Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:4502

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-05-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
02 3277738 cv expl 14-8246
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telefoonzaak. Ambtshalve toetsing in verstekzaak. Overeenkomst wordt gesplitst in koop op afbetaling deel en deel voor het abonnement telecommunicatiediensten. De koop op afbetaling voldoet niet aan de wettelijke eisen en dat deel van de vordering wordt afgewezen het abonnementsdeel wordt gematigd omdat de resterende in rekening gebrachte maandtermijnen niet in verhouding staan tot de gevorderde kosten nu cliënt geen gebruik meer kon maken van zijn aansluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/188
AR 2017/2578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 3277738 \ CV EXPL 14-8246

Verstekvonnis van de kantonrechter van 17 mei 2017

in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht HOIST KREDIT AB,

gevestigd te Stockholm,

eisende partij,

gemachtigde GGN Brabant,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

niet verschenen,

niet geantwoord.

1 De procedure

1.1.

Eisende partij vordert een bedrag zoals in de dagvaarding omschreven. Eisende partij grondt haar vordering op de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden.

1.2.

Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin uiterlijk op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting geantwoord.

1.3.

Tegen gedaagde partij is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn.

2.2.

Eisende partij beroept zich op een (of meerdere) beding(en) dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, althans vermoed wordt dat de vordering mede op (een) dergelijk beding(en) is gebaseerd. De rechter dient daarom op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C‑243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is.

2.3.

Tevens dient de kantonrechter te beoordelen of de geldende wettelijke bepalingen voor koop op afbetaling, krediettransactie dan wel kredietovereenkomst door de eisende partij in acht zijn genomen. (Hoge Raad 13 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1385). De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:236) onder meer geoordeeld dat artikel 7A:1576 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat in de overeenkomst de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon afzonderlijk wordt bepaald en dat aan die eis niet is voldaan wanneer enkel een all-in prijs is bepaald. Tevens heeft de Hoge Raad in die uitspraak overwogen dat uit artikel 7A:1576 lid 2 BW volgt dat de overeenkomst voor wat betreft het toestelgedeelte niet van kracht is, indien de door de koper te betalen kooprijs niet in de overeenkomst is bepaald.

2.4.

Gelet op de door eisende partij verstrekte toelichting is niet gebleken dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een koopprijs voor de verstrekte telefoon zijn overeengekomen. Wel heeft de eisende partij informatie verstrekt met betrekking tot de waarde van het verstrekte toestel. Hieruit is af te leiden welk deel van de maandelijkse abonnementskosten betrekking heeft op het verstrekte toestel. Dat deel van de vordering zal worden afgewezen. Nu de koop op afbetaling met betrekking tot het verstrekte telefoontoestel niet tot stand is gekomen, heeft de eisende partij zonder rechtsgrond een toestel verstrekt en heeft gedaagde daarvoor zonder rechtsgrond betaald. Partijen hebben zich daarop in dit geding echter niet beroepen, zodat eventuele vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling in dit geding geen rol spelen.

2.5.

Ten aanzien van de door eisende partij gevorderde resterende maandtermijnen die geen betrekking hebben op het verstrekte toestel maar op de geleverde telecommunicatiediensten beroept eisende partij zich op een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. De rechter dient daarom op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C‑243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is.

Gezien de door eisende partij verstrekte gegevens moet worden geoordeeld dat het in rekening brengen van de resterende maandtermijnen terwijl de gedaagde partij geen gebruik meer kan maken van de diensten van eisende partij, moet worden beschouwd als een boete die niet in redelijke verhouding staat tot het nadeel dat eisende partij lijdt. Dit leidt tot de conclusie dat het beding onredelijk bezwarend is. Het beding moet daarom op grond van artikel 3:40 jo 6:233 onder a BW als nietig worden beschouwd. Als uitgangspunt geldt dat de gedaagde partij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en aan eisende partij op grond van artikel 6:277 BW de schade moet vergoeden die deze lijdt doordat ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.

2.6.

In dit geval kan de door eisende partij geleden schade niet nauwkeurig berekend worden. Ingevolge artikel 6:97 BW zal deze worden geschat op 50% van de resterende maandtermijnen, exclusief btw. De kantonrechter heeft de ervaring dat een aldus begrote vordering overeenkomt met een gangbare schatting van de geleden schade. Voor zover een hoger bedrag aan schadevergoeding is gevorderd is het meerdere niet toewijsbaar.

2.7.

Het toe te wijzen bedrag van de vordering is dan als volgt samengesteld:

openstaande facturen voor ontbinding een bedrag van € 458,77, schadevergoeding ter zake de termijnen na ontbinding tot aan het contractuele einde van de overeenkomst ter zake de telecommunicatiediensten € 168,03, totale hoofdsom € 626,80.

2.8.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toe te wijzen bedrag zijnde € 94,02.

2.9.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 95,77

  • -

    griffierecht 462,00

  • -

    gemachtigde salaris 100,00 ( 1 x tarief € 100,00)

totaal € 657,77

2.10.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De kantonrechters

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 720,82, vermeerderd met de wettelijke rente over € 626,80 vanaf 11 juli 2014 tot aan de voldoening,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 657,77,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: HMUI

coll: