Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2856

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
03/661194-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5109
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor politieman die betrokken was bij een schietincident in Susteren in 2015 waarbij een man zwaar gewond raakte. De politieman heeft geschoten omdat hij vreesde voor een dreigende situatie waarbij burgers of hijzelf het slachtoffer zouden worden. Ondanks dat achteraf van een dergelijke situatie geen sprake bleek te zijn, was de vrees daarvoor volgens de rechtbank gerechtvaardigd. Beroep op putatief noodweer gehonoreerd. De rechtbank heeft het primaire verweer dat volgens de Ambtsinstructie is gehandeld (voldoen aan wettelijke voorschrift ex artikel 42 Wetboek van Strafrecht) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661194-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

domicilie kiezende bij het [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.G.J. Knoops, mr. C.J. Knoops-Hamburger, en

mr. J.A. Baaijens, advocaten kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 december 2016 en 16 maart 2017. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – na vordering wijziging tenlastelegging – kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (een schot-verwonding in/door de linker voet en/of enkel) dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (een gebroken en/

of verbrijzeld rechterbovenbeen met meerdere losse fragmenten en/of zenuwbeschadigingen), dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat er zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde feit wordt bewezenverklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde, om de volgende redenen:

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat het letsel dat is veroorzaakt door de schotverwonding aan de linkervoet/enkel van het slachtoffer niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het causale verband tussen het letsel bij het slachtoffer (de beenbreuk en de zenuwschade aan het rechterbeen) en het schieten van verdachte niet kan worden vastgesteld. Op basis van het dossier kan de kans dat het letsel is veroorzaakt door de worsteling met collega- verbalisanten bij de aanhouding van verdachte, niet als ‘veel geringer’ worden aangemerkt dan de kans dat dit letsel door een kogel/patroon afkomstig van het wapen van verdachte is veroorzaakt.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

In deze zaak dient de rechtbank een oordeel te geven over het handelen van een politiefunctionaris, die in de uitoefening van zijn functie gebruik heeft gemaakt van zijn dienstwapen en daarmee meerdere malen heeft geschoten.

De rechtbank overweegt allereerst dat politiemensen hun werk vaak moeten verrichten onder moeilijke omstandigheden. Daarbij kunnen ze in situaties terecht komen waarin burgers of zijzelf aan levensgevaar worden blootgesteld en dan wordt juist van hen verwacht dat zij deze gevaarlijke situaties tegemoet treden. Door juiste bewapening en een goede training is de politie daarop voorbereid en mag van haar verwacht worden dat geweld enkel wordt toegepast binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit en binnen de kaders van de geldende geweldsinstructie. Daarnaast heeft de politie, evenals iedere burger, het recht zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De politieman in deze zaak ging er vanuit dat de man op wie hij schoot zojuist een vuurwerkbom had gegooid tegen de voordeur van een woning, dat dit mogelijk verband hield met op dat moment in de regio spelend Outlaw Motor Gang-geweld (hierna OMG) en dat de man mogelijk gewapend was. Hij dacht ook dat op het betreffende adres een OMG-lid woonde, terwijl dit achteraf onjuist bleek. De rechtbank realiseert zich dat het achteraf oordelen over een dergelijke situatie, met meer en andere kennis dan die beschikbaar was op het actuele moment waarop de politieman zich in die situatie begaf en moest beslissen binnen een fractie van het moment, niet eenvoudig is. Dat geldt in veel zaken die aan de rechtbank worden voorgelegd, maar het geldt in deze zaak eens te meer nu achteraf is gebleken dat de man die is neergeschoten niet met (een) vuurwerk(bom) heeft gegooid maar met een steen, geen enkele betrokkenheid had met OMG gerelateerd geweld, geen wapens bij zich droeg en ten tijde van het gebeuren ernstig verward/psychotisch was.

Hieronder wordt de politieman aangeduid als verdachte. Degene op wie hij heeft geschoten wordt aangeduid als ‘de man’ of als [slachtoffer] .

De feiten

De meldkamergesprekken

Op 31 mei 2015 omstreeks 22.35 uur komt er bij de meldkamer een melding binnen van het gooien van vuurwerk tegen de voordeur van de woning aan de [adres] . De echtgenoot van meldster zou achter de man aan zijn gegaan.

Even later, omstreeks 22:38 uur belt de echtgenoot van de meldster, getuige [naam] , naar de meldkamer. Hij meldt dat er bij de [adres] vuurwerk tegen het huis is gegooid en dat hij de man die dat heeft gedaan aan het volgen is.2 Getuige [naam] blijft vervolgens aan de lijn met de meldkamer.

Verdachte krijgt omstreeks 22:40 uur van de meldkamer het bericht dat er zojuist vuurwerk is gegooid tegen een woning op de [adres] en dat er iemand achter de man aan loopt. Het zou gaan om een getinte man met een witte hoodie en een spijkerbroek.

Omstreeks 22:42 uur meldt verdachte dat de [adres] een OMG-gerelateerd adres is en dat hij zo daar is.3

Omstreeks 22:43 uur vraagt verdachte hem nogmaals het signalement van de man door te geven. Tevens wordt hem doorgegeven dat de melder samen met een buurtgenoot aan de overzijde van de weg, dus aan de andere kant dan waar de man loopt, zou lopen en de man nog steeds volgt.4

Omstreeks 22:45 uur vraagt de meldkamer aan getuige [naam] of hij al een politieauto ziet naderen. Getuige [naam] meldt enkele seconden later dat hij inderdaad een politieauto ziet en dat de politieauto rechts bij de man stopt. Kort hierna meldt getuige [naam] dat de politieagent heeft geschoten en even later wordt er gemeld dat er meerdere keren is geschoten.5

Omstreeks 22:48 uur meldt verdachte dat hij meerdere malen op de man heeft geschoten, dat hij hem heeft neergeschoten en dat de man gewond is aan zijn benen. Hij meldt ook dat de man niet meewerkt. Verdachte meldt dan ook dat hij collega’s ziet arriveren.6

Omstreeks 22:52 uur meldt verdachte dat de man is geboeid en omstreeks 22.56 uur meldt de chef van dienst die ter plaatse is dat de situatie onder controle is.7

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft bij zijn verhoor8 door de Rijksrecherche verklaard dat hij hoorde van de meldkamer dat er op de [adres] een vuurwerkbom was ontploft. Op dat moment besefte hij dat er in die straat een OMG-lid woonde en verdachte dacht dat het OMG-geweld betrof. Er waren de laatste tijd al vaker soortgelijke aanslagen geweest, waarbij werd gesproken over vuurwerkbommen, maar waarvan achteraf bleek dat het handgranaten waren. De afgelopen woensdag was er een aantal huiszoekingen gedaan, waarbij onder andere handgranaten, raketgranaten, vuurwerkbommen en wapens waren aangetroffen. Er was ook een aantal OMG leden aangehouden. Verdachte was hierdoor op zijn hoede tijdens zijn dienst. Hij had van de meldkamer gehoord dat er burgers achter de man aanliepen en in zijn optiek liepen deze burgers gevaar. Verdachte besloot daarom ter plaatse te gaan.

Toen verdachte ter plaatse kwam parkeerde hij zijn dienstauto tussen de twee burgers (getuige [naam] en getuige [naam] ) en de man met de witte hoodie, zodat zijn dienstvoertuig als buffer kon dienen. De man liep op dat moment van hem weg. Even later draaide de man zich om en kwam in de richting van verdachte lopen. Verdachte is toen uit zijn dienstauto gestapt, omdat hij zich niet veilig voelde. Verdachte liep naar de linker voorzijde van de auto en trok, omdat hij rekening hield met een mogelijke OMG-gerelateerde aanslag, zijn dienstwapen en richtte dat op de man. Verdachte hield er rekening mee dat de man wapens bij zich kon hebben.

Verdachte heeft de man meerdere malen met luide stem aangeroepen met “politie” en hem duidelijk gemaakt dat hij zijn handen moest laten zien. Verdachte wilde zichzelf overtuigen dat de man niets in zijn handen had. De man liep richting de zandweg, draaide zich om en liep vervolgens weer met versnelde pas richting verdachte. Hij ging met zijn rechterhand richting de onderkant van zijn hoodie. Verdachte heeft niet gezien dat de man ook echt onder zijn hoodie ging. Hij ging richting zijn buik. Al die tijd zei de man niets. Verdachte was op dat moment echt bang dat de man een wapen zou trekken of een handgranaat bij zich zou hebben. Dit alles met in zijn achterhoofd het hele OMG-gebeuren van de laatste tijd. Om te voorkomen dat het een noodweersituatie zou worden, heeft verdachte besloten ter aanhouding een schot op de benen van de man te lossen. Verdachte zag aan de reactie van de man dat hij hem geraakt had. De man hinkelde verder. Omdat verdachte vreesde voor de veiligheid van de aanwezige burgers liep hij parallel aan de man mee en bleef daarbij tussen hem en de burgers op een afstand van ongeveer de breedte van een politieauto.

Verdachte riep de man weer meerdere keren aan: “politie”, “laat je handen zien”, “blijf staan”. De man reageerde niet. Verdachte heeft toen een waarschuwingsschot gelost in de lucht. Daar had verdachte op dat moment gelegenheid toe. Eerder had hij dat niet. De man reageerde echter nergens op. Toen zag verdachte dat de man zijn rechterhand bij zijn heup onder zijn hoodie stak. Verdachte kreeg een onheilspellend gevoel van “hoe kan je dat nu doen”. Verdachte was op dat moment bang dat de man een wapen tevoorschijn zou halen. Ook dit relateerde hij weer aan het hele OMG-gebeuren. Dit speelde de hele tijd door het hoofd van verdachte en het gaf in de woorden van verdachte “extra gevaar-zetting waarbij hij alleen was met twee burgers in zijn nabijheid en waarbij een wapen een vuurwapen kan zijn, maar ook een granaat”.

Na het waarschuwingsschot heeft verdachte meermalen gericht geschoten op de benen van de man. Verdachte is achter de man aangelopen de akker in, omdat hij wist dat hij de man had geraakt en dacht dat de man misschien een slagaderlijke bloeding zou kunnen hebben en dat hij hem dan moest helpen. De man draaide zich meerdere keren naar verdachte om, maar liep telkens wel weer door. In zijn latere schriftelijke verklaring heeft verdachte hier nog aan toegevoegd dat hij in de akker in totaal nog vijf keer op de benen van de man heeft geschoten. Hij zag dat de man na het laatste schot onderuit zakte.9

De getuigen [naam] en [naam]

Getuige [naam]10 heeft verklaard dat verdachte verschillende keren tegen de man heeft geroepen dat hij zijn handen moest laten zien, dat hij moest gaan zitten en/of gaan liggen, maar dat dit weinig tot geen effect had. Getuige [naam] heeft tevens verklaard dat verdachte de man bleef aanroepen, ook toen hij samen met de man in de akker liep. De man reageerde er niet op. Op een gegeven moment kwam de man op verdachte af strompelen; het leek alsof de man op wilde staan en verdachte wilde aanvallen.

Getuige [naam]11 heeft verklaard dat verdachte meteen heel hard begon te roepen naar de man. Verdachte riep “stop politie”, “handen laten zien” en “staan blijven”. De man maakte gekke bewegingen met zijn armen en hij ging met zijn hand naar zijn broeksband en hield die even vast. Op het moment dat getuige [naam] de telefoonverbinding met de meldkamer van getuige [naam] overneemt zegt hij: “De politieagent is maar alleen en het is een zeer dreigende situatie hier”.12

De verklaring van aangever [slachtoffer] (de man)

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij op 31 mei 2015 in verwarde toestand in Susteren is beland en een steen tegen de deur van een woning heeft gegooid. Vervolgens is hij verder gelopen. Toen hij bij het weiland aan kwam, zag hij een politieauto, hoorde hij “halt” roepen en hoorde hij een schot. Vervolgens voelde hij pijn in zijn linkervoet. Daarna heeft de politieman nog een tweede schot gelost in zijn rechterbovenbeen. Aangever voelde ineens pijn en het voelde alsof zijn been was omgedraaid. 13

Het letsel

In de medische verklaring staat dat bij aangever een “weke delen letsel enkel links (geen ossaal of neurologisch letsel), kapotte huid en onderliggende structuren, maar geen letsel bot of zenuwen” is waargenomen. Voorts is er rechts een gebroken bovenbeen met meerdere losse fragmenten geconstateerd.14

In de letselschaderapportage staat met betrekking tot het letsel in het rechterbovenbeen van aangever dat er als gevolg van de schotverwonding een verbrijzelingsfractuur is ontstaan, hetgeen heeft geleid tot een zenuwbeschadiging. De forensisch geneeskundige concludeert dat er een causaal verband bestaat tussen de schotverwonding in het rechter bovenbeen en het hierdoor ontstane zenuwletsel.15

Verbalisant [naam]

Verbalisant [naam] , één van de vier collega-verbalisanten die verdachte te hulp is gekomen in de akker, heeft verklaard dat hij bij het onder controle krijgen van de man eerst op zijn schoenen is gaan staan, maar omdat hij zijn benen losrukte vervolgens druk heeft uitgeoefend op de bovenzijde van de kuit van het been dat niet gebroken was. Hij zag dat één van de benen van de man een knik maakte, die anatomisch gezien niet kon. Dat been was vermoedelijk gebroken maar desondanks maakte hij daarmee nog schoppende bewegingen. De andere collega’s pakten de man bij zijn armen met als doel die te fixeren zodat de man geboeid kon worden.16

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: het eerste schot

De rechtbank is, gelet op de verklaring van verdachte dat hij op de man heeft geschoten en dat hij hem heeft geraakt, de verklaring van aangever [slachtoffer] dat hij in eerste instantie in zijn voet is geraakt en de hierboven aangehaalde medische informatie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met het eerste schot [slachtoffer] heeft geraakt in zijn linkervoet, waardoor deze een kapotte huid en kapotte onderliggende structuren heeft opgelopen.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel in de linker voet niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde poging toebrengen zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feit 2: de volgende schoten

De rechtbank is, gelet op de verklaring van verdachte dat hij op de man heeft geschoten en dat hij hem heeft geraakt, de verklaring van aangever [slachtoffer] dat hij door één van de latere schoten in zijn been is geraakt en de hierboven aangehaalde medische informatie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met een later schot [slachtoffer] in zijn rechterbovenbeen heeft geraakt, waardoor [slachtoffer] een gebroken en verbrijzeld bovenbeen heeft opgelopen, hetgeen heeft geleid tot zenuwschade.

Anders dan de raadsman leidt de rechtbank uit de hierboven aangehaalde letselrapportage in combinatie met de verklaring van verbalisant [naam] af dat het letsel in het rechter bovenbeen van aangever een direct gevolg is van de schotverwonding. De rechtbank acht het, gelet op het feit dat verbalisant [naam] bij het benaderen van [slachtoffer] al meteen heeft waargenomen dat diens been in een anatomisch onmogelijke knik lag en hij op dat been bij het onder controle brengen van [slachtoffer] geen druk heeft uitgeoefend, onaannemelijk dat het letsel is ontstaan tijdens de worsteling bij de aanhouding. De rechtbank merkt daarbij op dat de stelling van de verdediging dat tijdens de worsteling bij de aanhouding diverse collega’s op de benen van [slachtoffer] hebben gezeten geen enkele steun vindt in de bij de Rijksrecherche afgelegde verklaringen van de verbalisanten die ter plaatse aanwezig waren.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 31 mei 2015 te Susteren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in/door de linkervoet heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

op 31 mei 2015 te Susteren aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en verbrijzeld rechterbovenbeen met meerdere losse fragmenten en een zenuwbeschadiging, heeft toegebracht door met een vuurwapen een kogel in en/of door het rechterbovenbeen te schieten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie

De verdediging heeft zich – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft onder verwijzing naar de door de verdediging overgelegde schriftelijke beantwoording van door de verdediging gestelde vragen met betrekking tot de IBT-training van politiefunctionarissen door [naam] aangevoerd dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid sub a en sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie. Verdachte heeft op grond van de feiten en omstandigheden die hem op dat moment bekend waren een keuze gemaakt en die keuze was gerechtvaardigd. Verdachte mocht – gelet op de gedragingen van de man – redelijkerwijs aannemen dat de man een voor onmiddellijk gebruik gereed vuurwapen bij zich had (artikel 7 eerste lid sub a). Na het eerste schot was er tevens sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7 eerste lid sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie. Verder is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals verwoord in artikel 7 eerste lid van de Politiewet.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep toekomt op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht, te weten uitvoering van een wettelijk voorschrift, aangezien het gebruik van het vuurwapen door verdachte op grond van alle bekende feiten en omstandigheden, niet voldoet aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet en de artikelen 7 en 10a van de Ambtsinstructie. Daartoe heeft de officier van justitie – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte bij zijn handelen is uitgegaan van een aantal, achteraf onjuist gebleken aannames, in plaats van feitelijkheden. Wanneer wordt uitgegaan van de vastgestelde feiten dat verdachte zijn wapen heeft gebruikt ter aanhouding van een persoon, die een steen tegen een woning heeft gegooid (een verdenking van vernieling dan wel beschadiging van een gebouw) en niet beschikte over een vuurwapen, dan is gehandeld in strijd met artikel 7 eerste lid van de Ambtsinstructie.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De vraag die voorligt, is of verdachte bevoegd was zijn vuurwapen te gebruiken. Als verdachte bevoegd was en binnen het wettelijk kader is gebleven, is hij straffeloos op grond van het bepaalde in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht luidt immers: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift”. De achterliggende gedachte is dat degene die uitvoering geeft aan een wettelijke voorschrift niet geacht kan worden te handelen in strijd met een ander wettelijk voorschrift. Meer toegespitst op deze casus betekent het dat een politieagent die in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening conform het wettelijk kader (de Politiewet en de Ambtsinstructie) geweld toepast, geen strafbaar feit pleegt.

Het wettelijke kader

De bevoegdheid om een verdachte aan te houden volgt uit artikel 53 Wetboek van Strafvordering. Of bij die aanhouding door een politieagent in functie geweld mag worden gebruikt volgt uit artikel 7 van de Politiewet.

In dit artikel 7 van de Politiewet 2012 staat, voor zover relevant, dat een politieambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Het gebruikte geweld moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De uitoefening van het geweld dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

In artikel 9 van de Politiewet 2012 staat dat in de Ambtsinstructie regels worden gesteld ter uitvoering van onder meer artikel 7.

In artikel 7, eerste lid van de Ambtsinstructie staat - voor zover relevant - dat het gebruik van een vuurwapen slechts is geoorloofd om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken (sub a), dan wel om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken en die wordt verdacht van het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving kan zijn (sub b onder 1 en 3).

In de Aanwijzing handelswijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar staat dat ‘redelijkerwijs’ ingevuld moet worden met de inhoud van de melding, de verklaring van getuigen, de controleerbare kennis van de politie over de vuurwapengevaarlijkheid van de aan te houden persoon etc.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 16 juli 2001 tot wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar in verband met verduidelijking van de voorschriften inzake vuurwapengebruik en melding van de aanwending van geweld, staat dat het bij artikel 7 lid 1 sub b onder 3 gaat om een delict dat door zijn (mogelijke) gevolg bedreigend is voor de samenleving of dat kan zijn, bijvoorbeeld een explosieven- of drugstransport.

De beoordeling

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte redelijkerwijs mocht aannemen dat de man op wie hij heeft geschoten een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had en dit tegen personen zou gebruiken.

Uit de hierboven aangehaalde meldkamerberichten volgt dat verdachte niet meer informatie had dan dat de man volgens getuigen vuurwerk tegen (de voordeur van) een woning had gegooid. Op basis van de inhoud van deze melding heeft verdachte dan ook niet redelijkerwijs mogen aannemen dat de man een voor een onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet beschikte over controleerbare kennis van de politie over eventuele vuurwapengevaarlijkheid van de aan te houden man, dat ook de aanwezige getuigen verdachte geen nadere informatie op dit punt hebben verstrekt en dat verdachte ook geen andere informatie op het hier bedoelde punt had.

De vraag waar het om draait is dan ook of verdachte op grond van het feit dat hij (naar achteraf is gebleken ten onrechte) dácht dat een vuurwerkbom was gegooid, dat de woning waartegen dit was gegooid een OMG-gerelateerd adres betrof en dat hij daardoor dacht aan het recente OMG-gerelateerde geweld in de regio en aan de mogelijkheid dat de man wel eens gewapend zou kunnen zijn met een vuurwapen of een handgranaat, redelijkerwijs mocht menen dat de man een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had in de zin van artikel 7 eerste lid onder a van de Ambtsinstructie en dat verdachte daarom ter aanhouding gebruik mocht maken van zijn vuurwapen.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De gedachten en aannames die zich in het hoofd van verdachte afspeelden zijn, gelet op zijn functie en gelet op het feit dat het betreffende gebied in de voorliggende periode meermalen was opgeschrikt door OMG-gerelateerd geweld, begrijpelijk, en ook de vergissing ten aanzien van het adres is niet onbegrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat deze gedachten en aannames op geen enkele wijze werden ondersteund door andere controleerbare, concrete, meer objectieve informatie, hetgeen wel een vereiste is. Op basis van alleen de subjectieve interpretatie van verdachte kan de rechtbank niet oordelen dat verdachte redelijkerwijs mocht menen dat de man een voor een onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had in de zin van artikel 7 eerste lid sub a van de Ambtsinstructie en dat verdachte dus gebruik mocht maken van zijn vuurwapen.

Ook het beroep op artikel 7 eerste lid, sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie gaat niet op. Ook hiervoor geldt dat het enkele feit dat verdachte dacht dat er sprake was van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving kan zijn, maakt nog niet dat het dus geoorloofd is om gebruik te maken van een vuurwapen in de zin van artikel 7, eerste lid sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake was van de situatie als bedoeld in artikel 7 eerste lid van de Ambtsinstructie, zodat verdachte niet handelde ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en hem geen beroep op artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (strafuitsluitingsgrond in de zin van een rechtvaardigingsgrond) toekomt.

4.3

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2 primair: zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie

De verdediging heeft – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld op grond van verontschuldigbare dwaling omtrent de feitelijke situatie dan wel op grond van putatief noodweer, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling mocht verkeren dat er sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 7 eerste lid van de Ambtsinstructie dan wel dat hij verkeerde in een noodweersituatie waarin hij zichzelf en de aanwezige burgers mocht verdedigen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een feitelijke dwaling niet aan de orde is, nu verdachte het vuurwapengebruik heeft gebaseerd op foutieve veronderstellingen in plaats van feitelijke constateringen. Verdachte beschikte over onvoldoende objectieve gegevens om zijn veronderstellingen op te baseren. Voorts acht de officier van justitie het beroep op (putatief) noodweer niet verenigbaar met het eerder gedane beroep op het gerechtvaardigd gebruik van aanhoudingsvuur op basis van de Ambtsinstructie.

5.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten voor wat betreft de in de Ambtsinstructie bedoelde situatie moet komen vast te staan dat verdachte redelijkerwijze in de veronderstelling mocht verkeren dat er sprake was van een in de Ambtsinstructie bedoelde situatie.

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet komen vast te staan dat verdachte niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hijzelf dan wel een ander werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen en dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Voor de beoordeling van deze dwalingsverweren is vooral de verklaring van verdachte van belang, in combinatie met de verklaringen van getuige [naam] en getuige [naam] . De rechtbank dient aan de hand van de hierboven (onder 3) vastgestelde feiten te beoordelen of verdachte een beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten voor wat betreft de in de Ambtsinstructie bedoelde situatie dan wel een beroep op putatief noodweer toekomt.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij ter plaatse is gekomen in de veronderstelling dat er een vuurwerkbom was gegooid, dat hij te maken had met OMG-gerelateerd geweld en met iemand die mogelijk gewapend was. In de beleving van verdachte liepen de twee aanwezige burgers gevaar. De rechtbank is van oordeel dat deze gedachten en aannames, gelet op zijn functie als wijkagent en gelet op het feit dat het betreffende gebied in de voorliggende periode meermalen was opgeschrikt door OMG-gerelateerd geweld, begrijpelijk zijn, en ook de vergissing ten aanzien van het adres is niet onbegrijpelijk.

Eenmaal ter plaatse trof verdachte een man die – naar achteraf is gebleken ongewild en onbedoeld gelet op het feit dat hij ernstig verward was/in een psychose zat– zich heeft gedragen op een wijze die verdachte alleen maar versterkte in zijn gedachten en aannames dat er onmiddellijk gevaar dreigde en dat hij zichzelf en de twee ter plaatse aanwezige burgers moest beschermen tegen een dreigende aanranding.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde door het gedrag van de man, dat hij er door de handbewegingen van de man aan de onderkant van zijn hoodie vanuit ging dat de man ieder moment een vuurwapen of een handgranaat kon trekken met alle gevolgen voor verdachte zelf en de twee aanwezige burgers van dien, en dat hij daarom geschoten heeft.

Verdachte was niet de enige die de situatie als bedreigend heeft ervaren. Ook getuige [naam] en getuige [naam] hebben verklaard dat die situatie bedreigend was, dat verdachte niet reageerde op het aanroepen door de politieagent, rare bewegingen maakte met zijn armen, met zijn handen richting zijn broeksband ging en dat het erop leek dat de man de politieagent wilde aanvallen in de akker.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte zich het dreigende gevaar verontschuldigbaar heeft ingebeeld. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat hijzelf en de twee aanwezige burgers dreigden te worden aangevallen en dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. Verdachte had geen andere, minder vergaande mogelijkheden, om te reageren. Het gebruik van pepperspray was gezien de

weersomstandigheden niet mogelijk en wegvluchten was, gelet op het feit dat verdachte zich als politiefunctionaris ter plaatse bevond en wetend dat hij de man had verwond en uit dien hoofde jegens hem een zorgplicht had, ook niet aan de orde. Ook het schieten op de benen van de man in de akker vond – mede gelet op de verklaringen van de getuigen [naam] en [naam] – plaats in een (putatieve) noodweersituatie.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op putatief noodweer slaagt, dat verdachte niet strafbaar is en dat hij dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu de rechtbank van oordeel is dat het beroep op putatief noodweer het meest passend is bij de feitelijke situatie en dit beroep ook slaagt, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten voor wat betreft de in de Ambtsinstructie bedoelde situatie.

De rechtbank wil wel nog het volgende opmerken. De rechtbank realiseert zich dat [slachtoffer] (deels zwaar) gewond is geraakt als gevolg van door verdachte in de uitoefening van zijn functie als politieagent afgevuurde schoten. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat aan verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat maakt hetgeen [slachtoffer] is overkomen echter niet minder schrijnend. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat zijn leven na mei 2015 ingrijpend en blijvend is veranderd. Zo zal hij zijn leven lang een brace om zijn rechterbeen moeten dragen. Dit herinnert hem niet alleen dagelijks aan het schietincident, maar heeft ook een eind gemaakt aan zijn grote passie: het geven van breakdancelessen. [slachtoffer] had zelfs de ambitie om een eigen dansschool te starten. Die droom zal hij gezien zijn beperking helaas niet meer kunnen realiseren. De rechtbank is zich ervan bewust dat haar oordeel voor [slachtoffer] teleurstellend zal zijn. Dat heeft echter geen rol gespeeld – en dat mag het ook niet spelen – bij haar beoordeling van de strafzaak van verdachte.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert als voorschot een schadevergoeding van 23.272 euro ter zake van de ten laste gelegde feiten. De vordering bestaat uit 3.272 euro aan materiële schade en 20.000 euro aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 maart 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na vordering wijzing tenlastelegging – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Susteren, in ieder geval in de gemeente Echt-Susteren, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotverwonding in/door de linkervoet en/of in/door de linkerenkel, heeft toegebracht door met een vuurwapen een kogel/patroon in/door die linkervoet en/of in/door die linkerenkel te schieten; (onder dit feit 1 primair wordt gedoeld op het eerste schot dat op het genoemde slachtoffer is afgevuurd)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Susteren, in ieder geval in de gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel/patroon in/door de linkervoet en/of in/door de linkerenkel heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (onder dit feit 1 subsidiair wordt gedoeld op het eerste schot dat op het genoemde slachtoffer is afgevuurd)

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Susteren, in ieder geval in de gemeente Echt-Susteren, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en/of verbrijzeld rechterbovenbeen met meerdere losse fragmenten en/of verder/ander schotletsel aan dat bovenbeen en/of zenuwbeschadiging(en), heeft toegebracht door met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, (een) kogel(s)/patro(o)n(en) in en/of door en/of langs het rechterbovenbeen te schieten; (onder dit feit 2 primair wordt gedoeld op de laatste schoten die op het genoemde slachtoffer zijn afgevuurd)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 31 mei 2015 te Susteren, in ieder geval in de gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, (een) kogel(s)/patro(o)n(en) in en/of door en/of langs het rechterbovenbeen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (onder dit feit 2 subsidiair wordt gedoeld op de laatste schoten die op het genoemde slachtoffer zijn afgevuurd)

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Rijksrecherche proces-verbaalnummer 20150048, gesloten d.d. 20 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 230 alsmede het aanvullende proces-verbaal van de Rijksrecherche proces-verbaalnummer 20150048, gesloten d.d. 14 10 2016, doorgenummerd van pagina 231 tot en met pagina 283.

2 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 95 en 96.

3 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 101.

4 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 102

5 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 98.

6 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 103.

7 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 103.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juni 2015, pagina 117-120.

9 Een geschrift inhoudende de verklaring van verdachte d.d. 30 november 2016.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 157-158.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 167.

12 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 98.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juni 2015, pagina 197-198.

14 Geschrift inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 2 juni 2015, pagina 218.

15 Geschift zijnde een rapportage letselschade opgesteld door forensisch geneeskundige [naam] , d.d.5 oktober 2016, pagina 247-251.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 142.