen plaats en wordt aan [verzoekster] gevraagd of zij heil ziet in een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst (met terugwerkende kracht) op 1 december 2016 eindigt. [verzoekster] heeft dit voorstel in beraad genomen.

2.7.

Op 24 februari 2017 is aan [verzoekster] een (geantidateerde) vaststellingsovereenkomst d.d. 2 januari 2017 voorgelegd met een beëindiging (met wederzijds goedvinden) per 28 februari 2017. Tevens werd [verzoekster] in dit gesprek meegedeeld dat er voor haar een opdracht (Deutsche Bahn) was, en dat deze werkzaamheden uiterlijk 9 maart 2017 - na de beoogde (in de vaststellingsovereenkomst vermelde) beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst - uitgevoerd en afgerond moeten zijn. [verzoekster] deelde daarop mede dat zij deze door Si!Fashion verlangde werkzaamheden niet kan uitvoeren, omdat zij zicht heeft op een nieuwe baan en zij komende week bij deze nieuwe werkgever zou gaan starten. [verzoekster] heeft bedenktijd gevraagd om juridisch advies in te winnen.

2.8.

De ontstane situatie is met de nieuwe werkgever besproken. Gelet op de (juridische) onduidelijkheden heeft de nieuwe werkgever [verzoekster] een arbeidsovereenkomst per 1 maart 2017 aangeboden met een arbeidsomvang van 24 uur, zodat het mogelijk was dat [verzoekster] voor haar oude werkgever eventueel nog werkzaamheden kon verrichten.

2.9.

Bij brief van 1 maart 2017 deelt Si!Fashion aan [verzoekster] mee (bijlage 4 verzoekschrift):

“(…) Uiteindelijk heeft dit geleid tot een situatie waarin wij niet meer aan onze financiële verplichtingen konden voldoen, zowel jegens onze klanten als ook jegens ons eigen personeel. Desalniettemin zijn we op dit moment nog steeds druk doende om toch geld te kunnen genereren om zoveel mogelijk aan betalingsverplichtingen te kunnen voldoen. Wij doen er alles aan om zeker aan ons eigen personeel, waar u voor een belangrijk deel toebehoort, onze salarisverplichtingen te kunnen voldoen.

In dit kader is het van zeer groot belang om patronen te kunnen plotten alsmede samples zo lang als mogelijk te kunnen blijven maken. Deze werkzaamheden genereren namelijk op korte termijn het meeste geld. Met dit gegenereerde geld zouden wij vervolgens aan alle salarisverplichtingen jegens ons gehele personeel kunnen voldoen.

U begrijpt dat u voor deze werkzaamheden onmisbaar bent. Vandaar dat wij een beroep op u hebben gedaan tijdens ons gesprek op 24-02-2017 om op 28-02-2017 de werkzaamheden te komen hervatten. Al uw gemaakte uren uit december 2016 zouden dan sowieso met dit gegenereerde geld aan u worden uitbetaald. Aangezien u in januari 2017 niet heeft gewerkt, kunnen die uren die u in januari 2017 gewerkt zou hebben (91 uren) in de maand februari 2017 worden uitbetaald, welke feitelijk uw uitwerkmaand is, waarin u dus niet meer hoeft te werken. Uiteraard wordt uw vakantiegeld ook uitbetaald. Aangezien u niet op ons voorstel bent ingegaan moeten wij helaas concluderen dat u bewust een keuze heeft gemaakt dat u het werk weigert. Van onze kant uit vinden wij het een zeer redelijk voorstel gezien de huidige omstandigheden.

Tot slot moeten we u er van op de hoogte brengen dat aangezien uw arbeidsovereenkomst met ons vooralsnog niet is ontbonden – de u aangeleverde vaststellingsovereenkomst heeft u immers niet ondertekend – u nog steeds een arbeidsverhouding met ons heeft, te meer nu wij ook daadwerkelijk concreet aangeboden hebben voor ons werkzaamheden te komen uitvoeren. Het werk dat wij u aangeboden hebben is een redelijke werkopdracht en deze komt overeen met de werkzaamheden welke u altijd voor ons heeft verricht. Nu u het door ons aangeboden werk weigert uit te voeren, is er sprake van werkweigering. (…)Daarom zijn wij van mening dat u werk geweigerd heeft met als gevolg ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst per direct met u ontbonden is. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt vernietiging van de opzegging c.q. het ontslag op staande voet en de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW. Daarnaast verzoekt zij Si!Fashion te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een billijke vergoeding van € 20.000,00,

  • -

    het achterstallig loon met nevenvorderingen (wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente), en het verstrekken van loonstroken en eindafrekening op straffe van een dwangsom,

  • -

    een bedrag van € 3.000,00 aan schadevergoeding ter zake de computer met software, vermeerderd met de wettelijke rente,

  • -

    de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Si!Fashion heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend: het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Si!Fashion is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.2.

Het geschil van partijen betreft de vraag of de door Si!Fashion aan [verzoekster] gedane opzegging vernietigd moet worden.

4.3.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Artikel 7:678 lid 1 BW beschouwt als dringende redenen voor een werkgever de daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van deze werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij het antwoord op de vraag of er een dringende reden van voldoende gewicht aanwezig is, moeten de omstandigheden van het geval - waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van onverwijlde opzegging - in onderling verband en samenhang in aanmerking genomen worden. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan afweging daarvan tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.4.

Voor de beoordeling van de vraag of het door Si!Fashion aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [verzoekster] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 1 maart 2017 maatgevend, want het gerezen geschil is afgebakend door het daarin als dringende reden genoemde verwijt. Zoals uit deze brief volgt, is [verzoekster] op staande voet ontslagen wegens werkweigering.

4.5.

Vast staat dat [verzoekster] vanaf december 2016 geen loon meer heeft ontvangen, omdat Si!Fashion in financiële problemen verkeert en [verzoekster] al weken geen werkzaamheden voor S!Fasion heeft verricht wegens het ontbreken van opdrachten (r.o. 2.2.- 2.5.). Het achterstallig loon is meermaals ter sprake gebracht en [verzoekster] heeft Si!Fashion ook herhaaldelijk gesommeerd tot betaling daarvan. Si!Fashion heeft daarop keer op keer laten weten dat zij in financiële problemen verkeert en aldus geen sprake is van betalingsonwil maar betalingsonmacht. Si!Fashion heeft tweemaal met [verzoekster] over een vaststellingsovereenkomst gesproken. Tegen die achtergrond dient de handelwijze van [verzoekster] bekeken te worden. Het is dan niet onbegrijpelijk dat [verzoekster] zich op de arbeidsmarkt oriënteert en op zoek gaat naar een andere baan.

4.6.

Waar Si!Fashion tracht de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst per 28 februari 2017 te beëindigen en [verzoekster] zich daaromtrent beraadt en juridisch advies inwint, geeft Si!Fashion [verzoekster] tegelijkertijd opdracht om na deze beoogde beëindigingsdatum weer te komen werken. Op welke basis die werkzaamheden dan verricht dienen te worden is onduidelijk. Dat een betalingsgarantie zou zijn afgegeven door Si!Fashion is (uit het heimelijk opgenomen telefoongesprek van 28 februari 2017) niet gebleken. Voorts is het wijzen op de omstandigheid dat een opdracht niet kan worden uitgevoerd iets anders dan het weigeren van een opdracht. Verder had het op de weg van Si!Fashion gelegen om, alvorens [verzoekster] op staande voet te ontslaan, haar eerst op een voldoende duidelijke wijze te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering. Van een zodanige, voldoende duidelijke, waarschuwing is niet gebleken.

4.7.

Onder deze hiervoor genoemde omstandigheden kan de opdracht om de werkzaamheden op of na 28 februari 2017 te hervatten niet worden beschouwd als een redelijke opdracht waarvan de weigering aanleiding kon geven tot een ontslag op staande voet. Meer algemeen verbintenisrechtelijk bezien, leverde de maandenlange tekortkoming van Si!Fashion in de nakoming van haar verplichting het loon te betalen, voor [verzoekster] grond op om haar verplichting om arbeid te verrichten op te schorten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het niet verschijnen op het werk op / na 28 februari 2017 onder de gegeven feiten en omstandigheden geen dringende reden oplevert voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst op voet van artikel 7:677 lid 1 BW. Dit betekent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

4.8.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Si!Fashion kan vernietigen, indien Si!Fashion heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag (op staande voet) niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

4.9.

Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst onverkort blijven voortduren. Si!Fashion is daarom gehouden tot betaling van het overeengekomen loon. Partijen zijn het er over eens dat Si!Fashion het loon van [verzoekster] vanaf 1 december 2016 onbetaald heeft gelaten, zodat de hierop gerichte vordering (achterstallig loon over de maanden december 2016, januari 2017 en februari 2017) zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging over het achterstallig loon zal worden toegewezen, met dien verstande dat de verhoging zal worden gematigd tot 15%. De kantonrechter vindt hiertoe grond in de slechte financiële situatie van Si!Fashion. De wettelijke rente, die verschuldigd wordt door het enkele betalingsverzuim, ligt eveneens voor toewijzing gereed. De verzochte veroordeling tot verstrekking van deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties zal ook worden toegewezen. De kantonrechter gaat er vanuit dat Si!Fashion als fatsoenlijke werkgever na betaling van het loon ook steeds een loonspecificatie zal verstrekken, zodat de verzochte dwangsom wordt afgewezen.

4.10.

Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

4.11.

De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden toegewezen. Bij dat oordeel heeft meegewogen het feit dat het hier om een werknemersverzoek gaat waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van arbeidskeuze een verzoek door de werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2017 ontbinden. De verzochte veroordeling tot verstrekking van de eindafrekening zal eveneens worden toegewezen. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor in r.o. 4.9. is overwogen, zal de verzochte dwangsom worden afgewezen.

4.12.

Ingevolge artikel 7:671c lid 2 sub b kan de kantonrechter, indien hij het verzoek tot

ontbinding van de arbeidsovereenkomst inwilligt, aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.13.

Op grond van de wetsgeschiedenis is een opzegging die, zoals in dit geval, niet rechtsgeldig wordt geacht, als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding zal worden toegewezen.

4.14.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2104, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kunnen niet tot uitdrukking komen de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat die al zijn verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van werkgever.

4.15.

Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 2.500,00. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat er geen dringende reden voor het ontslag van [verzoekster] bestond. Een ontslag op staande voet heeft een diffamerend karakter. Hier tegenover staat de - met stukken (jaarrekening) onderbouwde - slechte financiële positie waarin Si!Fashion verkeert.

4.16.

Vast staat dat [verzoekster] de aan haar in eigendom toebehorende computer met software niet geretourneerd heeft gekregen. Si!Fashion was gedurende de periode van (door [verzoekster] niet gewenste) non-activiteit van [verzoekster] de bewaarder van haar zaken, waaronder de (eigen) computer die zij voor en op haar werk gebruikte. In die hoedanigheid had Si!Fashion er voor dienen zorg te dragen dat de juiste computer en software uiteindelijk weer bij [verzoekster] zouden worden afgeleverd. Si!Fashion heeft dit nagelaten. De omstandigheid dat [verzoekster] in de haast de verkeerde computer heeft meegenomen en Si!Fashion haar computer heeft weggegooid, komt voor rekening en risico van Si!Fashion als werkgever en bewaarnemer. Het voorgaande en het gegeven dat Si!Fashion de hoogte van de verzochte schadevergoeding niet heeft betwist, brengt met zich dat het gevorderde bedrag van € 3.000,00 wordt toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente ligt ook voor toewijzing gereed.

4.17.

De gevraagde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal als niet of onvoldoende onderbouwd afgewezen worden.

4.18.

Nu aan de ontbinding niet de billijke vergoeding wordt verbonden van de hoogte waar [verzoekster] om heeft verzocht, zal [verzoekster] op de voet van artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

4.19.

Si!Fashion zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x € 200,00)

Totaal € 478,00

4.20.

De wettelijke rente over de proceskosten zal op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

4.21.

Indien [verzoekster] het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van Si!Fashion moeten betalen. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 400,00 (2 punten x € 200,00) aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoekster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 27 juni 2017,

Voor het geval [verzoekster] haar verzoek niet binnen die termijn intrekt:

5.2.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 juli 2017,

5.3.

veroordeelt Si!Fashion tot betaling aan [verzoekster] van het netto-equivalent van

€ 3.745,59 bruto aan achterstallig loon over de maanden december 2016, januari 2017 en februari 2017, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te stellen op 15%, en de optelsom eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2017 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt Si!Fashion om aan [verzoekster] de loonspecificaties van de hiervoor onder 4.22. bedoelde betalingen (gelijktijdig met de betaling) te verstrekken, alsmede de eindafrekening,

5.5.

veroordeelt Si!Fashion om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van

€ 2.500,00 bruto,

5.6.

veroordeelt Si!Fashion tot betaling aan [verzoekster] van een schadevergoeding van

€ 3.000,00 ter zake de computer met software, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 april 2017 tot de dag van algehele betaling.

5.7.

veroordeelt Si!Fashion tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden bepaald op € 400,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening,

5.8.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de billijke vergoeding en proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders verzochte af,

Voor het geval [verzoekster] haar verzoek binnen die termijn intrekt:

5.10.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Si!Fashion tot op heden bepaald op € 400,00 aan salaris gemachtigde,

5.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

CJ