Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:4258

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-05-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
5639340 CV EXPL 17-364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering(en) incassobureau tegen ex-klant (bedrijf in MKB-sector). Onduidelijk samenwerkingsverband Graydon met advocaat die al na een kleine maand ‘gratis’ incassopogingen (van Graydon zelf) ingezet wordt om een op voorhand riskante gerechtelijke procedure te initiëren.

Geen directe rechtsrelatie klant/advocaat, omdat de laatste ingezet wordt als hulppersoon van incassobureau. Onbeantwoorde vragen bij - aan (informele) procesopdracht voorafgegane - ‘legal scan’ van advocaat en de omvang en kwaliteit van door hem geleverde inspanningen.

Frappante onevenredigheid kosten en baten voor de procederende middenstander, die dit aan Graydon verwijt en zich misleid voelt. Totale ‘schade’ door gedaagde op 65 000 euro getaxeerd. Mede daarom (maar ook wegens aanvankelijk stilzitten van Graydon en tijdsverloop) is beroep op onbetaald laten van een slotfactuur van 1 470,15 euro in hoofdsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Graydon moet als verliezende partij zelf de ex-klant € 150,00 aan proceskosten vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2446
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 5639340 CV EXPL 17-364

Vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2017

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GRAYDON INCASSO B.V. voorheen handelend onder de naam GRAYDON NEDERLAND B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te Amsterdam

verder ook te noemen “Graydon”

eisende partij

gemachtigde een ongenoemd gelaten natuurlijke persoon ten kantore van deurwaardersassociatie “LAVG” te Groningen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1] DAKBEDEKKINGEN B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] [adres]

verder ook te noemen “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

procederend bij haar directeur [naam directeur]

1 De procedure

Graydon heeft [gedaagde] bij dagvaarding d.d. 20 december 2016 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan [gedaagde] vijftien producties betekend.

[gedaagde] heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - ter rolzitting van 15 februari 2017 schriftelijk geantwoord.

Vervolgens heeft Graydon op 22 maart 2017 voor repliek en heeft [gedaagde] op 19 april 2017 voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak - bij vervroeging - op vandaag gesteld is.

2 Het geschil

Graydon vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van een bedrag van € 1 960,15, nog te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 1 690,67 vanaf 20 december 2016 (datum dagvaarding) tot de datum van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de aan haar zijde te liquideren kosten van de procedure en eventuele nadere uitvoeringskosten.

Graydon baseert haar vordering op de volgende feitelijke omstandigheden en/of stellingen. Zij is met [gedaagde] op of omstreeks 20 juni 2011 in de vorm van een ‘kennismakingsactie’ een overeenkomst van opdracht aangegaan, waarbij Graydon zich belastte met incasso van een vordering tegen een van de debiteuren van [gedaagde] . Op de overeenkomst waren de algemene voorwaarden van Graydon alsmede de voorwaarden “Probeer en Incasseer” van toepassing verklaard. Na vergeefse eigen incassowerkzaamheden heeft Graydon in overleg met [gedaagde] het incassodossier overgedragen aan ‘de advocatenrelatie van eiseres’, waarna in opdracht en voor rekening van [gedaagde] geprocedeerd is tegen de onwillige debiteur. De gerechtelijke procedure is in april 2014 uitgemond in een vaststellingsovereenkomst. De advocaat mr. [naam advocaat] van Van Veen Advocaten te Ede heeft op 9 juli 2014 bij Graydon een bedrag van € 1 470,15 inclusief btw (‘B.T.W’) aan honorarium gedeclareerd (prod.5). Dit bedrag is vervolgens conform de voorwaarden bij factuur van 11 augustus 2014 aan [gedaagde] doorberekend (prod.6). Wegens ‘wanbetaling van gedaagde’ brengt Graydon thans daarnaast - krachtens die voorwaarden - € 269,48 aan vervallen rente (naar 12% op jaarbasis) en € 220,52 aan incassokosten (nodig ter verkrijging van voldoening buiten rechte) in rekening. Graydon bestrijdt het buiten rechte en in rechte door [gedaagde] gevoerde verweer. Zij beroept zich daarvoor mede op bij exploot ingebrachte producties.

Graydon weerspreekt in voortgezet debat de bij antwoord tegen de vordering ingebrachte stellingen en verweren. De advocaat declareert zijn werkzaamheden/kosten achteraf, zodat de factuur van juli/augustus 2014 ziet op werkzaamheden in de periode 3 april 2014 tot en met 16 mei 2014. Een urenspecificatie geeft daaromtrent duidelijkheid (prod.10). [gedaagde] is hiervan desgevraagd door mr. [naam advocaat] bij brief d.d. 7 juni 2016 in kennis gesteld (prod.11). Er was geen sprake van dat iemand (de advocaat of een medewerker van Graydon) [gedaagde] toegezegd heeft dat de factuur zou vervallen / gecrediteerd zou worden of verklaard heeft dat deze ten onrechte uitgegaan zou zijn. Bovendien ziet het merendeel van de declaratie op werkzaamheden die betrekking hadden op de bespreking tussen partijen op 3 april 2014 zelf (en die vielen onder de kosten die hoe dan ook betaald zouden moeten worden). Slechts voor 2,7 uur ging het om werk dat na 3 april 2014 afrondend nog verricht is. Subsidiair acht Graydon zich daarom gerechtigd ter zake € 957,82 exclusief rente en kosten in rekening te brengen. Als [gedaagde] beweert dat mr. [naam advocaat] slecht werk leverde, verbindt zij daar geen rechtsgevolg aan. Graydon bestrijdt de beweerde wanprestatie, ongeacht het feit dat [gedaagde] mogelijk teleurgesteld was over het resultaat.

Het verweer haakt aan bij de vraag of [gedaagde] wel tot enige betaling gehouden is. [gedaagde] bestrijdt niet de opdracht tot incasso van een vordering ten belope van omtrent € 30 000,00 op de debiteur [naam debiteur] en de daarvoor (ook ten aanzien van de inschakeling van een advocaat voor het voeren van een rechtszaak) afgesproken voorwaarden. Over de vordering van [gedaagde] (die kennelijk een tegenvordering van [naam debiteur] uitgelokt heeft) is zonder duidelijk succes geprocedeerd. In een door de behandelend rechter ‘geadviseerd’ overleg met de debiteur ten kantore van Boels-Zanders Advocaten te Roermond (kennelijk optredend voor de tegenpartij) is een compromis bereikt dat inhield dat [gedaagde] nog € 3 000,00 aan [naam debiteur] schuldig was en zelf niets van haar vordering terugzag. [gedaagde] heeft naar eigen zeggen met die uitkomst ingestemd omdat het haar financieel onmogelijk was de zaak voort te zetten. Volgens mr. [naam advocaat] zouden na dat gesprek geen verdere kosten meer in rekening gebracht worden. Ook ten kantore van Graydon (de heer [naam 2] ) toonde men zich na de factuur van 12 augustus 2014 verbaasd over het in rekening brengen van nadere kosten (‘factuur onterecht’). Pas op 15 juni 2016 - dus twee jaar later en kennelijk aangestuurd door een persoon die met de voorgeschiedenis onbekend was - heeft Graydon [gedaagde] opeens benaderd met een ‘openstaande vordering’. En dat terwijl de door mr. [naam advocaat] geëntameerde procedure liefst twee jaar geduurd had, tegen ‘torenhoge’ advocaatkosten voor [gedaagde] , en eindigde zonder enig voor [gedaagde] acceptabel resultaat. [gedaagde] acht het in het licht van de ‘afspraken’ inacceptabel en gelet op alle omstandigheden onredelijk dat zij nu nog eens voor een extra rekening (plus rente en kosten) moet opdraaien. Zij had er op vertrouwd dat de boeken gesloten waren.

Bij dupliek heeft [gedaagde] nog eens geattendeerd op de voorafgaand aan een procedure tegen [naam debiteur] over een onbetaalde aanneemsom door mr. [naam advocaat] uitgevoerde ‘legal scan’ (prod.4 bij exploot). In weerwil van opgesomde risico’s (47 klachten van de klant met betrekking tot de uitgevoerde werkzaamheden aan de woning) heeft mr. [naam advocaat] daar [gedaagde] geadviseerd ‘het juridische traject voort te zetten’. Desgevraagd zou mr. [naam advocaat] aanvullend de inschatting gemaakt hebben dat 60 tot 70 procent van de vordering (van ruim € 30 000,00, maar blijkens de dupliek € 39 630,76) in rechte toegewezen zou worden. Uiteindelijk kostte het [gedaagde] echter een aan [naam debiteur] te betalen schadevergoeding van € 3 000,00 tegenover prijsgeven van de eigen vordering. Daarnaast heeft zij voor deze zaak al € 22 400,28 aan Graydon en/of mr [naam advocaat] moeten betalen. [gedaagde] voelt zich in ernstige mate misleid door mr. [naam advocaat] en door Graydon die haar naar deze advocaat doorgeleidde (er was geen keuze). Met haar belang is in onvoldoende mate rekening gehouden, zeker in het licht van de negatieve balans opbrengst / kosten. Zelfs als in een juridische procedure geen garanties afgegeven kunnen worden, is het uiteindelijke nadeel van het opvolgen van het advies van mr. [naam advocaat] voor [gedaagde] onevenredig hoog te noemen: zij taxeert dit op ruim € 65 000,00.

3 De beoordeling

Deze zaak roept tal van vragen op, die vooral van doen hebben met de ondoorgrondelijke wijze waarop Graydon als incassobedrijf klanten in het midden- en kleinbedrijf werft met een actie die zij zelf aanduidt als “GRAYDON INCASSO KENNISMAKINGSACTIE” (prod.1). Door de koppeling van een ‘kosteloos minnelijk incassotraject’ (maar wel op basis van een zekere ‘no cure no pay’) - waarmee de argeloze klant blij gemaakt wordt - aan een ‘juridisch incassotraject’ dat kosten genereert, verzekert Graydon zich allereerst in nagenoeg alle situaties van aantrekkelijke inkomsten. Alleen bij afwijzing van verdere processuele actie na een mislukte minnelijke incassopoging immers loopt Graydon revenuen mis. Zij ziet weliswaar af van kosten en provisie in de ‘minnelijke incassofase’, maar claimt wel bij succes in dat traject de rente- en kostenopbrengst. Dat omvangrijke rente- en kostenclaims in de weg kunnen staan aan een succesvolle afronding van die buitengerechtelijke incasso, wordt klaarblijkelijk voor lief genomen. Als de klant vervolgens meegaat in een ‘juridisch incassotraject’, gloort een veel rooskleuriger perspectief in de samenwerking met een advocaat in Ede (‘de advocatenrelatie van eiseres’). Er bestaat overigens geen enkele garantie dat Graydon zich veel inspanningen getroost om in de eerste fase tot een deugdelijk vergelijk met de tot betaling aangesproken debiteur te geraken, laat staan dat Graydon zich dan al een goed beeld vormt van de kansen én de zwakke kanten van de claim.

Volstrekt onduidelijk is dan ook in deze zaak gebleven welke activiteit Graydon zelf in de eerste fase ontplooid heeft om de vordering van [gedaagde] op [naam debiteur] te incasseren. Het tijdsverloop tussen 20 juni 2011 (volgens Graydon de datum waarop zij van [gedaagde] de opdracht tot incasso verwierf) en 20 juli 2011 (datum ‘Legal Scan’ mr. [naam advocaat] ) doet vermoeden dat Graydon nauwelijks tijd en energie in de exploratie van het probleem en vervolgens in het incassowerk gestoken heeft. Maar ook laat Graydon na op te helderen of daar tevens bij inbegrepen was dat toen al in kaart gebracht is welk risico in het verweer van [naam debiteur] (‘47 klachten’ over het door [gedaagde] aangenomen werk) gelegen was dat een tegenvordering van [naam debiteur] de vordering van [gedaagde] zou wegblazen. Dat bleek immers na (meer dan) twee jaar procederen de in een vaststellingsovereenkomst neergelegde uitkomst van alle dure inspanningen te zijn: [gedaagde] moest de eigen vordering van bijna 40 000 euro inslikken en [naam debiteur] zelfs 3 000 euro toebetalen.

Over de procedure zelf laat Graydon zich totaal niet uit. Zelfs licht zij niet toe bij welke rechtbank deze gediend heeft en welke proceshandelingen mr. [naam advocaat] voor het door [gedaagde] genoemde kostenbedrag van € 22 400,28 al met al op zijn conto heeft staan. Hoe en wanneer [gedaagde] uitdrukkelijk haar fiat aan procederen gegeven heeft, kan slechts vagelijk uit de stellingen van Graydon afgeleid worden. Een expliciete en gedateerde schriftelijke procesopdracht ontbreekt bij de stukken, zoals ook de voorwaarden waaronder geprocedeerd is, slechts bij benadering te raden zijn. Graydon laat immers volledig na om haar prod.1 - de al van 5 oktober 2009 daterende opdracht waarbij [gedaagde] enige summiere voorwaarden van de ‘kennismakingsactie’ fiatteerde - en prod.2 - een setje ‘Algemene voorwaarden - te bespreken en te duiden. Verder legt Graydon als prod.3 een kopie van enige factuurgegevens van [gedaagde] over die geen aanwijsbare relatie met de incasso-opdracht noch met de procesopdracht als zodanig heeft. Het enige stuk dat zou kunnen wijzen op een mogelijke opdracht tot processuele actie, is prod.4. Daarin ontplooit mr. [naam advocaat] op 20 juli 2011 een wel heel optimistische doch weinig diepgaande visie op een te voeren gerechtelijke procedure. Een advies om te gaan procederen was de uitkomst van de exercitie in het dossier die mr. [naam advocaat] kennelijk gemaakt had. Onvermeld is ook in deze ‘legal scan’ gebleven of en in welke zin gebruikgemaakt is van enig voorwerk van Graydon. De risico’s als gevolg van ‘één of meerdere door de wederpartij gevoerde verweren’ zijn niet in kaart gebracht noch gekwantificeerd. Zij worden zelfs gerelativeerd door het noemen van de ‘kans dat dat verweer/die verweren zich laten ontkrachten, zodat cliënte in overweging wordt gegeven het juridische traject voort te zetten’.

Dit optimistische advies van goed twee pagina’s globale bespiegelingen valt achteraf volgens [gedaagde] niet of nauwelijks te rijmen met het resultaat van ruim twee jaar procederen. De vaststellingsovereenkomst waaraan dezelfde mr. [naam advocaat] op 3 april 2014 zijn zegen gaf (volgens [gedaagde] omdat hij van mening was dat die betaling van € 3 000,00 aan [naam debiteur] een goed resultaat was), is in ieder geval voor [gedaagde] heel wat anders uitgepakt dan zij zich bij het volgen van het procesadvies voorgesteld had: een uitkomst waarbij aanzienlijk meer dan de helft van de eigen vordering van bijna 40 000 euro toegewezen / geïncasseerd zou worden. Graydon legt - naast andere onopgehelderde punten - evenmin uit hoe in het kader van de door mr. [naam advocaat] gevoerde onderhandelingen de conclusie getrokken kon / moest worden dat zo’n betaling aan [naam debiteur] en het onbetaald laten van pakweg 40 000 euro die [naam debiteur] aan [gedaagde] verschuldigd was, de voor de hand liggende oplossing van het juridische geschil vormden. Van de hand van de door Graydon als hulppersoon ingeschakelde mr. [naam advocaat] is in de huidige procedure naast de al vermelde ‘legal scan’ en enige facturen geen andere documentatie beschikbaar gekomen dan neergelegd is in de producties 11 en 15 van Graydon. Die producties geven totaal geen uitsluitsel over kwantiteit en kwaliteit van het geleverde juridische werk. Graydon zelf doet de kritiek die [gedaagde] daarop ventileert, af met de bewering dat [gedaagde] ‘geen enkel rechtsgevolg’ aan deze stelling verbindt. Dat ziet zij echter totaal verkeerd.

In het verweer van [gedaagde] zijn twee posities te onderscheiden. Allereerst de stelling dat zowel mr. [naam advocaat] (in diens primaire uitlatingen op 3 april 2014) als Graydon (via de heer [naam 2] in later telefooncontact) verzekerd had dat er geen slotrekening zou volgen en/of dat die van juli / augustus 2014 op een vergissing berustte. Naast die volgens haar erkende ‘vergissing’ stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat er ook geen goede reden was om het afsluitende werk van mr. [naam advocaat] (zowel op 3 april 2014 als mogelijk nog nader in april en mei 2014) met enige betaling te honoreren. [gedaagde] is kort door de bocht de opvatting toegedaan dat het totale werk van mr. [naam advocaat] aan ‘haar’ zaak meer dan voldoende gehonoreerd is met betalingen tot een totaal van € 22 400,28 die zij (aan Graydon als formele opdrachtgever) heeft moeten verrichten. Waar het in een normale directe relatie advocaat / cliënt voor [gedaagde] mogelijk aantrekkelijk en lonend geweest zou zijn een dekenklacht te overwegen of een begrotingsprocedure te starten, rest haar nu weinig meer dan tegenover haar enige contractspartij dit verweer tegen de laatste nota te voeren. [gedaagde] bepleit in de van de kant van Graydon jaren na dato tegen haar geëntameerde incassoprocedure dat uiteindelijk om een samenstel van redenen de restfactuur van € 1 470,15 kwijtgescholden wordt. Waarom [gedaagde] immers - in het licht van het uiteindelijke resultaat - door Graydon en mr. [naam advocaat] gezamenlijk tot deze procedure verleid is, blijft voor haar in het licht van hetgeen op de ‘legal scan’ gevolgd is, een raadsel. Dit lijkt weinig meer van doen te hebben met de onmogelijkheid van het geven van absolute garanties vooraf. Want dat geldt voor vrijwel elke te voeren procedure.

Het heeft er in deze zaak alle schijn van dat sprake is van onvolledige verkenning van de procesrisico’s op het vlak van de tegenvordering(en) van [naam debiteur] , van onvoldoende waarschuwen voor de mogelijk fatale afloop van processuele actie en gebrekkige begeleiding van de cliënte in het totale proces. In het midden moet blijven of de kwaliteit van de geboden rechtshulp aan de maat was, maar het feit dat het na 20 juli 2011 tot 4 april 2014 heeft moeten duren om tot het uiteindelijke inzicht te komen dat betalen in plaats van incasseren het lot was van deze kleine middenstander, is wel heel erg zuur. Waarmee niet gezegd is dat deze uitkomst te ontkomen geweest was. Wel dat zulk inzicht eerder van mr. [naam advocaat] én Graydon als opdrachtnemer verwacht én verlangd had mogen worden. [gedaagde] zou daarmee een lange lijdensweg maar ook een fiks bedrag aan advocaatkosten bespaard zijn. Die kosten hadden dan gestoken kunnen zijn in het terstond aanvangen van schikkingsoverleg dat uiteindelijk pas op 3 april 2014 tot resultaat geleid heeft.

De kantonrechter is op grond van al deze omstandigheden van oordeel dat Graydon de haar verleende gecombineerde opdracht (eerst incasso en dan een via haar hulppersoon gevoerde gerechtelijke actie) zodanig gebrekkig uitgevoerd heeft dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) van [gedaagde] betaling van een slotfactuur van € 1 470,15 te verlangen. Bijgevolg kan ook geen sprake zijn van verschuldigdheid van handelsrente en/of vergoeding van incassokosten. Het feit dat Graydon (nota bene een incassobureau) het incasseren van haar vermeende vordering om onduidelijke redenen liefst om en nabij twee jaar heeft laten rusten, zou een aanwijzing kunnen zijn dat zij aanvankelijk ook zelf de opvatting toegedaan was dat verdere actie in deze zaak wat al te veel van het goede was. Het valt dan ook te betreuren dat zij hier op enig moment van teruggekomen is. Dit alles heeft wel tot gevolg dat Graydon als in het ongelijk te stelle partij alle proceskosten dient te dragen. Aan de zijde van [gedaagde] worden deze kosten bepaald op een bedrag van € 150,00 (gelijk aan de helft van het in zaken als deze te liquideren salaris van een gemachtigde voor twee volledige proceshandelingen). Omdat [gedaagde] daar niet op aangedrongen heeft, kan dit onderdeel van de beslissing niet bij voorraad uitvoerbaar verklaard worden.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het navolgende oordeel:

- De vordering van Graydon wordt afgewezen.

- Graydon wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis bepaald op een totaalbedrag van € 150,00 en aan haar te voldoen binnen veertien dagen na heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS