Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5425

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
09-06-2017
Zaaknummer
ROE 17/1169
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eisers hebben een zienswijze ingediend tegen het ontwerp Luchthavenbesluit Maastricht. Omdat zij deze zienswijze graag nader willen onderbouwen met informatie uit de concessieovereenkomst terzake het vliegveld, hebben zij een Wob-verzoek ingediend bij het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Verweerder heeft de gevraagde overeenkomst niet verschaft. Eisers hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt en hangende dit bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is tweeledig. In de eerste plaats vragen eisers een verbod op het gebruik van de verlengde startbaan van de luchthaven Maastricht Aachen Airport. In de tweede plaats vragen zij het college te gelasten de gevraagde informatie alsnog te verstrekken.

De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen. Het eerste verzoek is afgewezen omdat een dergelijk verbod verder strekt dan hetgeen in een Wob-verzoek kan worden toegewezen. Het tweede verzoek is afgewezen omdat toewijzing zeer verstrekkende, onomkeerbare gevolgen zou hebben, terwijl het belang van eisers niet dusdanig spoedeisend is dat de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1169

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

de Alliantie Tegen Uitbreiding MAA, bestaande uit:

1. Stichting Donatiefonds Boze Moeders

2. Milieudefensie Meerssen

3. Stichting Geen uitbreiding Vliegveld Beek

4. Actiegroep Geverik

5. Stichting Kloar Loch Maastricht

6. Stichting Milieufront Eijsden

7. De Artsenwerkgroep en

8. verontruste bewonersverzoekers

en

Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft verweerder beslist op het informatieverzoek van

11 december 2016, nader geduid bij brief van 3 januari 2017.

[naam woordvoerder] ( [woordvoerder] ) heeft voor verzoekers tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017.

[woordvoerder] is ter zitting verschenen. Verweerder is zonder voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve aan de orde gesteld of verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek. De voorzieningenrechter heeft daarbij het volgende vastgesteld.

2. Het verzoek om voorlopige voorziening is – net als het bezwaarschrift – ingediend en ondertekend door [woordvoerder] . Zij stelt het verzoek te hebben ingediend namens alle acht hierboven genoemde verzoekers. Uit het dossier blijkt dat [woordvoerder] machtigingen heeft overgelegd van de verzoekers genoemd onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7. Van de verzoekers genoemd onder 4 en 8 (de Actiegroep Geverik en verontruste bewoners) heeft zij geen machtigingen overgelegd.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzoekers genoemd onder 4 en 8 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun verzoek. Zoals gezegd ontbreekt een machtiging waaruit blijkt dat het verzoek (ook) namens hen is ingediend, terwijl bovendien niet duidelijk is wie de verontruste bewoners en (leden van) de Actiegroep zijn. In het dossier wordt immers geen enkel naam van een bewoner en/of lid van de Actiegroep genoemd.

4. Ten aanzien van de verzoekers waarvan wel een machtiging in het dossier is aangetroffen merkt de voorzieningenrechter op dat zich van verzoekers 1 en 2 uittreksels van de Kamer van Koophanden, dan wel Statuten, in het dossier bevinden. Uit deze stukken blijkt dat de betreffende machtigingen bevoegd zijn afgegeven. Deze beide verzoekers kunnen daarom zonder meer in hun verzoek worden ontvangen.

5. Ten aanzien van de overige verzoekers waarvan een machtiging in het dossier is aangetroffen (zijnde de verzoekers genoemd onder 3, 5, 6 en 7) zijn geen stukken aangetroffen op basis waarvan de voorzieningenrechter kan nagaan of de betreffende machtigingen bevoegd zijn afgegeven. De voorzieningenrechter zal in het kader van de onderhavige procedure echter ook deze verzoekers ontvankelijk verklaren. Zij komt tot dit oordeel vanwege het feit dat de rechtbank verzoekers niet in de gelegenheid heeft gesteld het vastgestelde verzuim te herstellen.

6. De voorzieningenrechter heeft ook overigens geen beletsel gezien de verzoekers genoemd onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 in hun verzoek te kunnen ontvangen.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

7. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

7.1.

Bij brief van 11 december 2016 heeft [woordvoerder] voor verzoekers verzocht, zo nodig met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), alle relevante gegevens ter beschikking te stellen met betrekking tot de afspraken met de nieuwe voorziene gebruiker van Maastricht Aachen Airport (MAA) omtrent de gebruiksmogelijkheden van de luchthaven en de betekenis van die afspraken voor het ontwerp Luchthavenbesluit (ontwerp). Zij heeft aangegeven dat verzoekers deze gegevens nodig hebben om een gefundeerde zienswijze tegen het ontwerp te kunnen indienen.

7.2

Bij brief van 31 december 2016 heeft [woordvoerder] het informatieverzoek op verzoek van verweerder gepreciseerd. Zij heeft aangegeven dat verzoekers vragen om stukken waaruit blijkt:

-waarom het vliegveld moest worden verkocht;

-wat de voorwaarden en condities zijn die gesteld zijn door de koper;

-welke toezeggingen daar van de kant van verweerder tegenover staan.

7.3

In het besluit op het informatieverzoek heeft verweerder allereerst aangegeven dat het vliegveld niet verkocht is. Behoudens een toelichting op reeds op de website van verweerder openbaar gemaakte stukken, heeft verweerder het verzoek voor zover het ziet op de concessieovereenkomst tussen MAA Beheer & Infrastructuur en TCGI afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van deze informatie geheimhouding ex artikel 25 van de Provinciewet geldt waardoor de Wob niet van toepassing is op de overeenkomst.

7.4

Bij brief van 1 maart 2017 heeft [woordvoerder] voor verzoekers bezwaar gemaakt. Het bezwaar houdt in dat verweerder de concessieovereenkomst ten onrechte geheim houdt.

7.5

Hangende bezwaar heeft [woordvoerder] voor verzoekers een voorlopige voorziening gevraagd. Zij heeft de voorzieningenrechter in de eerste plaats gevraagd om een bevel tot inzage in de juiste gegevens en in de tweede plaats om opschorting van alle gebruik van de voorgenomen verlenging van de startbaan van MAA totdat onherroepelijk op het beroep is beslist.

Verzoekers menen dat zij onjuist zijn voorgelicht over het geplande baangebruik en dat de juiste informatie daarover uit de concessieovereenkomst blijkt. Zij verwachten dat het Luchthavenbesluit Maastricht binnen afzienbare tijd wordt genomen en achten het van belang tijdig over de juiste informatie te beschikken om zinvol te kunnen besluiten over het al dan niet indienen van beroep.

7.6

Ter zitting heeft [woordvoerder] bevestigd dat met de gevraagde inzage in de juiste gegevens de concessieovereenkomst is bedoeld.

8. Bij brief van 12 mei 2017 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3140) tot het inzicht te zijn gekomen dat de geheimhouding die op de concessieovereenkomst is gelegd niet meer in de weg lijkt te staan aan toepassing van de Wob. Verweerder heeft aangegeven voornemens te zijn het informatieverzoek alsnog aan de Wob te toetsen.

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening eigenlijk uit twee verzoeken bestaat. De voorzieningenrechter ziet aanleiding beide verzoeken afzonderlijk te beoordelen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

10. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als de verzoeker van de voorlopige voorziening tegen een besluit bezwaar heeft gemaakt, het verzoek wordt gedaan bij de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak en onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening, gelet op de betrokken belangen, nodig maakt.

10.1

Vaste rechtspraak is dat deze bepaling ook een inhoudelijk verband vereist tussen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het besluit waarop het betrekking heeft. Dit betekent dat met een voorlopige voorziening niet een situatie kan worden bewerkstelligd waarin het bestreden besluit niet voorziet en gelet op de onderliggende bestuursbevoegdheid ook niet kon voorzien.

10.2

Het besluit waartegen [woordvoerder] voor verzoekers bezwaar heeft gemaakt houdt een afwijzend besluit in van het Wob-verzoek dat zij voor verzoekers bij verweerder heeft ingediend. Dit besluit strekt niet verder dan dat. Wat [woordvoerder] met het tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening vraagt, opschorting van het voorgenomen gebruik van de verlenging van de startbaan van MAA, gaat de strekking van dat besluit te buiten. Wat zij vraagt is niet iets waarin dat besluit voorziet en gelet op de onderliggende bestuursbevoegdheid ook niet kon voorzien. Dat is niet anders voor het nog te nemen besluit op bezwaar. Als dat besluit al niet het meest haalbare zou inhouden, openbaarmaking van de concessieovereenkomst, zou de bestuursrechter in een eventueel daartegen ingesteld beroep maximaal kunnen beslissen dat de concessieovereenkomst door verweerder openbaar moet worden gemaakt. Wat wordt verzocht gaat daarom ook het kader van de hoofdzaak zoals de eventuele beroepszaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter te duiden is te buiten. Omdat, gelet op artikel 8:85 van de Awb, een voorlopige voorziening alleen recht van bestaan zou hebben gehad totdat op dat beroep is beslist, kan de voorzieningenrechter geen andere hoofdzaak als kader voor het verzoek aanwijzen. De voorzieningenrechter heeft dan ook niet de mogelijkheid, hoe zeer zij het belang dat verzoekers daarbij stellen te hebben ook onderkent, de tweede gevraagde voorlopige voorziening in deze procedure te treffen en wijst dat verzoek daarom af.

Eerste verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

11. De voorzieningenrechter overweegt dat de eerste gevraagde voorlopige voorziening een voorlopige voorziening is die zij in het kader van deze procedure zou kunnen treffen. Hetgeen [woordvoerder] vraagt blijft immers binnen de grenzen van wat in de hoofdzaak ook zou kunnen worden bereikt, namelijk dat verweerder de concessieovereenkomst openbaar moet maken.

11.1

De voorzieningenrechter overweegt ook dat deze gevraagde voorlopige voorziening een zeer vergaande voorziening is die een onomkeerbaar karakter niet kan worden ontzegd. Voor een dergelijke vergaande voorziening is naar het oordeel van de voorzieningenrechter eerst plaats indien een (zeer) zwaarwegend spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vergt.

11.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een zo (zeer) zwaarwegend spoedeisend belang in dit geval geen sprake is. Verzoekers kunnen immers ook als zij geen kennis hebben van de inhoud van de concessieovereenkomst beroep instellen tegen het Luchthavenbesluit Maastricht. Dit betekent niet dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de inhoud van de concessieovereenkomst voor dat beroep niet van belang kan zijn.

Dit betekent enkel dat het nadeel dat verzoekers ondervinden door nu niet kennis te kunnen nemen van de inhoud van de concessieovereenkomst geen onevenredige benadeling oplevert in de zin dat zij het besluit dat verweerder blijkens zijn brief van 12 mei 2017 aan het voorbereiden is, niet kunnen afwachten. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

12. Voor een proceskostenvergoeding ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend namens verzoekers 4 en 8;

- wijst het (tweeledig) verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.