Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2787

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
5288640 CV EXPL 16-7892
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur café-bedrijf met zaaltje

door onvoldoende isolatie kan zaaltje maar 12 keer per jaar gebruikt worden ivm geluidsnormen

huurder zegt overeenkomst zelf op

investeringen die huurder in inventaris heeft gedaan dienen te worden terugbetaald door verhuurder

niet voldaan aan NEN1010 norm is gebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5288640 \ CV EXPL 16-7892

Vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] ONROEREND GOED EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. G.J.J.A. van Zeijl,

tegen:

[gedaagde] , h.o.d.n. " [Y] ",

wonend [adres gedaagde] ,

[woonplaats gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. K.A.M.J. Horsch.

Partijen zullen hierna [X] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de comparitie van partijen welke gehouden is op 19 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] heeft per 9 september 2005 aan [gedaagde] verhuurd een winkelruimte met opslagruimte/magazijn ex artikel 7:290 BW, bestemd voor de uitoefening van een café-bedrijf en een hieraan dienstbare onzelfstandige bovenwoning, staande en gelegen te [woonplaats gedaagde] aan de [adres gedaagde] .

2.2.

De maandelijkse huurpenningen bedragen € 2.208,00 en dienen bij vooruitbetaling voldaan te worden.

2.3.

[gedaagde] heeft de huur opgezegd tegen 31 juli 2016. Op deze dag is de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig geëindigd.

2.4.

Op 1 augustus 2016 is het gehuurde opgeleverd.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[X] vordert in conventie – samengevat –:

  1. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 4.416,00 ten titel van achterstallige huurpenningen en een bedrag van € 10.000,00 ten titel van (restant) geldlening, vermeerderd met de wettelijke rente;

  2. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het verwijderen c.q. ontruimen van aard- en nagelvaste zaken oftewel de gebrekkige oplevering, zoals ter zake – zonder daarmee uitputtend te willen zijn – de bar, de lambrisering en de afzuiginstallatie, en [gedaagde] te veroordelen de daaruit voor [X] voortvloeiende herstel- en reconstructieschade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten voor conservatoir beslag.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in conventie;

3.3.

[gedaagde] vordert in reconventie – samengevat –:

  1. [X] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen het bedrag van € 32.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2016;

  2. [X] te veroordelen tot vergoeding aan [gedaagde] van de investeringen ter zake de verbeterde bovenwoning, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [X] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen het bedrag van € 33.120,00 uit hoofde van huurvermindering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2016;

  4. [X] te veroordelen tot vergoeding aan [gedaagde] van de schade ex artikel 7:208 BW vanwege de gebreken, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  5. [X] te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen de kosten van deze procedure eventueel vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3.4.

[X] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Achterstallige huur

4.1.

De door [X] gevorderde achterstallige huurpenningen ad € 4.800,00 zijn door [gedaagde] ter zitting met zoveel woorden erkend, zodat deze in beginsel toegewezen kunnen worden. [gedaagde] heeft echter een beroep op verrekening van dit bedrag gedaan met de door hem gedane investeringen in het gehuurde die een waarde zouden vertegenwoordigen van (in ieder geval) € 32.500,00.

4.2.

Gelet op de uitdrukkelijke betwisting van [X] ten aanzien van de waarde van de inventaris, zal de kantonrechter met toepassing van het bepaalde in artikel 6:136 BW aan het beroep op verrekening voorbijgaan, nu de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering voor toewijzing gereed ligt.

Restant geldlening

4.3.

[X] vordert voorts betaling van een (restant) geldlening ter hoogte van

€ 10.000,00. [gedaagde] heeft het bestaan van de lening, noch de hoogte van het restant bedrag betwist. Volgens [gedaagde] hebben partijen echter mondeling afgesproken dat de lening pas opeisbaar is bij de verkoop van het gehuurde.

4.4.

Hoewel [X] ter zitting heeft aangegeven niet bekend te zijn met de door [gedaagde] gestelde mondelinge afspraak, blijkt uit de brief van 23 juli 2015 die door [A] namens [X] is verzonden (productie 24 bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie) dat dit weldegelijk een afspraak is die tussen partijen geldt. In deze brief schrijft [A] immers: “(…) Er is toen mondeling overeengekomen dat we € 6.698,- hiervan zouden afboeken als contractvergoeding, het restant as € 10.000,- zou ineens terugbetaald worden na verkoop van de je cafébedrijf. (…)” Niet gesteld of gebleken is dat partijen nadien nog op deze afspraak zijn teruggekomen. Nu voorts vast staat dat het gehuurde thans nog niet is verkocht, is de vordering nog niet opeisbaar en kan [X] dus (nog) geen aanspraak maken op terugbetaling van de lening, zodat dit deel van [X] vordering wordt afgewezen.

Inventaris café

4.5.

[gedaagde] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 32.500,- voor de inventaris van het café. [gedaagde] voert daartoe aan dat hij aanzienlijk heeft geïnvesteerd in de inventaris van het café. Nu [X] niet bereid is de door [gedaagde] gevraagde prijs voor de inventaris te betalen, wil [gedaagde] de inventaris meenemen uit het gehuurde. [X] heeft daarom in conventie gevorderd te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade als gevolg van het verwijderen c.q. het ontruimen van de inventaris. Volgens [X] is het niet mogelijk om (een deel van) de inventaris zoals de bar, lambrisering en afzuiginstallatie, mee te nemen zonder hierbij schade aan het gehuurde toe te brengen omdat deze inventaris aard- en nagelvast met het gehuurde verbonden is. Bovendien is de inventaris door natrekking eigendom geworden van [X] . Wanneer [gedaagde] gebruik wil maken van zijn wegneemrecht heeft [X] er geen vertrouwen in dat [gedaagde] het gehuurde in de oorspronkelijke staat op zal leveren zonder daarbij schade aan te richten.

4.6.

Voor de beoordeling is van belang dat [X] ter zitting heeft verklaard dat de gehuurde horecaruimte is verrijkt door de investeringen van [gedaagde] , waardoor het gehuurde (in de toekomst) makkelijker kan worden verhuurd. Naar het oordeel van de kantonrechter staat daarmee vast dat er sprake is van een waardevermeerdering van het gehuurde waarvan [X] de vruchten plukt ten koste van [gedaagde] . Niet gesteld of gebleken is dat deze verrijking haar grondslag vindt in een rechtshandeling zodat deze verrijking ook als ongerechtvaardigd dient te worden gekwalificeerd. Of daarbij sprake is van natrekking waardoor de inventaris eigendom van [X] is geworden, zoals [X] heeft betoogd, kan in het midden worden gelaten. Zelfs indien dit het geval zou zijn, dan rechtvaardigt een beroep op natrekking de verrijking niet, zodat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking nog tot de mogelijkheden behoort. Nu verder niet in geschil is dat [X] voor de ongerechtvaardigde verrijking geen vergoeding aan [gedaagde] heeft betaald, is [X] dan ook gehouden de schade aan de zijde van [gedaagde] te vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.

4.7.

[X] heeft met betrekking tot de hoogte van het te vergoeden bedrag weliswaar betwist dat de waarde van de inventaris (en dus de verrijking) moet worden getaxeerd op € 32.500,00 zoals [gedaagde] betoogt, maar zij heeft niet nader onderbouwd wat dan wel de waarde van de inventaris zou moeten zijn. [gedaagde] daarentegen heeft zijn vordering onderbouwd met een taxatie van Horeca Makelaardij Totaal van 2 augustus 2016 (productie 27 bij conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie) die, rekening houdende met de huidige economische situatie en het feit dat exploitaties van café-bedrijven in dorpskernen zwaar onder druk staan, de waarde van de inventaris op € 32.500,00 taxeert. [X] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van het standpunt dat dit bedrag onredelijk hoog zou zijn, terwijl dit gelet op haar betwisting wel op haar weg lag. Gelet op het voorgaande komt de door [gedaagde] overgelegde taxatie van Horeca Makelaardij Totaal de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat [gedaagde] vordering in reconventie zal worden toegewezen zoals verzocht.

4.8.

Gelet op het voorgaande heeft [X] geen belang meer bij de door haar in conventie gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen.

Inventaris onzelfstandige woonruimte

4.9.

Ten aanzien van de onzelfstandige woonruimte heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij ook hierin heeft geïnvesteerd waardoor de woning meer waard zou zijn geworden. [gedaagde] wijst daarbij onder meer op de keuken en badkamer die hij geplaatst heeft en de vloeren en stoffering van de woning.

4.10.

[X] stelt dat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst (mondeling) hebben afgesproken dat [gedaagde] de kosten van de inventaris van de woning voor zijn rekening zou nemen. Nu [gedaagde] zelf de huurovereenkomst heeft opgezegd, kan het niet zo zijn dat hij het geïnvesteerde bedrag op [X] kan verhalen.

4.11.

De kantonrechter is ter zitting gebleken dat [gedaagde] heeft erkend dat partijen hebben afgesproken dat hij de kosten met betrekking tot de woning voor zijn rekening zou nemen. Slechts wanneer [gedaagde] zodanige investeringen gedaan zou hebben dat de woning daardoor nu nog steeds meer waard zou zijn, zouden deze investeringen voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan echter geen sprake nu het gaat om een keuken, badkamer, vloer en stoffering die inmiddels 10 jaar oud zijn en daardoor (grotendeels) als afgeschreven kunnen worden beschouwd. Voor zover er al sprake zou zijn van enige restwaarde van het geïnvesteerde, is de kantonrechter van oordeel dat dit ruimschoots wordt gedekt door de in de loop der jaren door [X] kwijtgescholden huurachterstanden van zo’n € 7.000,00 en de huurprijsverlaging die is doorgevoerd. Daarbij komt dat [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat de woning al twee tot drie jaar is onderverhuurd en dat hij daaruit huurinkomsten heeft ontvangen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter aanleiding ziet de vordering van [gedaagde] op dit punt af te wijzen. Nu de overige door [gedaagde] gestelde posten niet verder zijn onderbouwd, zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen.

Huurvermindering

4.12.

[gedaagde] vordert in reconventie een huurvermindering die zijn grondslag vindt in een gebrekkige isolatie van het gehuurde. [gedaagde] voert daartoe aan dat de zaal onvoldoende geïsoleerd zou zijn waardoor [gedaagde] de geluidsinstallatie niet (voldoende) heeft kunnen gebruiken zonder overlast te veroorzaken en de door de gemeente vastgestelde geluidsnorm te overtreden. Hierdoor was het niet mogelijk om meer dan 12 feesten en partijen per jaar in de zaal te houden (zoals door de gemeente is toegestaan), waardoor

[gedaagde] inkomsten is misgelopen en uiteindelijk de exploitatie heeft moeten staken.

[gedaagde] stelt dat hem bij het aangaan van de huurovereenkomst niet duidelijk was dat hij de geluidsinstallatie niet (optimaal) kon gebruiken. Hierdoor is [gedaagde] er ten onrechte van uitgegaan dat hij de bijbehorende zaal bij het café met enige regelmaat kon exploiteren voor feesten en partijen waarbij een behoorlijke geluidsinstallatie onontbeerlijk was.

4.13.

[X] voert als meest verstrekkende verweer dat de vordering van [gedaagde] is verjaard omdat reeds vijf jaren verstreken zijn dan wel dat sprake is van rechtsverwerking. Voorts betwist [X] dat de isolatie een gebrek is. [X] voert daartoe

- samengevat - aan dat zij nooit op de hoogte is geweest van [gedaagde] plannen om feesten en partijen in het zaaltje te organiseren. Verder voert zij aan dat [gedaagde] vóór het sluiten van de huurovereenkomst wist welk geluidsniveau volgens de gemeente in het gehuurde was toegestaan en welk geluidsniveau, na verbouwing van het gehuurde, realiseerbaar dan wel haalbaar zou zijn. [gedaagde] was immers al jaren gast van het café en was bekend met het akoestisch onderzoek dat door Bureau Geluid is uitgevoerd en is neergelegd in een rapport van 12 januari 2005 (productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie).

4.14.

Veronderstellend dat van rechtsverwerking en verjaring geen sprake is, dient voordat kan worden beoordeeld of de isolatie als een gebrek moet worden gekwalificeerd, eerst te worden beoordeeld wat partijen hebben bedoeld met het in de huurovereenkomst opgenomen gebruik als “café-bedrijf”.

4.15.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat het altijd zijn bedoeling is geweest om, naast het exploiteren van het café-gedeelte, zeer regelmatig feesten en partijen te organiseren in (met name) de zaal, waarbij het aantal decibellen hoger zou zijn dan in het café-gedeelte. De vraag is echter of partijen dit ook daadwerkelijk hebben bedoeld af te spreken. [X] betwist van dergelijke plannen op de hoogte te zijn geweest en voert aan dat zij altijd ervan is uitgegaan dat [gedaagde] het zaaltje met name zou gebruiken om koffietafels en dergelijke te houden, die beduidend minder decibellen produceren dan een feest of een partij. Desgevraagd ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij het door hem voorgestane gebruik van het zaaltje ook nooit uitdrukkelijk met [X] heeft besproken, net zoals overige inhoudelijke zaken betreffende de exploitatie van het gehuurde niet uitdrukkelijk tussen partijen aan de orde zijn geweest of vastgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat partijen met het gebruik als “café-bedrijf” ook het zeer regelmatige gebruik van het zaaltje ten behoeve van feesten en partijen hebben bedoeld, waarbij een hoger dB(A) zal worden gerealiseerd dan bij de exploitatie van een café. Dat in het rapport van Bureau Geluid wordt gesproken van een “bruin café met muziekinstallatie” kan niet tot een ander oordeel leiden. Niet kan worden vastgesteld dat hiermee gedoeld wordt op het zeer regelmatige gebruik van het zaaltje ten behoeve van feesten en partijen.

4.16.

Daarbij komt dat [gedaagde] het pand goed kende, omdat hij er regelmatig kwam en hij de beschikking had over de uitkomsten van het akoestisch onderzoek Bureau Geluid. Hierin staat in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven welke activiteiten binnen de geluidsnormen vallen. Hoewel [gedaagde] stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de uitkomsten van dit onderzoek vóór het aangaan van de huurovereenkomst, volgt de kantonrechter dit niet. Ter zitting heeft [X] er immers - onweersproken - op gewezen dat op basis van dit rapport partijen in goed overleg opdracht hebben gegeven aan de firma [B] B.V. om de geadviseerde isolatie in de zaal aan te brengen. [B] B.V. heeft vervolgens een offerte aan [gedaagde] gestuurd (productie 8 bij conclusie van antwoord in reconventie). Uit deze offerte blijkt dat [B] B.V. zich heeft gebaseerd op het voormelde akoestisch onderzoek van Bureau Geluid. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat Bureau Geluid (voorafgaand aan de totstandkoming van de huurovereenkomst) onderzoek heeft gedaan en vaststaat dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven om de door Bureau Geluid geadviseerde isolerende maatregelen te treffen, kan het naar het oordeel van de kantonrechter niet zo zijn dat [gedaagde] niet op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de uitkomst van het onderzoek van Bureau Geluid, zeker nu dit kennelijk voor [gedaagde] belangrijke gevolgen kon hebben voor de exploitatie van de zaal. Voor zover [gedaagde] inderdaad niet bekend zou zijn geweest met de uitkomst van het onderzoek, is de kantonrechter van oordeel dat het in ieder geval op zijn weg had gelegen hierover navraag te doen bij [X] dan wel bij het Bureau Geluid zelf, aangezien hij op grond van de offerte van [B] B.V. wist dat er een onderzoek had plaatsgevonden en het kennelijk belangrijk voor [gedaagde] was dat er zeer regelmatig feesten en partijen in de zaal konden worden gehouden. De afwachtende houding die [gedaagde] in deze heeft aangenomen, dient nu voor zijn eigen rekening te komen.

4.17.

Al het voorgaande, in samenhang met de inhoud van de huurovereenkomst bezien, leidt tot de slotsom dat er betreffende de isolatie geen sprake is van een gebrek dat een huurprijsvermindering zou kunnen rechtvaardigen. Het gehuurde kan immers daarvoor gebruikt worden waar het volgens de huurovereenkomst voor is bedoeld: de exploitatie van een café-bedrijf. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat partijen andere kenbare bedoelingen hadden ten aanzien van het gebruik of dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand zou zijn gekomen. Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] tot huurprijsvermindering reeds daarom zal moeten worden afgewezen.

Schadevergoeding

4.18.

[gedaagde] vordert tot slot nog schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Het gaat daarbij om schade die [gedaagde] als gevolg van gebreken aan het gehuurde stelt te hebben gelden. Naast schade als gevolg van een gebrekkige isolatie betreft dit schade als gevolg van een inbraak omdat het pand niet voldeed aan de NEN1010 .

4.19.

Nu hiervoor reeds is vastgesteld dat ten aanzien van de isolatie geen sprake is van een gebrek, dient de vordering tot schadevergoeding voor zover deze de isolatie betreft, reeds daarom te worden afgewezen.

4.20.

Ten aanzien van de schade als gevolg van het niet voldoen aan de NEN1010, wordt het volgende overwogen.

4.21.

Begin februari 2012 heeft een inbraak in het gehuurde plaatsgevonden. [gedaagde] heeft [X] hiervan in diezelfde periode op de hoogte gesteld, gevraagd om naar de deur te komen kijken omdat die niet meer afsluitbaar was en gemeld dat een NEN keuring ontbreekt, hetgeen blijkt uit zijn brieven van 11 augustus 2012 en 15 september 2012, alsmede de brief van [X] van 10 september 2012 (respectievelijk producties 17, 19 en 18 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie). [X] heeft niet betwist dat het gehuurde niet aan het NEN keuring certificaat voldeed, maar stelt zich op het standpunt dat de kosten van de aanpassing van het gehuurde conform de NEN1010 voor rekening van [gedaagde] zelf dienen te komen. Voorts betoogt [X] dat [gedaagde] niet schadebeperkend heeft gehandeld.

4.22.

Op grond van het bepaalde in artikel 7.3 onder c van de huurovereenkomst is [gedaagde] gehouden om op zijn kosten de benodigde onderhoudsabonnementen ter zake herstel en onderhoud van - onder andere - de alarminstallatie af te sluiten, ter waarborging van een juiste werking hiervan en ter voorkoming van schade hieraan. Hoewel [X] stelt dat dit betekent dat hij dus niet verplicht is de kosten van aanpassing van het gehuurde conform de NEN1010 te voldoen, volgt de kantonrechter dit niet. In het artikel 7.3. onder d van de huurovereenkomst is immers bepaald dat de verhuurder gehouden is tot het tijdig en behoorlijk (doen) verrichten van groot onderhoud en grote reparaties aan zowel de binnen- als buitenzijde van het gehuurde waaronder in ieder geval begrepen wordt het vernieuwen van installaties. Tussen partijen is niet in geschil dat de NEN1010 een elektrotechnische laagspanningsinstallatie is die in gebouwen aanwezig dient te zijn. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat groot onderhoud of vernieuwing van deze installatie in beginsel voor rekening van [X] als verhuurder dient te komen. Daar staat tegenover dat [gedaagde] op grond van artikel 7.4 van de huurovereenkomst, in het geval de verhuurder na schriftelijke aanmaning in gebreke blijft het in artikel 7.3 onder d van de huurovereenkomst bedoelde onderhoud te verrichten bevoegd en zo nodig onherroepelijk is gemachtigd om een en ander voor rekening van [X] te verrichten. Nu [gedaagde] voorts op grond van het bepaalde in artikel 9.2 van de huurovereenkomst verplicht is om zich onder de gebruikelijke voorwaarden en bepalingen tegen bedrijfsschade te verzekeren en verzekerd te houden, hetgeen kennelijk wegens het ontbreken van een NEN1010 keurings- certificaat niet (langer) mogelijk was, lag het op de weg van [gedaagde] om [X] schriftelijk in gebreke te stellen t.a.v. het onderhoud en zelf de nodige maatregelen te treffen teneinde (verdere) schade te voorkomen.

4.23.

Voor zover [gedaagde] stelt schade te hebben geleden als gevolg van gebrekkige sloten, dient dit eveneens te worden afgewezen. Ter zitting is vastgesteld dat [X] de sloten heeft vervangen en alle kosten daarvoor heeft gedragen, zodat thans onduidelijk is waarom dit nu nog als een gebrek aan het gehuurde zou zijn aan te merken. Nu verder niet is gesteld of gebleken welke schade [gedaagde] als gevolg hiervan zou hebben geleden, bestaat er geen aanleiding de om de vordering tot te wijzen.

4.24.

De slotsom van al het voorgaande is dat er geen aanleiding bestaat om de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen.

4.25.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

Proceskosten

4.26.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter dat nu partijen zowel in conventie als in reconventie over en weer in het gelijk dan wel ongelijk zijn gesteld, zij hierin aanleiding ziet de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

4.27.

De kosten die gepaard zijn gegaan met het leggen van het beslag dienen echter wel voor rekening van [gedaagde] te komen, nu gebleken is dat [X] op goede gronden beslag heeft laten leggen. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld in de kosten met betrekking tot de beslaglegging. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

  • -

    griffierecht beslagprocedure € 619,00

  • -

    salaris gemachtigde beslagzaak (1x tarief € 300,00) € 300,00

  • -

    kosten beslag deurwaarder € 177,10

totaal € 1.096,10

4.28.

De gevorderde nakosten zullen als niet weersproken op de in het dictum te vermelden wijze worden toegewezen.

4.29.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 4.416,00 ten titel van achterstallige huurpenningen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [X] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [X] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 32.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

5 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

in conventie en in reconventie

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten ten aanzien van het gelegde beslag aan de zijde van [X] gevallen en tot op heden begroot op € 1.096,10,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken.

type: JA/GK

coll: sm