Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:5039

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
5859322/AZ/17-68 01062017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitzendovereenkomst. Geen recht op transitievergoeding: geen sprake van opzegging door de werkgever doch het, na einde van rechtsweg, op initiatief van de werknemer niet voortzetten van de uitzendovereenkomst. Geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever dus geen recht op billijk vergoeding (art. 7:673 lid 9 sub a BW). Tegenverzoek van terugbetaling aanzegvergoeding afgewezen omdat werkgever heeft nagelaten werknemer over wel/niet voortzetten schriftelijk te informeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3593
AR-Updates.nl 2017-0888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5859322 \ AZ VERZ 17-68

Beschikking van de kantonrechter van 1 juni 2017

in de zaak van:

[werknemer] ,

wonend [adres werknemer] ,

[woonplaats werknemer] ,

werknemer,

gemachtigde mr. S.J. de Leng-van Vliet (FNV),

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het tegenverzoek

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORDETA PERSONEELSDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Molenhoek,

werkgever,

procederende in persoon,
verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het tegenverzoek

Partijen zullen hierna [werknemer] en Cordeta Personeelsdiensten B.V. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 30 maart 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- het op 1 mei 2017 van [werknemer] ontvangen verzoek tot wijziging van de

tenaamstelling van werkgeefster

- het op 8 mei 2017 ontvangen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek

- de mondelinge behandeling d.d. 11 mei 2017.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 mei 2013 hebben partijen een uitzendovereenkomst fase A gesloten. Daarin verklaren zij onder meer “dat op deze uitzendovereenkomst het fasensysteem van de CAO voor Uitzendkrachten van toepassing is. Werknemer is werkzaam in fase A.”

2.2.

Blijkens de uitzendbevestiging van 24 mei 2013 is (de op [geboortedag werknemer] 1970 geboren) [werknemer] met ingang van 27 mei 2013 als schilder uitgezonden naar Schildersbedrijf [X] . De uitzendbevestiging vermeldt dat de ABU CAO (hierna: de cao) gehanteerd wordt. [werknemer] heeft sindsdien daar onafgebroken gewerkt.

Het laatstverdiende loon bedraagt € 587,25 bruto per week inclusief vakantiegeld.

2.3.

Op 21 december 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen waarin besproken is dat het werk bij Schildersbedrijf [X] zou eindigen.

2.4.

In zijn brief van 9 januari 2017 aan Cordeta EU BV heeft [werknemer] onder meer geschreven:

“(...) Op 21 december 2016 heeft u de arbeidsovereenkomst plotseling mondeling beëindigd. Deze beëindiging van mijn contract heeft plaatsgevonden zonder dat u daartoe toestemming had van de daartoe gemachtigde instantie. Ik bestrijd dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet en dat het ontslag onverwijld is gegeven.

Door middel van deze brief doe ik daarom een beroep op vernietigbaarheid van deze beëindiging. Het gegeven ontslag is hierdoor nietig, wat inhoud dat mijn dienstverband met u is blijven bestaan. (...)”

2.5.

Bij brief van 6 februari 2017 aan Cordeta BV heeft de gemachtigde van [werknemer] bericht:

(...) Op 1 februari 2017 heeft u de arbeidsovereenkomst mondeling met cliënt beëindigd. Deze beëindiging heeft plaats gevonden op basis van uw gegevens dat de overeenkomst per 3 februari 2017 van rechtswege zal eindigen. Verder heeft u aangegeven dat per 6 februari de WW-uitkering van cliënt zal worden toegekend. (...)” .

In deze brief wordt Cordeta BV er verder op gewezen op haar handelen in strijd is met de aanzegplicht en wordt in dat verband aanspraak gemaakt op een aanzegvergoeding van
€ 2.653,30 bruto. Ook wordt aanspraak gemaakt op de transitievergoeding van € 3.069,00.

2.6.

Over de maand januari 2017 heeft Cordeta Personeelsdiensten BV aan [werknemer] het volledige loon betaald. Tevens heeft Cordeta Personeelsdiensten BV aan [werknemer] een bedrag van € 2.653,30 bruto als aanzegvergoeding betaald.

2.7.

Met ingang van 6 februari 2017 ontving [werknemer] een WW-uitkering en per 13 februari 2017 is hij in dienst getreden van een andere werkgever.

2.8.

Bij brief van 14 februari 2017 heeft [A] sr namens Cordeta EU bv aan de toenmalige gemachtigde van [werknemer] bericht:

(...) Cordeta EU bv heeft in december in goed overleg aangegeven dat het werk stopt. Geen probleem omdat Cordeta EU bv straks gewoon weer werk voor hem heeft. Dit was hem bekend en daarom is hij gewoon WW gaan aanvragen. Cordeta EU bv heeft hem de maand januari gewoon doorbetaald. (...)

Het gesprek wat op 1 februari plaatsvond was geen “beëindigingsgesprek“ van de arbeidsovereenkomst maar een onderhoud hoe hij nu verder wilde: terug naar de oude opdrachtgever of bij een andere relatie van ons uitzendbureau. Er is namelijk voldoende werk voor hem, of bij de oude opdrachtgever of elders. De gevraagde transitievergoeding is niet van toepassing omdat de regels van de ABU (waaronder Cordeta EU bv valt) aangeven dat in het geval de werknemer binnen 6 maanden opnieuw een contract krijgt aangeboden de vergoeding niet van toepassing is. (...)”.

2.9.

De cao bepaalt in artikel 13 lid 2 sub a jo c dat de dienstbetrekking in fase A na 78 weken wordt voortgezet in fase B als detacheringsovereenkomst. In fase B is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen. Voor beëindiging van een detacheringsovereenkomst is volgens artikel 15 van de cao opzegging nodig, tenzij tussentijdse opzegging uitdrukkelijk in de detacheringsovereenkomst is uitgesloten. De opzegtermijn voor de uitzendonderneming bedraagt één maand (artikel 15 lid 2 sub b).

2.10.

In artikel 15a lid 1 van de cao is voorts bepaald dat hetgeen in het BW is bepaald inzake de transitievergoeding ook geldt voor de uitzendonderneming, echter met inachtneming van hetgeen in dit artikel is bepaald. Lid 2 van artikel 15 luidt als volgt:

“de uitzendonderneming is in ieder geval aan de uitzendkracht aan het einde van de uitzendovereenkomst die tenminste 24 maanden heeft geduurd, een transitievergoeding verschuldigd indien de uitzendovereenkomst:

(...)

door de uitzendonderneming is opgezegd;

(...)

als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de uitzendonderneming na het einde van rechtswege op initiatief van de uitzendkracht niet is voortgezet.”

en lid 3 bepaalt dat geen transitievergoeding verschuldigd is indien de uitzendovereenkomst:

“(...)

  • -

    na het einde van rechtswege op initiatief van de uitzendkracht niet is voortgezet, anders dan als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de uitzendonderneming;

  • -

    (...)”

3 Het geschil

3.1.

[werknemer] verzoekt Cordeta Personeelsdiensten BV te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.968,00 bruto als transitievergoeding, alsmede een bedrag van € 1.500,00 danwel een ander bedrag aan billijke vergoeding, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het tijdstip van opeisbaarheid, kosten rechtens.

3.2.

Cordeta Personeelsdiensten BV heeft verweer gevoerd en vordert terugbetaling van de aanzegvergoeding van € 2.653,30.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Cordeta Personeelsdiensten BV heeft allereerst aangevoerd dat niet zij de werkgeefster van [werknemer] is maar Cordeta EU BV. De arbeidsovereenkomst, loonopgaven en inlenersovereenkomst geven daar immers blijk van. [werknemer] heeft daartegen betoogd dat hij in zijn oorspronkelijke verzoekschrift Cordeta BV als werkgeefster en wederpartij heeft aangemerkt doch dat dit blijkens de uitzendovereenkomst fase A en een uittreksel uit het Handelsregister Cordeta Personeelsdiensten BV moet zijn.

Naar het oordeel van de kantonrechter dient Cordeta Personeelsdiensten BV als werkgeefster te worden aangemerkt. In de arbeidsovereenkomst staan uitdrukkelijk als partijen benoemd “Cordeta personeelsdiensten BV” en [werknemer] . Dat het briefpapier als opschrift “Cordeta.EU” en daaronder “personeelsdiensten” heeft, maakt dat niet anders. Datzelfde opschrift bevindt zich ook op de loonstrook, terwijl die loonstrook als werkgever “Cordeta EU bv” vermeldt. Nu Cordeta Personeelsdiensten BV echter zelf in voornoemde arbeidsovereenkomst heeft aangegeven als werkgeefster op te treden, zal de kantonrechter hieraan doorslaggevende betekenis toekennen. Het bij brief van 26 april 2017 gedane verzoek tot aanpassing van de naam van werkgeefster in deze procedure is dan ook toewijsbaar en Cordeta Personeelsdiensten BV zal als werkgeefster worden aangemerkt.

4.2.

[werknemer] maakt aanspraak op een transitievergoeding. Hij stelt in zijn verzoekschrift dat uit artikel 15a van de cao volgt dat hij daarop aanspraak heeft indien de uitzendovereenkomst tenminste 24 maanden heeft geduurd. Ter onderbouwing daarvan wordt summierlijk in het verzoekschrift aangegeven dat er sprake is van een conform artikel 15 van de cao in acht te nemen opzegtermijn. Ter verdere onderbouwing wordt verwezen naar de overgelegde correspondentie.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van [werknemer] in zijn verzoekschrift als ook ter mondelinge behandeling, dat er sprake is van een opzegging door Cordeta Personeelsdiensten BV op 1 februari 2017, verdraagt zich niet met het in de overgelegde (en hierboven aangehaalde) correspondentie ingenomen standpunt dat er sprake is van een einde van rechtswege per 3 februari 2017. Van dat laatste gaat Cordeta Personeelsdiensten BV ook uit. Volgens Cordeta Personeelsdiensten BV is in dat gesprek aan de orde geweest, hetgeen zij ook in haar brief van 14 februari 2017 heeft vastgelegd, dat er bij de voor [werknemer] bekende inlener tijdelijk geen werk was en is aan [werknemer] de keuze gegeven om te wachten tot dat werk er wel weer was óf bij een andere opdrachtgever geplaatst te worden. Bij die tweede optie zou het voor [werknemer] een probleem zijn om vervoer naar de opdrachtgever te regelen. Deze stellingen heeft [werknemer] niet tegengesproken, noch in de correspondentie noch tijdens de mondelinge behandeling. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft Cordeta Personeelsdiensten BV aangegeven dat zij (nog steeds) werk genoeg heeft voor [werknemer] . [werknemer] heeft dat niet weersproken en ook geen verklaring gegeven waarom hij daar niet op in is gegaan. Het feit dat [werknemer] per 13 februari 2017 een arbeidsovereenkomst is aangegaan met een andere werkgever, moet naar het oordeel van de kantonrechter dan ook zo opgevat worden, dat hij niet opnieuw een overeenkomst wilde sluiten met Cordeta Personeelsdiensten BV.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er dus niet gebleken van een opzegging, maar is er sprake van de situatie dat na het einde van de rechtswege de uitzendovereenkomst op initiatief van de uitzendkracht niet is voortgezet.

4.3.

Een transitievergoeding is dan slechts verschuldigd indien het niet voortzetten het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de uitzendonderneming (artikel 15 a lid 2 van de cao). Van een zodanig handelen of nalaten van Cordeta Personeelsdiensten BV is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken. Duidelijk is dat er nog steeds werk is voor [werknemer] en waar het vermeende ernstig verwijtbaar handelen van Cordeta Personeelsdiensten BV uit heeft bestaan én dat dit tot gevolg heeft gehad dat de uitzendovereenkomst niet is voortgezet, is door [werknemer] niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is wel ter sprake gekomen dat het voor [werknemer] moeilijk is om gesprekken te voeren, maar nu ook is aangegeven dat hij daarin wordt bijgestaan door zijn echtgenote die ook bij de gesprekken aanwezig was, dient voor zijn rekening te blijven dat (delen van het) gesprek mogelijk anders zijn opgevat dan bedoeld.

De vordering tot betaling van de transitievergoeding wordt op grond van het voorgaande afgewezen.

4.4.

[werknemer] maakt tevens aanspraak op een billijke vergoeding. Ter onderbouwing daarvan heeft [werknemer] aangegeven dat door de handelwijze van Cordeta Personeelsdiensten BV hij lang in onzekerheid over zijn baan heeft gezeten en hij daarbij nog eens financiële zorgen heeft gehad nu hij over januari 2017 verstoken was van inkomsten. Kennelijk grondt [werknemer] zijn verzoek op het bepaalde in artikel 7:673 lid 9 sub a BW, dat eveneens als voorwaarde stelt dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. Nu hiervoor reeds geoordeeld is dat dit niet het geval is dient de vordering van [werknemer] afgewezen te worden.

4.5.

Cordeta Personeelsdiensten BV vordert bij wijze van zelfstandig verzoek terugbetaling van de door haar betaalde aanzegvergoeding. Artikel 7:668 lid 1 jo 3 BW bepaalt (samengevat) dat in geval een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, de werkgever uiterlijk een maand voor het eindigen daarvan de werknemer schriftelijk moet informeren over het al dan niet voortzetten daarvan. Nu niet gebleken is van de in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen, is Cordeta Personeelsdiensten BV conform lid 3 aan [werknemer] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon over één maand. Partijen zijn het er immers over eens dat op 3 februari 2017 de arbeidsovereenkomst tussen hen van rechtswege is geëindigd. Weliswaar hebben er gesprekken tussen partijen plaatsgevonden over voortzetting dan wel beëindiging van de uitzendovereenkomst doch nergens uit blijkt dat Cordeta Personeelsdiensten [werknemer] schriftelijk heeft aangezegd of en hoe de arbeidsrelatie tussen hen na 3 februari 2017 zou worden voortgezet. Daarmee is Cordeta Personeelsdiensten BV de aanzegvergoeding verschuldigd geworden. Van terugbetaling kan dan ook geen sprake zijn. Het daarop gerichte verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

4.6.

Gelet op de aard en uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat de proceskosten op hierna te bepalen wijze worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: MM

coll: