Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2855

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/579 en AWB 17/580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting Saunaclub Yin Yang op grond van de artikel 13b van de Opiumwet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het – gelet op de omstandigheden waaronder de harddrugs is aangetroffen – voldoende aannemelijk dat de in de saunaclub aangetroffen hoeveelheden niet bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De voorzieningenrechter gaat daarom over tot schorsing van de bestreden besluiten en wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/579 en AWB 17/580

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1Yin Yang Exploitatie B.V.,

2Vocu B.V.,

3CS Sauna B.V.

4CS Horeca B.V.

Allen gevestigd te Roermond,

(hierna: verzoeksters),

(gemachtigde: mr. F.J.H.M. Berndsen),

en

de Burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. M.G.G. van Nisselroij).

Procesverloop

Bij besluiten van 23 februari 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast tot sluiting van

alle opstallen aan het perceel [adres] te Roermond, voor de duur van twaalf

maanden, met ingang van 6 maart 2017.

Verzoeksters hebben tegen de bestreden besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Namens verzoeksters zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door J.D.E. van den Heuvel, een kantoorgenoot van gemachtigde en P.N.A. van Wersch, werkzaam bij de gemeente.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om verzoeksters in hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te ontvangen.

3. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het pand en de daarbij behorende aanhorigheden aan de [adres] te Roermond wordt door verzoeksters een ontmoetingscentrum geëxploiteerd onder de naam “Saunaclub Yin Yang” (hierna: saunaclub). Verzoekster 1 is eigenares van de grond, de opstallen en verdere aanhorigheden aan de [adres] te Roermond. Verzoekster 2 is de exploitant en verzoeksters 3, en 4 de huurders.

4. Uit de bestuurlijke rapportage, opgemaakt door de Dienst Landelijke Recherche, volgt dat de politie op 26 november 2016 het pand gelegen aan de [adres] is binnengetreden. Hierbij is 6,92 gram harddrugs, waaronder 2,55 gram cocaïne en 16 xtc tabletten aangetroffen en 4,5 gram softdrugs. De drugs zijn aangetroffen in de lockers van respectievelijk de medewerkers en de bezoekers van de saunaclub. Daarnaast is de drugs aangetroffen op een tafel in peeskamer 23 (0,3 gram cocaïne) en tussen de kussens in de bar van de saunaclub (“beetje” GHB). Ook volgt uit de bestuurlijke rapportage dat bij de doorzoeking een e-mail is aangetroffen van een Duitse klant, genaamd [naam 3] , gericht aan de saunaclub, waarin wordt gewezen op de verkoop van drugs in de saunaclub. Verder wordt in de bestuurlijke rapportage gewezen op een proces-verbaal van een gesprek tussen een opsporingsambtenaar van de politie waaruit zou volgen dat de betreffende prostituee aan de bezoekers van de saunaclub verdovende middelen zou verkopen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs, de inhoud van het e-mail bericht en het gedeelte van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar acht verweerder het voldoende aannemelijk dat er in de saunaclub verdovende middelen aanwezig waren met het oogmerk deze te verkopen, af te leveren en/of te verstrekken.

5. Bij brief van 31 januari 2017 is aan verzoeksters het voornemen kenbaar gemaakt om het lokaal aan de [adres] te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet in samenhang met de hiertoe vastgestelde “Damoclesbeleid 2012 woningen en lokalen” van de burgemeester van Roermond. De door verzoeksters ingediende zienswijze heeft in dit voornemen geen verandering gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder gelast het lokaal aan de [adres] te sluiten voor een periode van twaalf maanden overeenkomstig het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en de door verweerder vastgestelde beleidsregels. Voorts zijn er volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden om af te zien van verweerders bevoegdheid tot sluiting. Verweerder heeft, naar aanleiding van het verzoek om een voorlopig voorziening, desgevraagd aangegeven de uitvoering van het besluit op te schorten tot aan de bekendmaking van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter.

6. Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd wordt in het navolgende nader ingegaan.

7. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

8. Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

9. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld, “Damoclesbeleid 2012 woningen en lokalen” (bekendgemaakt op 27 maart 2012). Volgens die beleidsregels wordt in punt 14 voor lokalen, indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, het lokaal gesloten voor de duur van twaalf maanden.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de bestuurlijke rapportage van 6 januari 2017 volgt dat de politie op 26 november 2016 in de saunaclub in vier lockers van medewerkers van de saunaclub in totaal 4,5 gram softdrugs aangetroffen. Niet in geschil is dat de aangetroffen hoeveelheid van 4,5 gram softdrugs niet de gebruikershoeveelheid van 5 gram overschrijdt. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de politie in 10 lockers van voornamelijk bezoekers van de saunaclub en op de tafel in peeskamer 23 van de saunaclub, in totaliteit 6,92 gram harddrugs, waaronder 2,55 gram cocaïne en 16 xtc tabletten zijn aangetroffen. Niet in geschil is dat de aangetroffen hoeveelheid van 6,92 gram harddrugs de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram overschrijdt, zodat verweerder zich in beginsel op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een handelshoeveelheid die bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden.

11. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365) waar is overwogen dat om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, in redelijkheid kan worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

12. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verzoeksters – gelet op de omstandigheden waaronder de harddrugs is aangetroffen – voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat in de saunaclub aangetroffen hoeveelheden niet bestemd zijn voor verkoop, aflevering, of verstrekking. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de bestuurlijke rapportage van 6 januari 2017 volgt dat de harddrugs voornamelijk in kleine hoeveelheden zijn aangetroffen in de lockers van bezoekers. Ter zitting is nader toegelicht dat er meer dan 300 lockers in de saunaclub zijn en dat alle bezoekers van de saunaclub – direct na binnenkomst – hun spullen dienen op te bergen in een locker. Juist gelet op de geringe hoeveelheid harddrugs die in iedere afzonderlijke locker is aangetroffen is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de aangetroffen harddrugs niet bestemd zijn voor verkoop, aflevering, of verstrekking, maar voor eigen gebruik. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt dat de betreffende personen waar de harddrugs in de lockers is gevonden zijn verhoord door de politie. Het had voor de hand gelegen dat de politie hen had ondervraagd en bijvoorbeeld had gevraagd of zij de harddrugs zelf hadden meegenomen en waar zij de harddrugs hadden gekocht. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat het voor verzoeksters niet mogelijk is om dergelijk onderzoek te doen. Ter zitting is nader toegelicht dat niet wordt geregistreerd wie welke locker in gebruik heeft. Ook de nummers van de lockers worden niet genoteerd. Gelet daarop is niet meer te achterhalen in welke lockers de harddrugs is aangetroffen. Nu het gaat om geringe hoeveelheden bij verschillende (voornamelijk) bezoekers en de aard van de inrichting, een (erotische) saunaclub, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat het om gebruikershoeveelheden gaat die niet bestemd waren voor verkoop, aflevering, of verstrekking. Dit geldt temeer nu uit de bestuurlijke rapportage volgt dat de gevonden xtc pillen qua uiterlijke verschijningsvorm van elkaar verschillen.

14. Ook de in de bestuurlijke rapportage genoemde bijkomende omstandigheden, de schriftelijke verklaring van [naam 3] en de verwijzing een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende als ondersteunend bewijs voor het oordeel dat de aangetroffen drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekken van drugs.

15. Ten aanzien van de e-mail van [naam 3] overweegt de voorzieningenrechter dat in de e-mail een weergave is gegeven van een gesprek dat hij zou hebben gehad met een Roemeense dame, genaamd [naam 4] . Zij zou hem hebben verteld dat zij werd gedwongen drugs te verkopen in de saunaclub en zou hem ook drugs hebben aangeboden.

Onduidelijk is echter gebleven wie [naam 3] is. Daarbij is het ook vreemd dat hij tijdens zijn bezoek niets meldt, maar achteraf wel een e-mail stuurt naar de saunaclub. Ook zegt [naam 3] dat hij bij de politie zou zijn geweest, maar hiervan is in het geheel niets gebleken. In bezwaar hebben verzoeksters een verklaring overgelegd van [naam 4] . Zij heeft verklaard dat de e-mail vermoedelijk van haar ex-vriend is geweest, die haar in een negatief daglicht wilde stellen en haar al enige tijd zou stalken. Uit deze, door verzoeksters overgelegde verklaring, volgt dat [naam 4] is gehoord door de politie. Het proces-verbaal van dit gehoor is echter niet overgelegd door verweerder. Die stukken moeten alsnog worden ingebracht in de bezwaarprocedure. Gelet op de verklaring van [naam 4] , het feit dat [naam 3] haar volledige naam in de e-mail noemt en het tot nu toe onbekend is wie [naam 3] is, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat [naam 3] haar kent. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter in de e-mail van [naam 3] dan ook geen bevestiging voor het standpunt van verweerder dat in de saunaclub wordt gehandeld in verdovende middelen.

16. Ten aanzien van de verwijzing in de bestuurlijke rapportage naar een proces-verbaal van een gesprek dat een opsporingsambtenaar heeft gehad met een vrouw die als prostituee werkzaam zou zijn bij de saunaclub, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder ook dit proces-verbaal niet heeft overgelegd, terwijl ter zitting is gebleken dat verweerder hierover wel beschikt. Er wordt in de bestuurlijke rapportage geciteerd uit een deel van het proces-verbaal, zodat onduidelijk is wat verder is besproken. Bovendien blijkt uit de bestuurlijke rapportage niet wanneer het gesprek heeft plaatsgevonden, zodat het gesprek mogelijk ook jaren geleden kan hebben plaatsgevonden. Evenmin blijkt uit het citaat uit het proces-verbaal wie de betreffende dame is. Daarnaast volgt hieruit ook niet dat de betreffende persoon daadwerkelijk in de saunaclub drugs heeft verstrekt. Immers, zij zou enkel hebben verklaard dat “mannen altijd sniffen op de toilet” en dat “zij een aantal mannen kende die gebruikten en zij het hen gaf. Ik zei tegen haar dat ik het nu begreep en voerden nog een kort gesprek”. Evenmin komen deze verklaringen overeen met de feitelijke situatie. Zo volgt uit de bestuurlijke rapportage niet dat er bijvoorbeeld op de toiletten van de saunaclub resten cocaïne zijn aangetroffen. Zonder enige nadere onderbouwing of onderzoek vormt ook dit deel uit de rapportage geen bevestiging voor verweerders standpunt.

17. De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat op basis van de beschikbare gegevens op dit moment onvoldoende is gemotiveerd dat de bevoegdheid is ontstaan tot het sluiten van de saunaclub voor twaalf maanden vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in de saunaclub. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit om de saunaclub te sluiten naar alle waarschijnlijkheid geen standhoudt in bezwaar. Bepaalde aspecten kan verweerder nog nader onderzoeken. De uitkomst van dergelijk onderzoek is te onzeker, terwijl de sluiting van de saunaclub zeer ingrijpend is. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vooruit te lopen op mogelijk onderzoek dat verweerder in de bezwaarfase nog kan doen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding de verzoeken toe te wijzen in die zin dat de bestreden besluiten worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeksters. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de overige door verzoeksters aangevoerde gronden van hun verzoek onbesproken laten.

18. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

19. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter beschouwt de zaken van verzoeksters als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Bpb. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe en schorst de bestreden besluiten tot

zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeksters;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeksters het betaalde griffierecht van € 666,- vergoedt (tweemaal € 333,-);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-, te betalen aan

verzoeksters.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.