Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:3061

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
04 5441673 cv expl 16-9782
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Royement, nakoming, vaststellingsovereenkomst.

Op verzoek van eiser was zaak geroyeerd omdat partijen een regeling hadden. Gedaagde komt regeling niet na en nadat eiser daarom had verzocht is de zaak terug op de rol geplaatst. De vraag doet zich voor of eiser zijn primaire vordering kan handhaven of dat enkel nakoming van de vaststellingsovereenkomst onderwerp van geschil kan zijn. De kantonrechter oordeelt dat in beginsel alleen nakoming van de vaststellingsovereenkomst kan worden gevorderd, maar omdat er hier sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en artikel 7:905 toepassing mist, kon de vaststellingsovereenkomst worden ontbonden en herleeft de vordering zoals ingesteld bij dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/176
AR 2017/2024
RBP 2017/68
NJF 2017/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5441673 / CV EXPL 16-9782

Vonnis van de kantonrechter van 5 april 2017

in de zaak van:

[eiser] , h.o.d.n. [eiser],

wonend [adres eiser] ,

[woonplaats eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. F.A. Verberk-Elich,

tegen:

de naamloze vennootschap
HAPCO N.V.,

gevestigd te Susteren,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. F.H.I. Hundscheid.

Partijen zullen hierna [eiser] en Hapco worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    het op verzoek van partijen verleende royement van de zaak

  • -

    het verzoek van [eiser] om de zaak weer op de rol te plaatsen

  • -

    de akte uitlating van partijen

  • -

    de rolbeslissing van 10 november 2016 waarbij de hervatting van de zaak wordt toegestaan

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hapco is een adviesbureau en geeft advies op gebieden van werktuigbouwkunde, elektrotechniek en procesindustrie.

2.2.

[eiser] richt zich op het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software.

2.3.

[eiser] en Hapco zijn in mei 2015 een overeenkomst aangegaan, inhoudende dat [eiser] software engineeringswerkzaamheden aan Hapco zou leveren.

2.4.

Op 5 januari 2016 heeft [eiser] twee facturen aan Hapco verzonden, voor een bedrag van respectievelijk € 1.800,48 en € 1.200,32. Op 28 april 2016 zond [eiser] een factuur voor een bedrag van € 3.000,80.

2.5.

Nadat de dagvaarding is uitgebracht, zijn partijen met elkaar in onderhandeling getreden. Dit heeft ertoe geleid dat partijen een minnelijk akkoord hadden bereikt over hun geschil. Ingevolge een e-mailbericht van 26 september 2016, verzonden door de gemachtigde van Hapco aan de gemachtigde van [eiser] , blijkt dat partijen het volgende hadden afgesproken:

“(..)

U deed mij namens uw cliënt het voorstel de onderlinge debatten te regelen aldus dat Hapco aan [eiser] betaalt € 3.300,-- uiterlijk op 1 oktober 2016. Na betaling hiervan wordt door u de dagvaarding ingetrokken en verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting.

Namens cliënte deel ik u mede dat ik dit voorstel aanvaard.
(..)”

2.6.

Nog voor ommekomst van de datum 1 oktober 2016 heeft [eiser] om doorhaling van de procedure op de rol verzocht. Deze doorhaling is door de griffier op 28 september 2016 geëffectueerd.

2.7.

Bij brief van 6 oktober 2016 heeft [eiser] verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen. Bij rolbeslissing van 10 november 2016 heeft kantonrechter – nadat partijen zich daarover schriftelijk hebben kunnen uitlaten – de hervatting van de zaak toegestaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van Hapco tot betaling van:
- € 6.001,60 aan openstaande facturen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldagen van de facturen tot 1 juli 2016, te weten een bedrag van € 151,80, alsmede te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2016;

- € 682,67 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, dan wel vanaf een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tot aan de dag der algehele voldoening;

- de proceskosten en nakosten.

3.2.

Hapco voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hapco voert als meest verstrekkende verweer dat het niet mogelijk is om een reeds definitief doorgehaalde zaak weer op de rol te laten plaatsen. Op dit verweer is reeds bij rolbeslissing van 10 november 2016 beslist, zodat dit verweer hier geen bespreking meer behoeft.

4.2.

Hapco heeft als tweede verweer aangevoerd dat [eiser] met het aangaan van de minnelijke regeling afstand heeft gedaan van het primair bij dagvaarding door haar gevorderde en thans enkel nakoming van de minnelijke regeling onderwerp van geschil kan zijn. [eiser] betwist die stelling en stelt voorwaardelijk afstand te hebben gedaan van haar vorderingsrecht. Aangezien er geen mogelijkheid meer was om de regeling met fatale termijn alsnog na te komen, herleeft de oude schuldpositie tussen partijen, aldus [eiser]

4.2.1.

De kantonrechter overweegt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding (zie artikel 6:217 BW). De in rechtsoverweging 2.5 geciteerde regeling, valt te kwalificeren als een overeenkomst, meer specifiek een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek. Partijen hebben immers ter beëindiging van hun dispuut een allesomvattende regeling getroffen. Met deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen een nieuwe rechtstoestand overeengekomen. Dit heeft in beginsel als gevolg dat [eiser] haar eerdere vordering, zoals die bij dagvaarding is geformuleerd, heeft prijsgegeven. Dit zou anders zijn indien [eiser] in de vaststellingsovereenkomst tot uitdrukking zou hebben laten komen dat haar oude aanspraken jegens Hapco zouden herleven indien Hapco de vaststellingsovereenkomst niet zou nakomen. Een dergelijk voorbehoud is niet gemaakt. Dat er voorwaardelijk afstand is gedaan door [eiser] is de kantonrechter niet gebleken.

4.3.

[eiser] stelt dat er een fatale termijn in de regeling was opgenomen, deze termijn is verstreken en het is dus niet meer mogelijk om de overeenkomst alsnog tijdig na te komen. Om die reden achtte [eiser] zich niet langer gebonden aan de tussen partijen gemaakte regeling, hetgeen zij Hapco ook heeft medegedeeld.

4.3.1.

Niet in geschil is dat in de litigieuze overeenkomst een fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW was opgenomen, namelijk 1 oktober 2016. Hapco heeft die termijn laten verstrijken, hetgeen betekent dat Hapco zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Ingevolge artikel 6:265 BW kan een overeenkomst worden ontbonden indien er sprake is van een tekortkoming in de nakoming en de schuldenaar in verzuim is. Dat is in casu het geval. De vraag die zich dan voordoet is of [eiser] de overeenkomst heeft ontbonden. Die vraag moet naar het oordeel van de kantonrechter bevestigend worden beantwoord. Vast staat immers dat de gemachtigde van [eiser] bij e-mailbericht van

3 oktober 2016 te kennen heeft gegeven dat [eiser] zich niet langer gebonden achtte aan de vaststellingsovereenkomst. Dit kan naar de kantonrechter worden aangemerkt als een schriftelijke verklaring tot ontbinding als bedoeld in artikel 6:267 BW. Duidelijk moet zijn geweest voor Hapco dat [eiser] met haar opmerking bedoelde dat zij geen prijs meer stelde op nakoming van de vaststellingsovereenkomst en deze overeenkomst dus als ontbonden moest worden aangemerkt. In het onderhavige geval heeft de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde vaststelling plaatsgevonden door de partijen gezamenlijk, zodat in dat geval artikel 7:905 BW niet van toepassing is. Het stond [eiser] dus vrij de vaststellingsovereenkomst op de in artikel 6:267 BW voorziene buitengerechtelijke wijze te ontbinden. De kantonrechter verwijst in dit verband naar een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 5 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1328).

4.4.

Het voorgaande betekent dus dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is ontbonden en de oude rechtstoestand tussen partijen herleeft.

4.5.

[eiser] vordert betaling van drie facturen:
- Factuurnummer 20160001 ad € 1.800,48

- factuurnummer 20160002 ad € 1.200,32

- factuurnummer 20160050 ad € 3.000,80.

Totaal € 6.001,60.

4.6.

Hapco heeft zich op het standpunt gesteld dat het werk van [eiser] ondeugdelijk zou zijn geweest en ertoe heeft geleid dat zij een derde heeft moeten inschakelen om het werk van [eiser] te herstellen om haar klant tevreden te houden. Ook heeft die derde het project afgemaakt in plaats van [eiser] zoals was afgesproken. Een en ander is door [eiser] betwist. Wat van dit geschilpunt ook moge zijn, Hapco heeft nagelaten enige rechtsgevolgen aan haar stelling te verbinden. Reeds om die reden passeert de kantonrechter dit verweer van Hapco. Voor zover Hapco hiermee heeft willen betogen dat zij niet gehouden is tot (volledige) betaling van de door [eiser] gezonden facturen, had zij haar stelling nader dienen te onderbouwen. Dit heeft [eiser] niet gedaan.

4.7.

Nu de facturen inhoudelijk niet worden betwist, ligt de vordering van [eiser] voor toewijzing gereed. Dit geldt eveneens voor wat betreft de wettelijke handelsrente ad
€ 151,80 nu die vordering op geen enkele wijze is weersproken door Hapco.

4.8.

[eiser] maakt aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Derhalve ligt deze vordering ad € € 682,67 eveneens voor toewijzing gereed.

4.9.

Hapco zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 95,80

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 (2.0 x tarief € 250,00)

totaal € 818,80.

4.10.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Hapco om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.153,40 vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 6.001,60 vanaf 1 juli 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt Hapco om tegen behoorlijk wijs van kwijting aan [eiser] te betalen

€ 682,67 aan buitengerechtelijke incassokosten en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Hapco in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 818,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening,

5.4.

veroordeelt Hapco tot slot, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel
6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte in het openbaar uitgesproken.

type: SM

coll: ksf