Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:4124

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1001u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van omwonenden tegen de verlening van een omgevingsvergunning ten behoeve van de renovatie en de uitbreiding van de Plus Supermarkt aan de Van Weerden Poelmanstraat 47a te Heerlen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning is kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1001

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2] en [eiser 3] ,

[eiser 4] ,

allen woonachtig te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: ir. [naam 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigden: [naam 11], [naam 12] en [naam 13]).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] , te [plaats 2] , en [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , te [plaats 1]

(gemachtigde: mr. J.H.P. Hardy).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2015 heeft verweerder aan [belanghebbende 1] (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor de renovatie en de uitbreiding van de Plus supermarkt aan de [adres 8] te [plaats 1] .

Bij besluit van 22 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017, waar

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , bijgestaan door hun gemachtigde, zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn namens vergunninghoudster [naam 6] en [naam 7] verschenen. Namens [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] is

[naam 8] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghoudster is eigenares van het perceel aan de Van [adres 8] te [plaats 1] . Op dit perceel is de supermarkt [belanghebbende 2] (supermarkt) gevestigd. Vergunninghoudster heeft op 29 juli 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de renovatie en uitbreiding van de supermarkt. Het bouwplan strekt zich uit over de volgende kadastrale percelen ( [kadastrale percelen] ). De supermarkt heeft in de huidige situatie ca. 650 m² bruto vloeroppervlak (bvo) en na uitbreiding een omvang van 1.600 m² bvo. Eisers wonen op korte afstand van deze supermarkt.

2. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de omgevingsvergunning verleend

voor de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van artikel 2.12 van de Wabo en artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

3. Eisers kunnen zich hier niet in vinden. Op hetgeen eisers hebben aangevoerd wordt in het navolgende nader ingegaan.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. …

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

d. …

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts

geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de wet, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, sub a, van bijlage II van het Bor kan worden

afgeweken van het bestemmingsplan als er sprake is van een bijbehorend bouwwerk of een

uitbreiding daarvan. Voor bijbehorende bouwwerken gelegen buiten de bebouwde kom worden in dit artikellid aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de hoogte en de oppervlakte.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt in deze bijlage onder een

bijbehorend bouwwerk verstaan: een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel

met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen

aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Onder een hoofdgebouw wordt verstaan een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

6. Ter plaatse is van toepassing het bestemmingsplan “ [naam 9] ” (het bestemmingsplan), vastgesteld op 7 juli 2015. Tegen de vaststelling van het bestemmingsplan is geen beroep ingesteld, zodat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. De inhoud van dit onherroepelijke bestemmingsplan en de daarin gemaakte keuzes liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor, zodat hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, onbesproken zal blijven.

7. De huidige supermarkt (het perceel [perceelnummer 1] ) heeft de bestemming [bestemmingsnaam 1] ’. De uitbreiding van de supermarkt is voorzien op de bestemmingen [bestemmingsnaam 2] ’ (het perceel [perceelnummer 2] ) en [bestemmingsnaam 3] ’ (het perceel [perceelnummer 3] ).

8. Niet in geschil is en ook de rechtbank stelt vast dat het bouwplan op de volgende punten in strijd is met het bestemmingsplan:

- op het perceel met de bestemming “ [bestemmingsnaam 1] ” (het perceel [perceelnummer 1] ) wordt de maximale bouwhoogte voor gebouwen (vier meter) overschreden;

- de uitbreiding van de supermarkt is voorzien op percelen die een bestemming hebben die het vestigen van een supermarkt niet toelaat, te weten [bestemmingsnaam 2] ’ (het perceel [perceelnummer 2] ) en [bestemmingsnaam 3] ’ (het perceel [perceelnummer 3] );

- parkeren dient op eigen terrein te geschieden, maar het bouwplan voorziet hier niet in.

Om deze strijdigheden op te heffen heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, sub a, van het Bijlage II Bor, omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan.

9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd was toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4, aanhef en eerste lid, sub a, van het Bor, zodat verweerder niet met toepassing van die bepaling, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2º, van de Wabo, de omgevingsvergunning had kunnen verlenen. Hiertoe voeren eisers aan dat het hoofdgebouw en het bijbehorende bijgebouw in dit geval niet zijn gepland op hetzelfde (kadastrale) perceel. Op kavel [perceelnummer 1] staat het huidige hoofdgebouw. Het bijbehorende bouwwerk is gepland op twee percelen, [perceelnummer 3] en [perceelnummer 2] , die op dit moment geen hoofdgebouw bevatten. Volgens eisers is de feitelijke situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden leidend. Die blijkt hier met een gedeelte “Verkeer” en een gedeelte “Wonen”, niet feitelijk als een geheel te mogen worden beschouwd. Ook wijzen eisers op het feit dat het perceel [perceelnummer 2] nog steeds in eigendom is van de gemeente Heerlen en in gebruik is als openbare weg.

10. De rechtbank is van oordeel dat de uitbreiding kan worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw, zoals bedoeld in de definitie van “bijbehorend bouwwerk” in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Daartoe wordt overwogen dat met het huidige bouwplan een bestaand hoofdgebouw, de bestaande supermarkt, wordt uitgebreid. Dat de uitbreiding groter in de omgeving is dan het bestaande hoofdgebouw doet daar niet aan af. Daarbij is het hoofdgebouw noodzakelijk voor de verwezenlijking van de bestemming “ [bestemmingsnaam 1] ” van het perceel. Nu het bouwplan moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw, betoogt verweerder terecht dat aan uitleg van het begrip “hetzelfde perceel” in het tweede gedeelte van de definitiebepaling van “bijbehorend bouwwerk” in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor niet wordt toegekomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2821. De verwijzing van eisers naar de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0146 en 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:667 gaat niet op, omdat in vorenstaande uitspraken geen sprake was van een vergelijkbare situatie.

Het betoog faalt.

11. Het betoog van eisers ter zitting dat artikel 2.7 van het Bor niet van toepassing is, omdat in dit geval geen luchtkwaliteitsbeoordeling is vereist, is in een zo laat stadium van de procedure naar voren gebracht dat dit in strijd met de goede procesorde moet worden geacht, zodat deze beroepsgrond buiten beschouwing zal worden gelaten.

12. Eisers betogen verder dat er een privaatrechtelijke belemmering aan de realisering van het bouwplan in de weg staat. Eisers wijzen op het feit dat er weliswaar een realisatieovereenkomst is afgesloten met vergunninghoudster, maar de feitelijke overdracht van het perceel zal pas plaatsvinden nadat er sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning en uiterlijk één maand na het bouwrijp maken door de gemeente.

13. De rechtbank volgt dit betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:382, is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Daarvan is de rechtbank echter niet gebleken.

Het betoog faalt.

14. Eisers betogen voorts dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend nu het plan op verschillende punten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, waarbij zij onder meer wijzen op de parkeersituatie, de te verwachten geluidsoverlast, de economische haalbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Op hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd wordt in het navolgende nader ingegaan.

15. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten 2°, van de Wabo kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft verweerder beleidsvrijheid en de aan verweerder toekomende bevoegdheid tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de percelen in afwijking van het bestemmingsplan is discretionair van aard. Dit betekent dat dient te worden gerespecteerd dat verweerder in beginsel over een zekere mate van vrijheid beschikt om naar eigen inzicht en goeddunken uitvoering te geven aan die bevoegdheid. De door de rechtbank uit te voeren toetsing zal zich om die reden dienen te beperken tot de vraag of verweerder toereikend heeft gemotiveerd of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en, zo ja, of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning is kunnen komen. Verder is bij de aan te leggen toets van belang of verweerder met het nemen van het bestreden besluit in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

16. Ten aanzien van het parkeren betogen eisers allereerst dat verweerder zijn stelling dat er in het gebied 36 parkeerplaatsen moeten worden toegevoegd ten onrechte heeft gebaseerd op de Parkeernota Heerlen uit 2010. Volgens eisers is deze nota verouderd. Verweerder had volgens eisers moeten toetsen aan de (concept) Parkeernota 2016. Deze nota zou volgens eisers een realistischer beeld scheppen. Daarbij vervallen er volgens eisers 18 parkeerplaatsen, zodat er in totaal 37 nieuwe parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd.

Volgens eisers handelt verweerder verder in strijd met de parkeernota, omdat de voor het bouwplan benodigde parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden gerealiseerd. Bovendien zou volgens eisers het parkeergemak te laag zijn, vanwege het feit dat de parkeerplaatsen zich niet binnen acceptabele loopafstand bevinden en vanwege het feit dat het moeilijk zou zijn om vanuit de supermarkt naar de parkeerplaatsen te lopen. Eisers verwijzen in dit kader ook naar het rapport “ [rapport] ” van het Kennisplatform Verkeer en Vervoer. Verder betogen eisers dat de afmetingen van de geplande parkeerplaatsen niet voldoen aan de minimale eisen (NEN 2443). Volgens eisers neemt bovendien de ruimte voor het in- en uitparkeren van de haaksparkeerplaatsen door de geplande plantenrekken af. Tot slot betogen eisers dat verweerder ten onrechte negen parkeerplaatsen aan de openbaarheid heeft onttrokken.

17. De rechtbank volgt het betoog van eisers niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit terecht verwezen naar de Parkeernota Heerlen (de parkeernota), vastgesteld op 2 november 2010, op grond waarvan volgens verweerder 36 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Immers, de Parkeernota 2016, waarnaar eisers hebben verwezen, was ten tijde van het bestreden besluit nog niet in werking getreden. Verder volgt uit de parkeernota dat het uitgangspunt is dat het benodigd aantal parkeerplaatsen dient te worden gerealiseerd op eigen terrein, bij voorkeur zoveel mogelijk ondergronds. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, tot het verlenen van ontheffing van de eis dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein mocht besluiten op de grond dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Daarbij heeft verweerder mogen uitwijken naar de openbare ruimte. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de vereiste parkeergelegenheid op eigen terrein niet realiseerbaar is en het in zoverre wenselijk en noodzakelijk is om af te wijken van de parkeernota. Daarbij heeft verweerder in overweging mogen nemen dat een parkeergarage een dure optie is, die alleen rendabel te maken is door betaald parkeren. De meeste consumenten willen echter bij het doen van hun dagelijkse boodschappen gratis parkeren en ook bij voorkeur op het maaiveld parkeren. Verder heeft verweerder in overweging mogen nemen dat een ondergrondse parkeergarage niet ten goede komt aan de levensvatbaarheid van de andere winkels ter plaatse.

Hetgeen eisers hebben aangevoerd ten aanzien van het parkeergemak volgt de rechtbank eveneens niet. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de te realiseren parkeerplaatsen in het openbaar gebied en de supermarkt, maximaal tussen de 50 meter en de 100 meter bedraagt, zodat daarmee wordt voldaan aan de richtlijnen van het CROW. Dat de verkeersveiligheid hieraan in de weg staat acht de rechtbank niet aannemelijk.

Tevens volgt de rechtbank de betogen van eisers niet dat de afmetingen van de geplande parkeerplaatsen niet voldoen aan de minimale NEN 2443.

Uit de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012 (ASVV 2012) volgt dat de breedte van een parkeerplaats tussen de 2,30 meter en 2,50 meter dient te zijn. Nu de breedte van de haaksparkeerplaatsen 2,40 meter is, voldoen de parkeerplaatsen aan de daarvoor geldende eisen. De ideale breedte voor langsparkeerplaatsen bedraagt twee meter. De lengte dient minimaal 5 meter te zijn en er dient minimaal 6 meter achter de parkeerplaats voorzien te zijn. Daaraan is voldaan. Ook is niet gebleken dat als gevolg van de plantenrekken de ruimte voor het in- en uitparkeren bij de haaksparkeerplaatsen te beperkt zal zijn. Hetgeen eisers hebben aangedragen biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeerplaatsen niet voldoen. Daarbij heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat eisers weliswaar gelijk hebben dat er 15 haaksparkeerplaatsen vervallen zijn, maar – zoals vergunninghoudster nader heeft toegelicht – kan er in de nabijheid van het bouwplan nog extra parkeerruimte worden gerealiseerd. Daarbij is ook niet gebleken dat er verder nog parkeerplaatsen komen te vervallen. Uit de autoturn-tekening omtrent de door het vrachtverkeer te maken draai op de hoek [straat 3] / [straat 4] volgt dat de bocht voor een vrachtwagen met oplegger haalbaar is. Niet gebleken is dat de rijcurve niet haalbaar is en dat als gevolg daarvan parkeerplaatsen verloren zullen gaan.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder bij besluit van 29 oktober 2014 ten behoeve van het bouwplan een gedeelte van de [straat 2] en een gedeelte van de [straat 4] aan de openbaarheid heeft onttrokken. Bij besluit van 7 juli 2015 heeft verweerder ten behoeve van het bouwplan 9 parkeerplaatsen aan de [straat 4] aan de openbaarheid onttrokken. Tegen de besluiten van 15 mei 2014 en 7 juli 2015 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. De onttrekkingsbesluiten zijn dan ook in rechte onaantastbaar en vormen daarom een vaststaand gegeven in deze procedure. Hetgeen eisers met betrekking tot de onttrekking van de parkeerplaatsen hebben aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

18. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat het bestreden besluit – voor wat betreft parkeren – in strijd is met de goede ruimtelijke ordening of kennelijk onredelijk is.

Het betoog faalt.

19. Ten aanzien van het geluid betogen eisers dat verweerder weliswaar nader onderzoek heeft laten doen door adviesburo [naam 10] , maar dat onderzoek schiet volgens eisers te kort. Eisers hebben in dit verband onder meer aangevoerd dat verweerder het akoestisch dempend effect van de luifel bij bevoorrading niet aannemelijk heeft gemaakt, althans het is niet meegenomen in de berekeningen. Het mogelijk effect van de luifel op demping van het laad- en losgeluid ontbreekt. Doordat er vanaf de laad- en losplek zicht blijft bestaan op de omliggende woningen, kunnen ook geluidgolven ongestoord en ongedempt de woningen bereiken zonder door de luifel te worden gehinderd. Dat uit het rapport van adviesburo [naam 10] volgt dat de luifel aan de onderzijde wordt voorzien van akoestisch dempend materiaal is volgens eisers onvoldoende. Verder zijn volgens eisers in de berekeningen geen reflecties, die een geluidsversterkende en –concentrerende werking zouden opleveren, meegenomen. Ook zouden er fouten zijn gemaakt bij de berekening met betrekking tot de nachtelijke leveringen/bevoorrading. Verder wordt in het rapport enkel vermeld dat plaatsing van schermen mogelijk plaatselijk een verlaging oplevert van de geluidsemissie, waarmee volgens eisers wordt bevestigd dat de voorgestelde beplanting rond de laad- en losplek akoestisch geen enkel dempend effect zal hebben. Tot slot is volgens eisers het emissiepunt A ten onrechte aangemerkt als [adres 1] in plaats van [adres 2] .

20. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerst tijdens de bezwaarprocedure akoestisch onderzoek heeft laten verrichten. Uit het advies van adviesburo [naam 10] , van 8 december 2015, volgt dat wordt voldaan aan de toelaatbare waarden van 50 dB(a) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht. Voorts heeft verweerder – naar aanleiding van vorenstaand advies – een maatwerkvoorschrift opgelegd, inhoudende dat de bevoorradingsvoertuigen van de verschillende toeleveranciers in de nachtperiode (23:00 uur tot 07:00 uur) geen gebruik mogen maken van de geluidssignalering die bij het achteruitrijden ten gehore wordt gebracht. Daarbij heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift opnieuw advies gevraagd aan het adviesburo [naam 10] . Op 21 juli 2016 is advies uitgebracht, waarbij rekening is gehouden met hetgeen door eisers is aangevoerd. Uit het advies volgt wederom dat wordt voldaan aan de toelaatbare waarden van 50dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht. Daarbij zijn in het rapport enige kanttekeningen opgenomen, zoals personeelsleden die in de vroege ochtend op harde tonen communiceren of autodeuren dichtslaan, maar dit zijn vermijdbare klachten, waarover afspraken kunnen worden gemaakt. Die afspraken zullen, zoals namens vergunninghoudster ter zitting is aangegeven, ook worden gemaakt. De rechtbank gaat er verder van uit dat adviesburo [naam 10] is aan te merken als een deskundig onderzoeksbureau met betrekking tot geluid. De rechtbank is niet gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de adviezen van adviesburo [naam 10] , reden waarom verweerder die adviezen aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat eisers slechts met algemene stellingen en niet met een deskundigenrapport of op andere wijze hebben onderbouwd dat de omgevingsvergunning voor hen een onaanvaardbare geluidsoverlast met zich zal brengen.

21. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat het bestreden besluit – voor wat betreft het geluid – in strijd is met de goede ruimtelijke ordening of kennelijk onredelijk is.

Het betoog faalt.

22. Voorts betogen eisers dat verweerder zich – voor wat betreft de economische haalbaarheid van het bouwplan – niet heeft mogen baseren op het Distributieplanologisch onderzoek (DPO), dat is uitgevoerd door BRO, omdat in het rapport onder meer aannames worden gedaan in verband met ongewisse factoren in de toekomst en dat daarom de uitkomsten van de berekeningen niet normatief kunnen zijn.

23. De rechtbank stelt vast dat BRO, in opdracht van verweerder, een DPO heeft uitgevoerd. In het rapport van 2007 is geconcludeerd dat de uitbreiding van de supermarkt tot 1.750 m2 bvo haalbaar zou moeten zijn. Naar aanleiding van het door eisers ingediende bezwaarschrift heeft verweerder de situatie opnieuw laten beoordelen door BRO. In het rapport van 13 januari 2016 komt BRO wederom tot de conclusie dat het plan haalbaar is.

Met dit rapport heeft BRO dus niet een rapport uitgebracht over haar eerdere beoordeling. De door eisers getrokken vergelijking met “een slager die zijn eigen vlees keurt” gaat niet op. Uit het rapport volgt dat de beoogde uitbreiding niet leidt tot onaanvaardbare effecten op de detailhandelstructuur of de consumentenverzorging en in het verlengde daarvan het woon, werk- en leefklimaat. Om het toekomstperspectief van het winkelcentrum, met een belangrijke verzorgende en sociale functie voor het gebied, te borgen is een modernisering en uitbreiding volgens BRO noodzakelijk. De uitbreiding en modernisering van de supermarkt resulteert per saldo in een versterking van de consumentenverzorging en de detailhandelstructuur en draagt bij aan de ruimtelijke omgevingskwaliteit en leefbaarheid. De ruimtelijke functionele effecten zijn niet onaanvaardbaar, aldus BRO. Voorts heeft verweerder naar aanleiding van het beroepschrift van eisers een aanvullende reactie gevraagd aan BRO. In die reactie van 14 juni 2016 wordt geconcludeerd dat hetgeen eisers hebben aangevoerd geen argumenten zijn om de rapportages van BRO in twijfel te trekken. Gelet op de adviezen van BRO ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de ontwikkeling van de supermarkt vanuit een goede ruimtelijke ordening tot een onaanvaardbaar resultaat zal leiden. De rechtbank acht de economische haalbaarheid van de supermarkt op de huidige locatie voldoende gemotiveerd. Verder zijn er – anders dan eisers betogen – geen aanknopingspunten voor het oordeel dat BRO onvoldoende deskundig is om een DPO uit te voeren.

Het betoog faalt.

24. Eisers betogen voorts dat de ruimtelijke kwaliteit zal verslechteren.

25. Ter zitting hebben eisers de rechtbank verzocht om een nader stuk bij het geding te betrekken. Het betreft een advies van ir. [naam architect] , architect. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eisers de voornoemde verklaring onredelijk laat hebben ingediend zodat hij zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden en dit advies deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing behoort te worden gelaten. Uit artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat nadere stukken tot 10 dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring in strijd met de goede procesorde is ingebracht zodat deze niet bij de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

26. De rechtbank stelt voorop dat de woningen van eisers zijn gelegen in een stedelijke omgeving, aan de rand van een buurtwinkelcentrum. Verder wordt de supermarkt deels gerealiseerd op een perceel waar tot 2012 een appartementengebouw heeft gestaan. Dit appartementengebouw bestond uit drie verdiepingen plus een plint en had een hoogte van (circa) 9 meter. De voorziene uitbreiding van de supermarkt bestaat daarentegen uit één bouwlaag met verschillende hoogtes. De maximale hoogte is 6,22 meter. De hoogtes van het bouwplan zijn passend in relatie tot de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Daarbij kunnen eisers – gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling – geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht (zie in dit verband onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1819). Verder stelt de rechtbank vast dat de aan de [straat 3] voorziene gevel van de supermarkt van de voorgevels van de woningen aan de [adres 1] en [adres 5] van elkaar zijn gescheiden door een weg met aan weerszijden een stoep en de voortuin van de betreffende woningen. Hierdoor bedraagt de minimale afstand tussen de gevels (circa) 13 meter. De afstand van de gevel van de supermarkt tot aan de gevel van de woning aan de [adres 6] is groter. Verweerder heeft dergelijke afstanden tussen bebouwing in een stedelijke omgeving in zijn algemeenheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij worden binnen het plangebied bomen aangeplant. Zo worden er aan de kant van de [straat 3] langs de gevels groenvoorzieningen voorzien en wordt aan de kant van de [straat 3] het zicht op het laden en lossen onttrokken door groenvoorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de omgeving, in redelijkheid kunnen oordelen dat van een onaanvaardbare aantasting van woongenot en privacy geen sprake is. Verweerder heeft, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid kunnen stellen dat niet is gebleken dat vergunningverlening leidt tot een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van eisers.

Het betoog faalt.

27. Verder betogen eisers dat er alternatieven zijn waaraan de voorkeur moet worden gegeven. Volgens eisers zou het bouwplan kunnen worden gerealiseerd op de locatie van het voormalig appartementengebouw.

28. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend, het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt is. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat dat het geval is. Verweerder heeft aangegeven alternatieve locaties te hebben onderzocht, maar dat de gekozen locatie de meest geschikte is. Deze locatie is (onder meer) gekozen omdat de gronden (volledig) in eigendom zijn van vergunninghoudster of de gemeente. Tevens heeft verweerder nader toegelicht dat het voorgestelde alternatief, de grond waarop het voormalig appartementengebouw heeft gestaan, deels eigendom is van een vereniging van eigenaren. Vergunninghoudster kan daar dus niet vrijelijk over beschikken. Er hebben bovendien lang verzekeringstechnische kwesties gespeeld en er bestond lange tijd onduidelijkheid over een terugbouwplicht.

Het betoog faalt.

29. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de supermarkt geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verleende omgevingsvergunning voor uitbreiding van de supermarkt niet betekent dat eisers daardoor onevenredig in hun belangen worden geschaad.

Conclusie

30. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2º, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor, in redelijkheid tot de verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan is kunnen komen.

31. Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

32. Het beroep is ongegrond.

33. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 mei 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.