Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:3062

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
04 5396827 cv expl 16-9427
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. De betwisting van de datum van ontvangst van de veertiendagenbrief is onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1798
Prg. 2017/162

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5396827 \ CV EXPL 16-9427

Vonnis van de kantonrechter van 5 april 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FAMED B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eisende partij,

verder te noemen Famed,

gemachtigde Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij] ,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PreMeo Thuisvaccinatie V.O.F. is een zorgverlener.

2.2

PreMeo Thuisvaccinatie V.O.F. heeft in opdracht van [gedaagde partij] medische behandeling(en) verricht ten behoeve van [gedaagde partij] .

2.3.

De kosten voor die medische behandeling bedroegen € 115,35 en zijn door Famed aan [gedaagde partij] op 17 maart 2016 gefactureerd.

2.4

Op 4 mei 2016 heeft Famed aan [gedaagde partij] een aanmaning verzonden. [gedaagde partij] is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen 16 dagen na dagtekening van die brief alsnog, zonder verdere kosten, de factuur van 17 maart 2016 te voldoen.

2.5

[gedaagde partij] heeft de factuur op 30 mei 2016 aan Famed voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Famed vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Famed ten grondslag de in eerste instantie door [gedaagde partij] onbetaald gelaten factuur van 17 maart 2016. Bij brief gedateerd op 4 mei 2016 is aan [gedaagde partij] een zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ verzonden waarbij [gedaagde partij] een ruimere betalingstermijn is gegund dan artikel 6:96 lid 6 BW voorschrijft. [gedaagde partij] heeft uiteindelijk de factuur wel betaald, doch niet binnen de gestelde termijn, waardoor hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

3.3.

[gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij verweert zich met de stelling dat geen sprake is van geldige cessie van de vordering van PreMeo Thuisvaccinatie VOF aan Famed. Ten tweede stelt [gedaagde partij] dat hij het bedrag van € 115,35 onverschuldigd heeft betaald, aangezien hij verzekerd is voor dergelijke zorgkosten. Ten derde voert [gedaagde partij] aan dat hij de veertiendagenbrief pas op 30 mei 2016 ontvangen heeft en derhalve op 30 mei 2016 tijdig betaald heeft en geen incassokosten verschuldigd is. Tot slot stelt [gedaagde partij] dat de brief van 4 mei 2016 niet kwalificeert als een veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of Famed ontvankelijk is in haar vordering, nu [gedaagde partij] stelt dat geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige cessie omdat dit nergens uit blijkt. Bij conclusie van repliek licht Famed de door haar gestelde cessie uitgebreid toe en onderbouwt haar stelling met bescheiden. Bij conclusie van dupliek betwist [gedaagde partij] deze onderbouwing en toelichting niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Famed voldoende aangetoond dat de vordering rechtsgeldig aan haar is overgedragen. Famed is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

4.2.

Vervolgens wordt toegekomen aan het verweer dat de factuur van 17 maart 2016 door [gedaagde partij] onverschuldigd is betaald, omdat hij verzekerd is voor zorgkosten. De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde partij] niet betwist de medische behandeling door PreMeo Thuisvaccinatie B.V. te hebben ondergaan. [gedaagde partij] , en niet zijn zorgverzekeraar, is hiervoor dan ook een vergoeding verschuldigd. De vraag of de zorgverzekeraar de zorgkosten vervolgens aan [gedaagde partij] vergoed, dan wel op verzoek van [gedaagde partij] rechtstreeks aan de zorgverlener betaalt, speelt tussen [gedaagde partij] en zijn zorgverzekeraar. Dit raakt Famed niet, die de gemaakte zorgkosten immers rechtstreeks bij degene die de zorg heeft ontvangen kan verhalen. [gedaagde partij] was derhalve jegens Famed gehouden de factuur van 17 maart 2016 te voldoen. Van onverschuldigde betaling is geen sprake.

4.3.

Met betrekking tot de stelling van [gedaagde partij] dat hij tijdig heeft betaald, omdat hij de brief van 4 mei 2016 pas op 30 mei 2016 heeft ontvangen, overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 6:96 lid 6 BW bepaalt dat de buitengerechtelijke incassokosten pas verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De aanmaning is een verklaring als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW. Daardoor heeft zij – afgezien van de in dat derde lid genoemde uitzonderingen – pas haar werking indien zij de schuldenaar heeft bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen (vgl. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 (Centavos/[C])). De in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn vangt derhalve aan daags na die waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen. Dat strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar in ieder geval (de volle) veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.

4.4.

Wanneer de schuldeiser jegens een consument-schuldenaar aanspraak maakt op betaling van buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 BW, rusten op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die stelplicht omvat dat en op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen. Indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de schuldenaar aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief aldaar (op zijn laatst) is aangekomen. Indien de schuldenaar daarentegen slechts de door de schuldeiser gestelde datum van ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen. (vgl. het hiervoor in r.o. 4.3. genoemde arrest Centavos/[C] en HR 21 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).

4.5

[gedaagde partij] betwist niet dat hij de brief van 4 mei 2016 ontvangen heeft, maar wel de datum van ontvangst. Bij [gedaagde partij] ligt daarom in beginsel de stelplicht en bewijslast. [gedaagde partij] heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de brief van 4 mei 2016 hem eerst op maandag 30 mei 2016 heeft bereikt. Bij conclusie van repliek heeft Famed daarentegen uitgebreid toegelicht wanneer de veertiendagenbrief gedateerd 4 mei 2016 is verzonden, wanneer deze in de regel [gedaagde partij] dan zou moeten hebben bereikt en de extra (reserve)dagen die Famed nog in acht heeft genomen om tot een geldige veertiendagentermijn te komen. Dit brengt met zich dat het verweer van [gedaagde partij] , dat hij tijdig heeft betaald omdat hij de aanmaning van 4 mei 2016 pas op 30 mei 2016 heeft ontvangen, niet slaagt.

4.6

De kantonrechter komt tot slot toe aan de stelling van [gedaagde partij] dat de brief van 4 mei 2016 niet kwalificeert als veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde partij] onderbouwt zijn stelling door aan te voeren dat de woorden ‘ontvangen’ en ‘bezorgd’ ontbreken in de brief van 4 mei 2016 en dat staat opgenomen dat binnen veertien dagen ‘na dagtekening van de brief’ buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, in plaats van ‘na aanmaning’.

4.7

De kantonrechter overweegt dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 21 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704) voor de schuldenaar uit de verzonden brief duidelijk moet zijn dat hem de volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking staat. De inhoud van de veertiendagenbrief mag bij de schuldenaar dus niet de onjuiste indruk wekken dat hij de incassokosten al verschuldigd wordt op een datum waarop in werkelijkheid de wettelijke termijn van veertien dagen nog niet is verstreken. Het feit dat niet de exacte wettelijke termen zijn gebruikt in de brief van 4 mei 2016 brengt in dit geval niet met zich dat het voor [gedaagde partij] niet duidelijk was dat hij na ontvangst van de brief nog een termijn van veertien dagen had om de schuld te voldoen. De brief voldoet aldus aan artikel 6:96 lid 6 BW.

4.8.

Nu het door [gedaagde partij] gevoerde verweer niet slaagt, komt de kantonrechter toe aan een beoordeling van de vordering. Famed maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Dit Besluit is inderdaad van toepassing nu het verzuim van [gedaagde partij] op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Famed heeft aan [gedaagde partij] een aanmaning gestuurd die – zoals hiervoor reeds overwogen - voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.9

De door Famed gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 3 augustus 2016 zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen door [gedaagde partij] geen verweer gevoerd is.

4.10

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Famed worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 80,77

  • -

    griffierecht 117,00

  • -

    salaris gemachtigde 60,00 ( 2 x tarief € 30,00)

totaal € 257,77.

[gedaagde partij] heeft verzocht om over te gaan tot een lagere proceskostenveroordeling omdat Famed – zo stelt [gedaagde partij] – niet aan haar substantiëringsplicht zou hebben voldaan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit verzoek in te willigen. In de dagvaarding moet Famed melding maken van de eerder door [gedaagde partij] tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor. Echter, verweren waarmee Famed niet bekend is, hoeven uiteraard niet te worden vermeld. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] eerder rechtens relevant en onderbouwd verweer heeft gevoerd tegen onderhavige vordering. De kantonrechter kan op grond van de thans in het geding zijnde processtukken daarom niet vaststellen dat Famed haar substantiëringsplicht heeft geschonden.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Famed te betalen een bedrag van € 40,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van Famed, tot op heden begroot op € 257,77,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Drent en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: