Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:4017

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-05-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
5630684 cv expl 17-243
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internetprovider ontbindt de overeenkomst buitengerechtelijk in verband met wanprestatie en vordert betaling van achterstallige termijnen. Gedaagde stelt de overeenkomst te hebben opgezegd, maar toont dit niet aan. Aan dit verweer wordt daarom voorbij gegaan. Het beroep op de Wet van Dam brengt gedaagde evenmin soelaas omdat deze wet op het moment van verlenging nog niet in werking was getreden en als dit al wel zo was, een opzegtermijn van één maand geldt en gedaagde niet heeft aangetoond te hebben opgezegd. De vordering van eiseres wordt integraal toegewezen.

- Verbintenissenrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5630684 \ CV EXPL 17-243

Vonnis van de kantonrechter van 3 mei 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TELE2 NEDERLAND B.V. COMPLEET ZONDER SCHADE,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde partij heeft, via Leenart & Heemskerk, op 8 oktober 2010 met eisende partij een overeenkomst gesloten betreffende het product Tele2 Internet en Bellen. De overeenkomst is ingegaan per 18 oktober 2010, voor de duur van 12 maanden en zou aansluitend, behoudens een rechtsgeldige opzegging, met inachtneming van de contractuele opzegtermijn stilzwijgend worden verlengd voor onbepaalde tijd. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van eisende partij van toepassing.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 382,72 (opgebouwd uit € 269,55 aan hoofdsom, € 38,17 aan rente en € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisende partij stelt dat gedaagde achterstallig is met de volgende facturen:

  • -

    26 mei 2011 € 29,95

  • -

    26 juni 2011 € 29,95

  • -

    26 juli 2011 € 29,95

  • -

    26 augustus 2011 € 29,95

  • -

    26 september 2011 € 29,95

  • -

    26 oktober 2011 € 29,95

  • -

    26 november 2011 € 29,95

  • -

    26 december 2011 € 29,95

  • -

    26 januari 2012 € 29,95

4.2.

Gedaagde partij stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst door de verhuizing, die op 6 april 2011 is doorgegeven, is geëindigd, zodat eisende partij geen vordering kan hebben. Ter adstructie van dit verweer legt gedaagde partij een e-mail van de klantenservice van eisende partij over d.d. 6 april 2011. In die e-mail bevestigt eisende partij de ontvangst van het verhuisbericht en deelt zij mede dat de nieuwe aansluiting omstreeks de aangegeven verhuisdatum gerealiseerd zal worden. Verder wijst gedaagde partij op artikel 10.3 van de algemene voorwaarden waarin het volgende staat vermeld:

“Indien de Klant verhuist naar een ander adres wordt de Overeenkomst onveranderd voortgezet, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is (bijvoorbeeld omdat Dienst op de nieuwe postcode van de Klant niet geleverd kan worden). In dat geval zijn de Klant en Tele2, met inachtneming van een opzegtermijn van één (1) maand, gerechtigd tot opzegging.”

Gedaagde partij stelt binnen één maand het contract te hebben opgezegd en het modem te hebben geretourneerd.

4.3.

Eisende partij stelt de overeenkomst, na diverse aanmaningen en sommaties, eenzijdig per 18 februari 2012 te hebben ontbonden. Verder betwist eisende partij een opzegging te hebben ontvangen.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat niet is komen vast te staan dat de overeenkomst door opzegging van de zijde van gedaagde partij is beëindigd. Gelet op de hiervoor geciteerde inhoud van artikel 10.3 van de algemene voorwaarden is zowel eisende als gedaagde partij gerechtigd de overeenkomst op te zeggen indien bijvoorbeeld op het nieuwe adres geen diensten geleverd kunnen worden. Gedaagde partij stelt te hebben opgezegd, maar toont dit niet aan. Een schriftelijke opzegging is niet in het geding gebracht. Ook uit de inhoud van de in het geding gebrachte e-mail d.d. 6 april 2011 van de klantenservice van eisende partij kan geen opzegging worden afgeleid. Deze e-mail gaat immers uit van een voortzetting op de nieuwe aansluiting.

4.5.

Gedaagde partij verwijst ook nog naar de zogenoemde Wet Van Dam. In deze wet is bepaald dat stilzwijgende verlenging voor de duur van één jaar niet meer mogelijk is. Het is de kantonrechter echter niet duidelijk wat gedaagde partij met deze verwijzing beoogt. Deze wet is per 1 december 2011 in werking getreden dan wel voor reeds lopende overeenkomsten per 1 december 2012. Op het moment van de verlenging van het contract had deze wet nog geen werking en mocht dit bovendien al wel zo zijn dan geldt een opzegtermijn van één maand. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is niet komen vast te staan dat gedaagde partij de overeenkomst heeft beëindigd.

4.6.

Gelet op het voorgaande wordt daarom in rechte uitgegaan van de beëindiging per 18 februari 2012. Dit houdt in dat gedaagde partij gehouden is de factuurbedragen tot aan de beëindiging te voldoen. Gedaagde partij heeft in dit verband aangevoerd dat er sprake is van verjaring. Zij wijst daarbij op een uitspraak waarin staat vermeld dat diegene die verjaring wenst te stuiten, dient te verifiëren waar de betrokkene woont of in ieder geval gebruik dient te maken van aangetekende verzending. Voor de geldigheid van de stuitingshandeling is onvoldoende dat het niet doorgeven van de adreswijziging kan worden toegerekend aan gedaagde partij.

Eisende partij stelt zich op het standpunt dat door verzending van de aanmaningen de verjaring is gestuit. De gevolgen van het feit dat deze aanmaningen gedaagde partij wellicht niet hebben bereikt als gevolg van diens verhuizing, dient ex artikel 3:37 BW voor rekening van gedaagde partij te komen.

4.7.

Voor zover er geen sprake is van stuiting, geldt dat enkel de facturen van mei tot en met november 2011 verjaard zouden kunnen zijn. De verjaringstermijn van de facturen van december 2011 en januari 2012 eindigt immers respectievelijk op 26 december 2016 en 26 januari 2017. Het exploot van dagvaarding is betekend op 7 december 2016, derhalve binnen de verjaringstermijn van de twee laatste facturen.

Ter discussie staat de vraag of de verjaring is gestuit. Eisende partij stelt dat dit het geval is en verwijst naar de overgelegde aanmaningen. De kantonrechter stelt vast dat een groot aantal van de aanmaningen is verzonden naar het voormalige adres van gedaagde partij in Amersfoort. Echter de aanmaningen van 14 augustus 2015, 18 december 2015, 15 juni 2016, 15 augustus 2016 en die van 21 september 2016 zijn verstuurd naar het huidige adres van gedaagde partij. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat gedaagde partij deze moet hebben ontvangen. De brieven worden als stuitingshandeling aangemerkt, zodat van verjaring geen sprake is.

4.8.

Nu het verweer van gedaagde partij is verworpen, staat de vordering van eisende partij als niet weersproken vast en kan deze worden toegewezen, met inbegrip van de gevorderde rente en incassokosten.

4.9.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 82,83

  • -

    griffierecht 117,00

  • -

    salaris gemachtigde 120,00 ( 2 x tarief € 60,00)

totaal € 319,83

4.10.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 382,72, vermeerderd met de wettelijke rente over € 269,55 vanaf 16 november 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 319,83,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: