Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2788

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
5299458 CV EXPL 16-8007
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft in opdracht en voor rekening van eiser werkzaamheden als budgetbeheerder uitgevoerd. Eiser vordert terugbetaling van een groot aantal bedragen. Aan de vorderingen legt eiser ten grondslag dat gedaagde toerekenbaar is tekort geschoten cq onrechtmatig gehandeld dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwingen worden de vorderingen grotendeels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5299458 \ CV EXPL 16-8007

Vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.B.G. Gelissen,

tegen:

[gedaagde partij] , h.o.d.n. [X],

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    het pleidooi van de kant van eisende partij en de overgelegde pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde partij is gedurende de periode 1 juli 2012 tot 31 augustus 2015 als budgetbeheerder opgetreden voor eisende partij. Per 31 augustus 2015 heeft eisende partij de samenwerking beëindigd.

2.2.

Per brief van 22 juni 2016 heeft de gemachtigde van eisende partij gedaagde partij verzocht en zo nodig gesommeerd om binnen 14 dagen een bedrag van € 7.538,93 over te maken.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – de vordering gegrond te verklaren, de overeenkomst te vernietigen en veroordeling van gedaagde partij tot:

  • -

    betaling van € 7.539,51, vermeerderd met rente;

  • -

    betaling van € 2.956,50 ter zake terugbetaling honorarium en afsluitkosten, vermeerderd met rente;

  • -

    betaling van € 2.111,07 ter zake immateriële schade, vermeerderd met rente;

  • -

    betaling van de kosten van deze procedure;

  • -

    teruggave van alle stukken;

  • -

    betaling van buitengerechtelijke kosten.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij bij de uitvoering van zijn taak als budgetbeheerder onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel toerekenbaar is tekort geschoten. Verder is er ook sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Zoals hiervoor reeds is weergegeven legt eisende partij onrechtmatige daad, toerekenbare tekortkoming dan wel ongerechtvaardigde verrijking aan de vorderingen ten grondslag. Voor al deze grondslagen geldt dat op eisende partij de stelplicht en - indien aan de orde – de bewijslast rust. Indien niet is voldaan aan de stelplicht wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Dit leidt er vervolgens toe dat de stellingen de vorderingen niet kunnen dragen zodat deze moeten worden afgewezen. Eisende partij heeft een aantal feiten en omstandigheden gesteld die zouden moeten leiden tot de vaststelling dat sprake is van onrechtmatig handelen, toerekenbaar tekort schieten dan wel ongerechtvaardigde verrijking. In deze procedure zal beoordeeld worden of de gestelde feiten en omstandigheden die grondslagen kunnen dragen.

De kantonrechter stelt daarbij voorop dat eisende partij geen schriftelijke overeenkomst of opdrachtbevestiging van het budgetbeheer door gedaagde partij heeft overgelegd. De exacte inhoud van de taak en omvang van de verstrekte opdracht blijft daarom in het ongewisse.

4.2.

Ter zitting heeft gedaagde partij verklaard alle vorderingen te kunnen weerleggen, met uitzondering van een bedrag van € 250,00. Dit deel van de vordering staat daarom als niet weersproken vast en kan aan eisende partij worden toegewezen.

Premie aanvullende verzekering en eigen risico

4.3.

Eisende partij stelt dat hij, door navraag bij de zorgverzekeraar, erachter gekomen is dat hij geen aanvullende verzekering had maar enkel een basisverzekering met een premie van € 96,10 per maand. Gedaagde partij heeft desondanks iedere maand een bedrag van € 111,00 van de rekening van eisende partij afgeschreven onder het mom van aanvullende verzekering. Iedere maand is derhalve een bedrag van € 14,90 te veel afgeschreven met een totaalbedrag van € 566,20. Verder heeft gedaagde partij iedere maand een bedrag van € 30,00 afgeschreven ter zake gespreid eigen risico, hetgeen volgens de zorgverzekeraar niet bleek te kloppen. Over de periode van juli 2012 – augustus 2015 is dus een bedrag van € 1.140,00 te veel afgeschreven, aldus eisende partij.

In totaal is een bedrag van € 1.706,20 te veel van de bankrekening van eisende partij ingehouden.

Gedaagde partij geeft aan wat de hoogte van de premies per maand betrof in 2012, 2013, 2014 en 2015. Van de beheerrekening is in 2015 een bedrag van € 96,10 geïncasseerd en er is nooit een eigen risico, anders dan in rekening gebracht, geïncasseerd. Eisende partij is enkel een prognostisch budgetplan voorgehouden. Een budgetplan moet daarin vooraf op maandbasis voorzien, zeker bij eisende partij omdat altijd het gehele eigen risico werd verbruikt.

De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Zo stelt eisende partij navraag te hebben gedaan bij de zorgverzekeraar, maar een schriftelijke verklaring van de betreffende zorgverzekeraar is niet in de procedure gebracht. Evenmin is aangetoond dat er geen aanvullende verzekering was afgesloten, maar dat wel premie daarvoor werd geïncasseerd. Uit de door eisende partij zelf in het geding gebrachte rekeningoverzichten blijkt dat in 2015 een bedrag van € 96,10 is betaald aan CZ. Dit correspondeert met de door gedaagde partij bij antwoord in het geding gebrachte polis 2015, waarbij is aangegeven dat de premie voor 2015 € 96,10 per maand bedraagt. Ook de polissen van 2014, 2013 en 2012 met vermelding van de maandelijks te betalen premie zijn door gedaagde partij in het geding gebracht. Door eisende partij is niet aangetoond dat er andere of hogere bedragen in rekening zijn gebracht dan de op de polisoverzichten vermelde bedragen. Voor zover de vordering van eisende partij ziet op de afgeschreven kosten ter zake de premie van de zorgverzekering, wordt deze afgewezen.

Greenchoice

4.4.

Eisende partij stelt dat het verschuldigde voorschot voor energie € 101,00 per maand betrof en dat dit bedrag vanaf 1 juli 2015 is gereduceerd tot € 99,00 per maand. Gedaagde partij heeft echter telkens een bedrag van € 125,00 ingehouden. Bovendien is eenmalig € 19,56 betaald en het is onduidelijk waarom deze betaling is gedaan. In totaal is derhalve een bedrag van € 935,56 te veel ingehouden, aldus eisende partij.

Gedaagde partij voert aan dat eisende partij ook ten aanzien van deze vordering het budgetplan als afschrijving ziet. In de periode 1 juli 2014 tot en met 1 december 2014 is maandelijks een bedrag van € 101,00 als voorschot van de verzamelrekening betaald en daarna van de beheerrekening. Volgens de jaarnota moest een bedrag van € 19,56 worden bijbetaald, hetgeen op 10 augustus 2015 is gebeurd samen met het voorschotbedrag.

De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij ook ten aanzien van dit deel van de vordering zijn stellingen in onvoldoende mate heeft onderbouwd. Uit de als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde jaarnota blijkt dat telkens € 101,00 per maand als voorschot in rekening is gebracht. Door eisende partij is niet aangetoond dat er andere c.q. hogere bedragen zijn afgeschreven, zodat ook deze stelling niet is komen vast te staan. In tegendeel, uit de door eisende partij zelf in het geding gebrachte rekeningafschriften volgt dat een bedrag van € 101,00 per maand is afgeboekt op 6-7-2015, 5-6-2015, 6-5-2015,

8-4-2015, 6-3-2016, 6-2-2015, 12-1-2015 en 2-1-2015. Van onrechtmatige afboekingen is niet gebleken. Het deel van de vordering dat ziet op te veel betaalde energiekosten zal dus worden afgewezen.

Schuld UWV

4.5.

Eisende partij stelt dat door toedoen van gedaagde partij een schuld bij het UWV is ontstaan. Gedaagde partij had immers nagelaten om de verhuizing van eisende partij door te geven, waardoor eisende partij te veel subsidie uitgekeerd heeft gekregen. Ter zake deze schuld was een aflossing van € 24,88 per maand overeengekomen maar gedaagde partij heeft een bedrag van € 25,00 per maand afgeschreven. Dit is in totaal € 0,96 te veel. Daarnaast is in de periode januari 2015 – augustus te weinig afgelost. Bij een correcte aflossing zou de schuld in september 2015 € 3.535,00 dienen te zijn, maar deze bedroeg € 3.660,94. Dit houdt in dat € 74,06 is afgelost en het is niet duidelijk wat met het resterende betaalde bedrag van € 125,94 is gebeurd.

Gedaagde partij voert aan dat de Wajong-uitkering door eisende partij, al dan niet samen met een woonbegeleider, is aangevraagd. Eisende partij heeft de gegevens aan het UWV verstrekt. Voor gedaagde partij was er geen aanleiding te twijfelen aan de hoogte van de uitkering.

Het doorgeven van een verhuizing is de taak van eisende partij zelf. Op de afschriften is duidelijk te zien dat er € 24,88 per maand is afgeboekt. Ook hier ziet eisende partij het verschil niet tussen het budgetplan en de daadwerkelijke afschrijvingen, aldus gedaagde partij.

De kantonrechter kan ook ten aanzien van dit deel van de vordering kort zijn. Een deugdelijke feitelijke onderbouwing van de vordering ontbreekt. Bovendien blijkt ook uit de rekeningafschriften dat ten aanzien van de betalingen aan het UWV telkens een bedrag van € 24,88 is afgeboekt. Dit deel van de vordering zal dus worden afgewezen.

Sparen

4.6.

Eisende partij stelt dat hij op 17 augustus 2015 bericht heeft ontvangen dat er € 3,49 over was om te sparen. Volgens de eigen berekening van eisende partij was er echter € 37,00 (vakantiegeld) over om te sparen. Navraag bij het UWV leerde dat er netto € 444,72 aan vakantiegeld is uitgekeerd. Gedaagde partij heeft tot op heden geen verklaring voor het verschil.

Gedaagde partij voert aan dat een en ander hem volstrekt onduidelijk is. Op het rekeningafschrift staat immers duidelijk een bedrag van € 444,72 vermeld.

Het is de kantonrechter niet duidelijk waarop de stellingen van eisende partij zien. Eisende partij verbindt er in elk geval geen duidelijke juridische consequentie aan. Zoals gedaagde partij terecht aanvoert blijkt uit de door eisende partij in het geding gebrachte en meergenoemde rekeningafschriften dat een bedrag van € 444,72 aan vakantiegeld is uitbetaald. Dat dit bedrag niet aan eisende partij is toegekomen, is niet aangetoond.

Aan de niet onderbouwde stellingen van eisende partij wordt voorbijgegaan en de vordering wordt afgewezen.

Naheffing BWGW ad € 320,00

4.7.

Eisende partij stelt een naheffing te hebben gekregen, terwijl over 2015 kwijtschelding was verleend. Niet valt in te zien waarom een kwijtgescholden bedrag wordt afgeschreven.

Gedaagde partij voert aan dat geen spoor te vinden is van een afschrijving van € 320,00.

De kantonrechter is van oordeel dat de door eisende partij geponeerde stelling iedere feitelijke onderbouwing ontbeert. Eisende partij volstaat met een blote stelling, hetgeen onvoldoende is. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Afschrijving in de periode van 2-3 februari

4.8.

Eisende partij stelt dat bedragen van respectievelijk € 117,15 en € 75,05 zonder nadere specificatie zijn afgeschreven. Tot op heden heeft gedaagde partij nog geen duidelijkheid hierover gegeven.

Gedaagde partij voert aan dat het hier om twee automatische incasso’s van het eigen risico van de zorgverzekering gaat.

De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat er bedragen zijn afgeschreven en gedaagde partij geen opheldering verschaft niet zonder meer met zich brengt dat gedaagde partij onrechtmatig handelt, toerekenbaar tekort schiet dan wel ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Eisende partij poneert ook hier een blote stelling, zonder nadere feitelijke onderbouwing. De kantonrechter constateert verder dat eisende partij het door gedaagde partij op dit punt gevoerde verweer niet dan wel onvoldoende heeft weerlegd. De vraag of gedaagde partij al dan niet onvoldoende communiceert is in elk geval onvoldoende om tot vaststelling van de aan de vordering ten grondslag gelegde grondslagen te komen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

€ 5,00 schuld:

4.9.

Op 19 februari 2015 had eisende partij een debetstand van € 5,00 op een rekening waarover gedaagde partij het beheer voerde. Eisende partij stelt dat dit een extra schuld is die niet zou zijn ontstaan indien gedaagde partij zijn werk naar behoren had gedaan. Eisende partij vordert daarom terugbetaling van dit bedrag.

Gedaagde partij voert aan dat dit bedrag op verzoek van eisende partij is overgeboekt naar de rekening-courant van eisende partij.

De kantonrechter is ook van oordeel dat de vordering zowel feitelijke als juridische onderbouwing ontbeert. Verder is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde partij met de gegeven uitleg de vordering voldoende heeft weerlegd. Bij repliek stelt eisende partij nog dat gedaagde partij geen uitleg heeft gegeven over het ontstaan van het negatieve saldo, maar dit is ook niet aan de vordering ten grondslag gelegd. Door eisende partij is niet aangetoond dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld, wanprestatie heeft gepleegd dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt. Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Betalingen aan CZ

4.10.

Eisende partij stelt dat bedragen van respectievelijk € 167,10, € 49,76 en € 70,12 aan CZ zijn betaald zonder enige specificatie.

Gedaagde partij stelt dat het om automatische incasso’s van CZ gaat.

De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij niet heeft aangetoond dat er sprake is van onrechtmatig handelen, toerekenbaar tekort schieten dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing wordt dit deel van de vordering afgewezen.

Betaling van € 1,00 aan Ziggo

De kantonrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de betalingen aan CZ.

Inhoudingen WML

Eisende partij stelt dat iedere maand € 15,00 aan WML is ingehouden, terwijl de rekening € 11,20 is. Dit levert een verschil op van € 3,80 per maand, hetgeen resulteert in een totaalbedrag van € 144,40.

Gedaagde partij voert aan dat het hier net als bij Greenchoice gaat om een verschil tussen het budgetplan en de uiteindelijke afschrijving. Bovendien is eisende partij pas aangemeld bij WML bij het betrekken van de woning per 6 juni 2014.

De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij ook ten aanzien van dit deel van de vordering zijn stellingen in onvoldoende mate heeft onderbouwd. Gedaagde partij heeft ter onderbouwing van zijn verweer de schriftelijke bevestiging van de aanmelding met daarop het viermaandelijks voorschotbedrag en de jaarnota van WML overgelegd en door eisende partij is niet aangetoond dat er andere of hogere bedragen zijn afgeschreven dan op de voornoemde stukken vermelde bedragen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Belastingaangiften

4.11.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij zonder toestemming tot driemaal toe aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan en daarvoor driemaal € 50,00 in rekening heeft gebracht. Gedaagde partij heeft verzuimd om bij de aangifte aftrekposten op te voeren. Gedaagde partij heeft wanprestatie geleverd en is daarom gehouden € 150,00 terug te betalen.

Gedaagde partij voert aan dat de belastingaangiften op verzoek van eisende partij zijn ingediend en dat eisende partij niet in aanmerking kwam voor extra aftrek.

Ook deze vordering mist feitelijke onderbouwing. Eisende partij heeft immers niet aangegeven om welke aftrekposten het gaat en tot welk schadebedrag dit dan leidt. De stelling dat de aangiften zonder toestemming hebben plaatsgevonden, acht de kantonrechter ongeloofwaardig. Gesteld noch gebleken is immers dat eisende partij hiertegen heeft geprotesteerd. Dit blijkt evenmin uit de overgelegde e-mails. In de e-mail van 9 augustus 2015 wordt daarentegen expliciet gevraagd of de belastingaangifte al is ingediend en wat de verwachte teruggaaf zal zijn. Van enig protest blijkt niet. Het ter zake in rekening gebracht bedrag acht de kantonrechter redelijk. Dat een aangifte voor minder dan € 50,00 kan worden gedaan, acht de kantonrechter niet relevant. Ook dit deel van de vordering wordt mitsdien afgewezen.

CAK ad € 484,00

4.12.

Eisende partij stelt de teruggave van het CAK ad € 484,00 nooit te hebben ontvangen.

Gedaagde partij stelt dat eisende partij recht had op teruggave van een bedrag van € 494,00 WTCG. De bijschrijving is op rekeningafschrift d.d. 30 januari 2015 terug te vinden.

Uit de door eisende partij zelf in het geding gebrachte rekeningafschriften volgt dat op 30 januari 2015 een bedrag van € 494,00 is bijgeschreven zoals door gedaagde partij ook is aangevoerd. Verder blijkt dat op 16 januari 2015 een bedrag van € 484,00 is bijgeschreven van het CAK. Dat er bijboekingen hebben plaatsgevonden met de vermelding “aanvulling debetstand”, doet niets af aan de ontvangst van voornoemde bedragen.

Het voorgaande houdt in dat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Aanvulling debetstand:

4.13.

Op 11 januari 2015 is een bedrag van € 500,00 afgeschreven en op 29 januari 2015 een bedrag van € 600,00, telkens onder de noemer “aanvulling debetstand”. Dit houdt in dat eisende partij uit het niets in januari 2015 een schuld van € 1.100,00 zou hebben. Bij deugdelijk beheer was dit niet gebeurd. Verder is op 4, 9, 16 en 30 augustus telkens een bedrag van € 300,00 onder de noemer “boedelreservering” afgeschreven. Gedaagde partij heeft niet aangegeven waar deze bedragen voor bestemd zijn.

Gedaagde partij verwijst naar de rapportage van januari 2015. Voor wat betreft het bedrag van € 1.200,00 voert gedaagde partij aan dat eisende partij gemakshalve vergeet dat aan hem € 1.290,81 is overgemaakt.

De kantonrechter overweegt dat eisende partij ook hier volstaat met het poneren van blote stellingen. Het ligt op de weg van eisende partij, zeker na het gevoerde verweer, inzichtelijk te maken welke juridische consequenties verbonden worden aan de ter zake ingenomen stellingen. Dit heeft eisende partij niet althans in onvoldoende mate gedaan zodat de vordering wordt afgewezen.

Advocaatkosten

4.14.

Eisende partij stelt dat aan advocaatkosten een bedrag van € 354,00 is ingehouden, terwijl de eigen bijdrage € 77,00 bedroeg. Dit levert een verschil op van € 277,00.

Gedaagde partij voert aan dat naast de eigen bijdrage van € 77,00 ook een eigen bijdrage aan mr. Jegers ad € 127,00 is betaald. Verder is een bedrag van € 150,00 tegen finale kwijting betaald ter zake een schuld van eisende partij bij Scivias.

De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde partij met de overlegging van de factuur d.d. 29 oktober 2012 van Jegers Advocaten ad € 127,00 en de overboeking van de eigen bijdrage ad € 77,00 de stellingen van eisende partij op dit punt voldoende heeft weerlegd.

Ten aanzien van het bedrag van € 150,00 is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde partij niet heeft aangetoond dat dit bedrag tegen finale kwijting aan Scivias is betaald. Hierdoor handelt gedaagde partij niet zoals van een redelijk handelend budgetbeheerder mag worden verwacht. Een bedrag van € 150,00 wordt daarom toegewezen.

Huurschuld

4.15.

De kantonrechter kan hierover kort zijn. Door eisende partij is niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er een huurachterstand bestond. Een verklaring van de verhuurder dan wel aanmaningen of sommaties waaruit een en ander zou kunnen worden afgeleid, zijn niet overgelegd. Eisende partij heeft zijn stellingen op dit punt niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

Niet naar behoren verrichte werkzaamheden en afsluitkosten ad in totaal € 2.956,50

4.16.

Eisende partij stelt - kort samengevat - dat gedaagde partij zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht en daarom de vergoeding ad in totaal € 2.750,00 en de afsluitkosten ad € 235,95 dient terug te betalen. Ondanks gedane verzoeken heeft eisende partij nog niet alle stukken retour ontvangen.

Ter zitting is komen vast te staan dat gedaagde partij zich bereid heeft verklaard het gehele dossier aan eisende partij ter beschikking te stellen. De vordering die hierop is gericht wordt daarom toegewezen. Dit houdt vervolgens in dat eisende partij geen belang meer heeft bij terugvordering van de afsluitkosten.

Ten aanzien van de terugbetaling van de beheervergoeding is de kantonrechter van oordeel dat deze moet worden afgewezen. Uit voorgaande rechtsoverwegingen blijkt immers dat niet is komen vast te staan dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld, toerekenbaar is tekort geschoten dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt. De grondslag voor enige terugbetaling komt hiermee aan de vordering te ontvallen.

Immateriële schadevergoeding

4.17.

Eisende partij vordert op de voet van artikel 6:106 BW een bedrag van € 2.111,07. Hij stelt dat hij in eer en goede naam is aangetast en dat hij nog steeds tranen in de ogen krijgt bij het zien van post van instanties als het UWV of Belastingdienst, dat hij bang is voor deurwaarders en dat hij zeer wantrouwend tegenover hulpverleners staat.

Gedaagde partij wijst betaling van immateriële schadevergoeding van de hand.

De kantonrechter overweegt als volgt. De vordering van eisende partij is gebaseerd op 6:106, lid 1 onder b, BW en dan met name dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. Op eisende partij rust de stelplicht en bewijslast van de stelling dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. De kantonrechter is van oordeel dat eisende partij niet heeft voldaan aan de stelplicht. Immers, eisende partij heeft ook nu geen enkele onderbouwing gegeven van zijn stellingen. Bovendien moet het gaan om uitlatingen naar derden die ertoe leiden dat eisende partij in zijn eer en goede naam is aangetast. Hiervan is geen sprake. Evenmin heeft gedaagde onrechtmatigheden gepleegd die leiden tot schending van naam en eer van eisende partij. De vordering wordt daarom op dit punt afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.18.

Bij gebrek aan een gemotiveerde onderbouwing wordt dit deel van de vordering afgewezen.

4.19.

Samenvattend komt de kantonrechter tot het volgende oordeel. Eisende partij vordert allereerst zijn vordering gegrond te verklaren. De kantonrechter ziet niet in welk belang eisende partij bij deze vordering heeft, zodat deze reeds op deze grond wordt afgewezen.

De vordering tot terugbetaling onder 2, 3 en 4 van het petitum wordt toegewezen tot het erkende bedrag van € 250,00 en het in rechtsoverweging 4.15 vermelde bedrag van € 150,00. Over deze bedragen wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 14 juli 2016.

De onder 3 van het petitum geformuleerde vordering tot vernietiging wordt afgewezen.

De vordering tot teruggave van het complete dossier wordt toegewezen.

4.20.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.21.

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.22.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij tot afgifte van het totale dossier aan eisende partij binnen vier weken na betekening van dit vonnis.

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: em