Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5260

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
5800046 \ CV EXPL 17-2332
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CAK vordert betaling van eigen bijdragen op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en de Wet langdurige zorg. Gedaagde legt bij dupliek rekeningafschriften over. CAK wordt bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5800046 \ CV EXPL 17-2332

Vonnis van de kantonrechter van 7 juni 2017

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon CAK,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eisende partij,

gemachtigde Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij is onder meer belast met de inning van de eigen bijdrage op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en de Wet langdurige zorg.

2.2.

Gedaagde partij is op grond van één of meerdere bovengenoemde wetten/besluiten eigen bijdrage(n) verschuldigd.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 62,21 (bestaande uit € 38,80 aan hoofdsom, € 0,58 aan rente tot en met 18 januari 2017, en € 19,20 aan buitengerechtelijke kosten en de daarover verschuldigde btw ad € 4,03), vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisende partij vordert betaling van de factuur 10610311600002 d.d. 7 april 2016 ad € 19,40 en de factuur 10610311600003 d.d. 2 mei 2016 ad € 19,40. Eisende partij stelt de gedane betalingen van twee maal € 19,30 d.d. 19 mei 2016 te hebben afgeboekt op de oudst openstaande bedragen, omdat bij de betalingen van 19 mei 2016 geen betalingskenmerk werd vermeld.

Gedaagde betwist de stellingen van eisende partij en voert aan dat de in het geding zijnde facturen zijn betaald. Het is juist eisende partij die haar administratie niet op orde heeft.

Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen diverse producties in het geding gebracht.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat de betalingen van 19 mei 2016 geen betalingskenmerk vermelden. Indien de schuldenaar bij een betaling niet aanwijst op welke verbintenis/vordering de betaling ziet, dan wordt deze betaling volgens het bepaalde in artikel 6:43 BW toegerekend aan de oudst openstaande vordering. Dit houdt in dat eisende partij in beginsel terecht de betalingen heeft toegerekend aan oudere openstaande schulden. Gedaagde partij betwist echter dat er sprake was van oudere openstaande vorderingen.

4.3.

Eisende partij heeft bij productie 5 bij haar conclusie van repliek een gedetailleerd overzicht overgelegd van de facturen vanaf 5 augustus 2009 en de daarop verrichte betalingen met vermelding van de datum van betaling. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat eisende partij haar vordering in voldoende mate heeft onderbouwd. Het is vervolgens aan gedaagde partij om hiertegen gemotiveerd en onderbouwd verweer te voeren.

4.4.

Gedaagde partij heeft ter onderbouwing van het verweer rekeningafschriften vanaf de periode 9 van 2015 tot en met periode 4 van 2016 overgelegd. De kantonrechter constateert echter dat niet alle rekeningafschriften zijn overgelegd en dat er bladen ontbreken. Verder blijkt dat gedaagde partij niet telkens de door eisende partij gehanteerde betalingskenmerken vermeld, maar slechts een aanduiding geeft van de periode waarop de betaling betrekking heeft. Dat hierdoor onduidelijkheden ontstaan, is een omstandigheid die voor rekening en risico van gedaagde partij komt. De kantonrechter geeft gedaagde partij daarom in overweging om voortaan toch maar de toegezonden acceptgiro’s (tijdig) te gebruiken, zodat de onduidelijkheden achterwege kunnen blijven.

4.5.

Uit het overzicht van eisende partij blijkt dat de achterstand bestaat uit het restant van de factuur van 7 april 2016 en de factuur van 2 mei 2016. Zoals aangegeven heeft eisende partij de betalingen van 9 mei 2016 toegerekend aan de facturen van 8 februari 2016 en van 11 maart 2016. Uit de rekeningafschriften van gedaagde partij blijkt dat op 17 maart 2016 een betaling is verricht van € 19,40, welke niet terugkomt in het overzicht van eisende partij.

4.6.

Nu gedaagde partij de rekeningafschriften eerst bij conclusie van dupliek heeft overgelegd en eisende partij daarop niet heeft kunnen reageren, zal eisende partij daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Gedaagde partij zal daarna de gelegenheid krijgen een antwoordakte in te dienen. Gedaagde partij dient daarbij enkel te reageren op de inhoud van de akte van eisende partij, die wordt toegezonden.

4.7.

In afwachting van het voorgaande wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt eisende partij in de gelegenheid bij akte te reageren op de door gedaagde partij overgelegde rekeningafschriften,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: