Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5273

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3640
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. PGB. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de door de 83-jarige moeder van eiser geboden begeleiding. Gelet op de leeftijd van de moeder had het onderzoek zich mede dienen uit te strekken over haar fysieke en mentale draagkracht. Verweerder had daarbij nader onderzoek moeten verrichten naar de aard van deze begeleiding, nu deze zich uitstrekt over alle uren van de dag en nacht dat eiser thuis is. Verder had het op de weg van verweerder gelegen tevens onderzoek te doen naar de door de zus van eiser verrichte opvang, mede in het licht van de ontlasting van de moeder van eiser die door deze opvang wordt geboden. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 15/3640

Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Dekker).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van dagbesteding toegekend en een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding en kortdurend verblijf met inachtneming van een overgangsperiode niet verlengd.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2517 januari 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam] , WMO-consulent, en een zus van eiser.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser is een thans 51-jarige man die samen met zijn 83-jarige moeder in een eengezinswoning woont. Eiser is bekend met het Sotos-syndroom. Eiser heeft - als gevolg hiervan – verstandelijke en motorische beperkingen. Eiser maakt twee dagen per week gebruik van de dagbesteding van Stichting Radar. Daarnaast werkt eiser drie dagen per week, met behulp van een jobcoach, als hulp van de conciërge bij Parc Imstenrade.

1.2

Eiser ontving op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een persoonsgebonden budget voor (1) individuele begeleiding (door eisers moeder voor 6,9 uur per week), (2) begeleiding groep (via ZIN vanuit Stichting Radar voor 4 dagdelen), alsmede voor (3) kortdurend verblijf (bij eisers zus voor 1 dag per week), met als einddatum 9 mei 2015. Eiser heeft (ter verlenging van genoemde indicaties) zich op 6 maart 2015 gemeld bij verweerder voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.

1.3

Naar aanleiding van eisers melding heeft op 22 april 2015 een huisbezoek en een keukentafelgesprek plaatsgevonden. Tevens heeft op 27 mei 2015 een overleg tussen de WMO-consulent en de GGD-arts, [naam], plaatsgevonden. Het advies van de GGD-arts is dat de taken die moeder en zus uitvoeren, vallen onder gebruikelijke zorg en mantelzorg. Eiser heeft baat bij de voortzetting van dagbesteding bij Stichting Radar. Verweerder heeft op 28 mei 2016 hiervan een onderzoeksverslag opgemaakt.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een indicatie voor begeleiding bij dagbesteding, met regulier vervoer, toegekend voor de periode van 10 mei 2015 tot en met 15 mei 2016. Het betreft hier de voortzetting van de begeleiding in groep (2). Verweerder heeft eisers aanvraag voor individuele begeleiding (1) en kortdurend verblijf (3) via een persoonsgebonden budget (pgb), niet verlengd. Wel heeft eiser ten aanzien hiervan recht op drie maanden overgangsrecht (tot 11 september 2015). Op basis van het door verweerder verrichte onderzoek stelt verweerder zich op het standpunt dat de taken die moeder en zus uitvoeren vallen onder gebruikelijke zorg en mantelzorg. Eiser is vijf hele dagen niet thuis in verband met dagbesteding en/of werk en eiser kent geen gedragsproblematiek waardoor extra begeleiding nodig zou zijn. Verweerder acht de aangevraagde verlenging voor de voorheen bestaande indicaties voor individuele begeleiding door zijn moeder en voor kortdurend verblijf bij zijn zus niet noodzakelijk, gelet op de bevindingen van het onderzoek. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft - ofschoon er niet expliciet om is gevraagd - ook het aspect persoonlijke verzorging meegenomen in het onderzoek. Verweerder gaat er vanuit dat de hulp die eisers moeder aan hem verleent vanzelfsprekend is en daarom als gebruikelijk mag worden aangenomen. Niet gebleken is van een dreigende overbelasting. Om een mogelijke dreigende overbelasting bij de moeder in de toekomst te voorkomen heeft verweerder in bezwaar uit coulance voorgesteld om het kortdurende verblijf bij de zus van eiser te continueren, hoewel daar volgens verweerder geen noodzaak toe bestaat. Dit heeft eiser afgewezen.

Volgens verweerder is de opvang die door de zus van eiser als mantelzorger wordt verricht niet noodzakelijk. De persoon van eiser geeft daarvoor geen aanleiding. Verweerder is van mening dat er geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening welke voorziet in persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en individuele begeleiding.

4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de hulp die hij krijgt van zijn moeder en zus vanzelfsprekend is en daarom als gebruikelijke hulp mag worden beschouwd. Verweerder heeft de mate waarin eiser ondersteuning nodig heeft miskend. Er wordt geen recht gedaan aan de vergaande ondersteuning die hij dagelijks nodig heeft. Zowel in het kader van zijn persoonlijke verzorging, de individuele begeleiding als het kortdurend verblijf is sprake van begeleiding en zorg die qua duur en qua intensiteit de normale gang van zaken overstijgt. De moeder en zus van eiser zijn niet in staat en niet bereid deze ondersteuning volledig in een rol als mantelzorger te verrichten. Indien niemand bereid of in staat is de mantelzorg (volledig) te leveren, dient verweerder een maatwerkvoorziening te verstrekken, ook in het geval van eiser. Volgens eiser dient op basis van artikel 2.3.2, vierde lid, onder d, van de Wmo 2015 een indicatie te worden verstrekt voor kortdurend verblijf met oog op ontlasting van eisers moeder.

4.1

In zijn aanvullende gronden van beroep voert eiser aan dat hij met ingang van

20 april 2016 een indicatie heeft op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser maakt vanaf dat moment geen aanspraak meer op een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. Het geschil beperkt zich dan ook tot de periode van 11 september 2015 tot en met 19 april 2016. Eiser is van mening voldoende procesbelang te hebben bij deze procedure omdat er in de betreffende periode veel ondersteuning is geboden waarvoor volgens eiser ten onrechte geen vergoeding in de vorm van een pgb is verstrekt. Verweerder heeft nimmer deskundig onderzoek laten verrichten naar deze dagelijkse ondersteuningsbehoefte van eiser. De Wlz-indicatie zou aanleiding moeten vormen de bestreden beslissing te vernietigen. Eiser doet verder een beroep op twee rechterlijke uitspraken in het kader van de betekenis van het begrip “mantelzorg” in de Wmo 2015.

4.2

Eiser is verder van mening dat het door verweerder vastgestelde pgb-tarief mogelijk een rol gaat spelen. Eiser acht het bepaalde uurtarief in strijd met artikel 2.3.6 Wmo 2015 nu de tarieven voor het sociaal netwerk niet bij verordening maar in de nadere regels zijn bepaald. Eiser acht een uurtarief van € 20,- alleszins redelijk.

5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het navolgende wettelijk kader van belang.

6. Artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit, door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. Ingevolge artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Verweerder heeft de Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2015 (hierna: verordening) vastgesteld en hierin nader voorwaarden uitgewerkt.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De te beoordelen periode loopt van 11 september 2015 tot en met 19 april 2016.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft onderzocht welke beperkingen eiser in zijn zelfredzaamheid ondervindt (zie onder 2.).

10. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de door de moeder van eiser geboden begeleiding. Uitgaande van de definitie van gebruikelijke hulp (hetgeen naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht) en gelet op de intensiteit (dagelijks) van de geboden begeleiding, de leeftijd van de moeder van eiser en eisers leeftijd alsmede de vraag wanneer de begeleidingsbehoefte de gebruikelijke hulp in hoge mate overstijgt, had dit wel van verweerder mogen verwacht. Gelet op de leeftijd van de moeder had het onderzoek zich mede dienen uit te strekken over haar fysieke en mentale draagkracht. Daarbij had verweerder nader onderzoek moeten verrichten naar de aard van deze begeleiding, nu deze zich uitstrekt over alle uren van de dag en nacht dat eiser thuis is. Verder had het op de weg van verweerder gelegen tevens onderzoek te doen naar de door de zus van eiser verrichte opvang, mede in het licht van de ontlasting van de moeder van eiser die door deze opvang wordt geboden. Daarmee kan het onderzoek dat verweerder toch nog heeft verricht, de conclusie dat de door de moeder geboden begeleiding als gebruikelijke zorg moet worden aangemerkt en dat de opvang door de zus van eiser niet noodzakelijk is, niet dragen.

Verweerder dient aan de hand van objectieve en inzichtelijke criteria te bepalen of een maatwerkvoorziening nodig is en wat de omvang daarvan moet zijn. Indien verweerder, zoals in het geval van eiser, het standpunt inneemt dat bepaalde hulp onder de normale taak van de moeder valt, zal verweerder dit, alsmede de omvang hiervan, moeten motiveren en concretiseren. De rechtbank merkt hierbij op dat op grond van algemeen aanvaarde opvattingen redelijkerwijs van een ouder van 83 jaar, voor een kind van 51 jaar, weinig hulp mag worden verwacht.

11. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder op basis van een onvolledig onderzoek onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hetgeen aan eiser in het kader van de Wmo 2015 is toegekend als een voor hem passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie is aan te merken. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

12. De rechtbank stelt vast dat door de recentere ontwikkelingen in het leven van eiser de te beoordelen periode een inmiddels afgesloten periode in het verleden betreft. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

De rechtbank stelt daartoe in de eerste plaats vast dat eiser inmiddels valt onder het Wlz-stelsel. Dit gegeven en het tijdsverloop sedert het eerdere, door verweerder verrichte onderzoek, maken dat thans geen adequaat onderzoek meer kan worden verricht. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in aanmerking kwam voor een uitgebreidere AWBZ-indicatie en inmiddels voor een Wlz-indicatie. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de beperkingen van eiser kennelijk niet zijn afgenomen en tijdens de te beoordelen periode mogelijk zelfs zijn toegenomen.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat aan eiser, over de periode van 11 september 2015 tot en met 19 april 2016, een maatwerkvoorziening begeleiding individueel, begeleiding groep, alsmede voor kortdurend verblijf wordt toegekend in de vorm van een persoonsgeboden budget, zoals eiser deze ontving op grond van de AWBZ.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het telefonisch horen en/of verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover in bezwaar aangevochten;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak daarvoor in de plaats treedt, hetgeen in dit geval inhoudt dat eiser in aanmerking komt voor voortzetting van zijn indicatie op grond van de AWBZ, voor de periode van 11 september 2015 tot en met 19 april 2016;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

De griffier is buiten staat [-]

te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.