Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2760

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
03/700478-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met meisje van 12 jaar. Geen dwang, maar zeer groot leeftijdsverschil (15 jaar) en daarom seksuele handelingen te kwalificeren als ontuchtig. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Geen sprake van pedofilie of andere seksuele stoornissen. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht en contactverbod, plus taakstraf van 180 uur. Immateriële schadevergoeding van 10.000,00 euro wegens aantasting in de persoon. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging. Nader onderzoek naar de causaliteit van studievertraging vormt een onevenredige belasting van het strafgeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700478-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. Frins, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 maart 2017. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Tevens zijn verschenen het minderjarige slachtoffer [naam slachtoffer 1] en haar ouders. Zij werden ter terechtzitting bijgestaan door hun raadslieden, mr. A.F.G. Pennino en mr. A.P.M. Janssen, advocaten, kantoorhoudende te Kerkrade. Achter gesloten deuren is de vordering van [naam slachtoffer 1] door mr. A.F.G. Pennino nader toegelicht en heeft [naam slachtoffer 1] gebruik gemaakt van het aan haar toekomende spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte meermalen seks heeft gehad met [naam slachtoffer 1] toen zij twaalf jaar oud was.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit bewezen, gelet op de getuigenverklaring van het minderjarige slachtoffer en de bekennende verklaring van de verdachte. Dat de verdachte op een zwakbegaafd niveau functioneert, doet aan het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen niets af.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij stelt zich op het standpunt dat verdachte weliswaar seks heeft gehad met een minderjarig meisje, maar dat het ontuchtige karakter hieraan ontbreekt. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het mentale leeftijdsverschil tussen verdachte en [naam slachtoffer 1] , in tegenstelling tot het verschil in kalenderleeftijd, slechts gering is. De jongere [naam slachtoffer 1] functioneert namelijk op VWO-niveau, waar de oudere verdachte zwakbegaafd is. Het ontwikkelingsniveau is dus als nagenoeg gelijk te beschouwen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er sprake was van een affectieve relatie en dat er absoluut geen sprake is geweest van dwang in enige vorm.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 19 september 2015 heeft [naam aangever] aangifte gedaan tegen [verdachte] , omdat deze seksueel contact heeft gehad met haar 12-jarige dochter [naam slachtoffer 1] . Dit zou onder dwang zijn gebeurd.2

De verdachte heeft zichzelf op 13 september 2015 op het politiebureau gemeld, nadat de ouders van [naam slachtoffer 1] de relatie hadden ontdekt en hij door de vader van [naam slachtoffer 1] bedreigd was.

Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte meteen toegegeven dat hij een (affectieve) relatie had met [naam slachtoffer 1] en dat zij ook seks met elkaar hadden. Daarmee bedoelt hij onder andere dat hij met zijn penis in haar vagina is geweest. Van dwang was echter absoluut geen sprake. De seksuele handelingen zijn begonnen rond carnaval 2015. Ze hebben voor het laatst seks gehad op zaterdag 12 september 2015. Gemiddeld hadden ze twee keer per week seks.3 Deze verklaring heeft de verdachte tijdens de terechtzitting bevestigd. Desgevraagd heeft hij verklaard dat [naam slachtoffer 1] en hij verliefd op elkaar waren en dat hij haar als zijn gelijke zag. Ze had een vrouwelijk lichaam, zag er volwassen uit en gedroeg zich ook zo. Hij wist echter dat [naam slachtoffer 1] maar twaalf jaar oud was. Dat is te jong, geeft de verdachte toe. Hij was zelf op dat moment 27 jaar oud. De seks vond plaats in Geleen, ofwel bij de verdachte thuis of bij [naam slachtoffer 1] thuis. Ze deden het ook als de ouders van [naam slachtoffer 1] thuis waren en sliepen. Ze deden het stiekem, omdat [naam slachtoffer 1] jong was en bovendien is zij familie van de verdachte (achternichtje).

Hij de vagina van [naam slachtoffer 1] binnengegaan met zijn penis en ook met zijn vinger. Hij heeft haar ook gebeft en [naam slachtoffer 1] heeft hem afgetrokken. De relatie heeft ongeveer een half jaar geduurd. Toen zag hij de ernst er niet van in, maar hij weet nu dat een seksuele relatie met een dusdanig jong meisje niet kan. Hij heeft er veel spijt van en zou willen dat hij de tijd kon terug draaien.4

[naam slachtoffer 1] zelf is meermalen als getuige verhoord. Zij verklaart aanvankelijk dat de verdachte haar steeds dwong om seks met hem te hebben, door te dreigen om haar hondje [naam hondje] of haar ouders iets aan te doen. Ook zou hij de slaapkamerdeur afsluiten tijdens de seks, zodat ze niet weg kon. Zowel de telefoon van [naam slachtoffer 1] als de telefoon van de verdachte is uitgelezen en hierin zijn berichten aangetroffen waaruit blijkt dat [naam slachtoffer 1] onder andere aan de verdachte bericht dat de seks erg lekker was, dat ze niet kan wachten om weer bij de verdachte te zijn en dat ze van hem houdt. Geconfronteerd met deze berichten en de verklaring van de verdachte, geeft [naam slachtoffer 1] uiteindelijk in haar verhoor op 31 mei 2016 toe dat ze niet gedwongen is door de verdachte om seks met hem te hebben. Ze heeft eerder wel over dwang verklaard omdat ze bang was dat mensen haar anders gingen beoordelen. Ze verklaart dan ook dat de rechercheurs naar de verklaring van [verdachte] moeten kijken, omdat daar volgens haar de grootste waarheid in staat. Ze verklaart ten slotte dat ze niet weet wat er met de verdachte moet gebeuren, omdat hij haar eigenlijk niets verkeerd heeft gedaan en eigenlijk super lief voor haar was. Ze realiseert zich nu wel dat de relatie niet goed was.5

Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte meermalen seks heeft gehad met [naam slachtoffer 1] , die op dat moment twaalf jaar oud was. Dat uit vorenstaande bewijsmiddelen ook volgt dat er geen sprake is geweest van dwang doet niet ter zake, aangezien seks met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren per definitie strafbaar is gesteld door de wetgever.

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen, die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn om zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Voornoemd artikel beschermt deze jeugdige personen aldus ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.

Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt niet te geven. Uit de hiervoor genoemde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht in dit opzicht als maatstaf voor ogen heeft gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak het leeftijdsverschil tussen de verdachte en [naam slachtoffer 1] niet als gering is te beschouwen. Verdachte was toen 27 jaar en [naam slachtoffer 1] twaalf jaar. Dit leeftijdsverschil (vijftien jaren) is dusdanig groot dat er reeds daarom sprake is van ontucht. Hieraan doet niet af dat het mentale leeftijdsverschil waarschijnlijk minder groot was dan het verschil in kalenderleeftijd. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar mentaal geen verschil voelde tussen [naam slachtoffer 1] en hemzelf, maar dat hij wel wist dat seks met haar niet mocht. Een en ander blijkt ook uit de berichten tussen verdachte en [naam slachtoffer 1] die zij via sociale media uitwisselden. Dat er voorts sprake was van een affectieve relatie waarbij er geen sprake was van dwang, maakt het oordeel ook niet anders. Het is immers juist de bedoeling van de wetgever om jonge meisjes als [naam slachtoffer 1] te beschermen, omdat zij onvoldoende in staat worden geacht om hun integriteit zelf te bewaken. Het verweer van de raadsvrouw, inhoudende dat in deze zaak het ontuchtige karakter aan de seksuele handelingen ontbreekt, wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de destijds 12-jarige [naam slachtoffer 1] , die mede bestonden uit het brengen van zijn penis in haar vagina.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 september 2015 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, telkens met [naam slachtoffer 1] , geboren op 20 september 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

GZ-psycholoog drs. S. Labrijn heeft over de geestvermogens van de verdachte op

12 februari 2016 een rapport uitgebracht. Volgens haar zijn er geen aanwijzingen voor pedofilie of een andere seksuele stoornis. Zij heeft wel vastgesteld dat de verdachte functioneert op een zwakbegaafd cognitief niveau. Voortvloeiend uit die zwakbegaafdheid kon hij zich onvoldoende inleven in [naam slachtoffer 1] en was hij verminderd in staat de sociale context en gevolgen van hun relatie in te schatten. Ook ervaarde de verdachte [naam slachtoffer 1] als van hetzelfde niveau dat hij zelf heeft. De verdachte wist wel dat seksueel contact met kinderen niet is toegestaan, maar hij negeerde dit besef omdat hij meende een gelijkwaardige relatie met [naam slachtoffer 1] te hebben. Op grond van deze bevindingen adviseert de deskundige om de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt het advies van deskundige -gelet op haar bevindingen- over en is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend. De verdachte is echter strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tijdens de proeftijd dienen als bijzondere voorwaarden aan het gedrag van de verdachte te worden gesteld:

  • -

    een meldplicht;

  • -

    begeleiding door de reclassering en

  • -

    een contactverbod met het slachtoffer en haar ouders.

Als strafverzwarende factoren weegt de officier van justitie mee dat het slachtoffer pas twaalf jaar oud was en dat de ontuchtige handelingen gedurende een periode van meerdere maanden hebben plaatsgevonden. Als strafverlagende omstandigheden beschouwt de officier van justitie dat er geen sprake is geweest van dwang, maar van een affectieve relatie. Ook functioneert de verdachte op een zwakbegaafd niveau, waardoor het feit verminderd aan hem kan worden toegerekend.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Aansluitend bij het advies van de psycholoog heeft de raadsvrouw gepleit voor een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld begeleiding van de verdachte door de reclassering. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte beseft dat hij fout was en dat hij geleerd heeft van deze kwestie, waardoor de recidivekans zeer laag is. Iets anders dan een voorwaardelijke straf zal daarom niets toevoegen.

Gelet op het feit dat de wetgever heeft verboden om voor ontucht een ‘kale’ taakstraf op te leggen, heeft de raadsvrouw ervoor gepleit om een klein deel van de voorwaardelijke gevangenisstraf onvoorwaardelijk op te leggen. Dit onvoorwaardelijke deel dient dan gelijk te zijn aan het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast kan een taakstraf worden opgelegd. Hier staat de verdachte ook voor open.

De raadsvrouw heeft ten slotte verzocht om ook het mediacircus bij de strafmaat te betrekken, dat voor deze terechtzitting door het slachtoffer en haar ouders is opgezet.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De destijds 27-jarige verdachte en de destijds 12-jarige [naam slachtoffer 1] hadden gedurende zes maanden een affectieve relatie. Binnen deze (buitenechtelijke) relatie hadden zij ook meerdere keren seks met elkaar. Volgens verdachte gebeurde dit gemiddeld twee keer per week. De ernst van het handelen van de verdachte wordt naar het oordeel van de rechtbank met name bepaald door de zeer jonge leeftijd van [naam slachtoffer 1] (die destijds in het laatste jaar van de basisschool zat) en door het hoge aantal keren dat er sprake was van seks. Ook de omstandigheid dat de verdachte een goede vriend van het gezin was, weegt voor de rechtbank mee; hij heeft het door de ouders van [naam slachtoffer 1] in hem gestelde vertrouwen geschonden.

De strafwet beschermt (de belangen van) jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van [naam slachtoffer 1] geschonden. Dit wordt niet anders wanneer de jongere zelf met de relatie instemt en deze relatie kennelijk ook fijn vond. De wetgever heeft er juist voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen omdat jeugdigen de impact van het handelen nog niet kunnen overzien. Het was verdachte die zich dit als volwassene had moeten realiseren en weerstand had moeten bieden aan de verliefdheid van hem en [naam slachtoffer 1] . Door toch een seksuele relatie met [naam slachtoffer 1] aan te gaan, heeft hij [naam slachtoffer 1] belangen geschonden en dat rekent de rechtbank hem aan. Blijkens de toelichting op de vordering tot schadevergoeding zijn de negatieve gevolgen op het leven van [naam slachtoffer 1] enorm.

Gelet op zijn zwakbegaafdheid en de daaruit voortvloeiende beperkingen, kan het de verdachte echter slechts in verminderde mate worden aangerekend dat hij [naam slachtoffer 1] belangen niet voorop heeft gesteld.

De verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor spijt betuigd en lijkt de ernst van zijn handelen nu in te zien. De psycholoog schrijft in dit verband in haar rapport dat de recidivekans laag is, maar stelt ook dat de verdachte opnieuw verliefd zou kunnen worden op een minderjarige, voortvloeiend uit zijn kinderlijke ontwikkelingsniveau. Zij adviseert daarom een voorwaardelijke straf op te leggen met reclasseringstoezicht. Dit advies wordt ook door de reclassering onderschreven.

Het is nu aan de rechtbank om een strafmaat te bepalen die enerzijds genoegdoening biedt wegens de geschonden belangen van [naam slachtoffer 1] en anderzijds preventief werkt om herhaling door verdachte in de toekomst te voorkomen. Bij het bepalen van de strafmaat moet de rechtbank ook rekening houden met het feit dat artikel 22b lid 1 sub a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De wetgever heeft hierin bepaald dat de strafrechter in geval van een veroordeling wegens een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad, niet mag volstaan met een taakstraf, tenzij deze gecombineerd wordt met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Als uitgangspunt zoekt de rechtbank aansluiting bij de straffen die door haar zelf en door andere instanties in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Het gaat dan om seksuele handelingen met een minderjarige zonder dwang en door een verdachte die niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Hieruit blijkt dat vaak een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf wordt opgelegd. In vergelijking met soortgelijke zaken komt de rechtbank de strafeis van de officier van justitie dan ook buitensporig hoog voor.

De rechtbank acht, alle omstandigheden afwegend en gelet op vorenomschreven strafdoelen, ook in deze zaak een deels voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf de meest passende modaliteit. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank gelijk stellen aan de duur van het al door verdachte ondergane voorarrest, omdat zij van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur geen recht doet aan de omstandigheden van deze zaak. Door daarnaast ook nog een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen, hoopt de rechtbank tot de verdachte te laten doordringen dat zijn handelen maatschappelijk onaanvaardbaar is en dat hij in de toekomst weerstand zal moeten bieden, zoals ook van een volwassene verwacht wordt en verwacht mag worden.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de volgende straf. Zij zal aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen opleggen, waarvan 223 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht zoals hierna in het dictum omschreven. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis opleggen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding wegens immateriële schade en wegens opgelopen studievertraging als gevolg van het ten laste gelegde.

Primair vordert zij € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als voorschot wegens geleden immateriële schade. Ter onderbouwing van dit bedrag wordt verwezen naar categorie 5 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven. Subsidiair vordert zij om aansluiting te zoeken bij categorie 4 van deze Letsellijst. Meer subsidiair verzoekt benadeelde de rechtbank een bedrag aan smartengeld toe te kennen in goede justitie door de rechtbank vast te stellen.

Naast vergoeding van haar immateriële schade vordert benadeelde € 16.100,00 wegens opgelopen studievertraging dan wel als voorschot wegens verlies van arbeidsvermogen.

Ten slotte verzoekt benadeelde om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft in zijn toelichting de onderliggende stukken besproken waaruit de aard en de ernst van de gevolgen van het ten laste gelegde voor de benadeelde [naam slachtoffer 1] blijken. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat in zedenzaken psychisch letsel verondersteld wordt en dit niet aangetoond hoeft te worden door middel van een objectieve diagnose. In verband met de causaliteit heeft de raadsman aangevoerd dat [naam slachtoffer 1] haar leven ondanks haar thuissituatie en problematische jeugd goed op orde had. De situatie is verslechterd na de periode waarin zij slachtoffer werd van ontucht. Ten slotte blijkt uit de praktijk dat voorschotten ook in het strafrecht worden toegewezen, aldus de raadsman.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag voor immateriële schade hoog is en dat zij er eerder voor voelt om aansluiting te zoeken bij categorie 4 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven. De gevorderde schade wegens studievertraging vindt zij lastig te beoordelen, omdat uit de overgelegde stukken naar voren komt dat het slachtoffer uit een zeer problematische thuissituatie komt. De causaliteit tussen de problematiek op school en het aan de verdachte ten laste gelegde kan daarmee niet goed worden vastgesteld. Ten aanzien van deze schade refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de vordering, omdat zij de stukken pas een dag voor de terechtzitting heeft ontvangen. Voorts blijkt uit de bijgevoegde stukken dat de omvang van de problematiek van [naam slachtoffer 1] onduidelijk is en dat er ook geen diagnose ten aanzien van die problematiek is gesteld. Om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade moet volgens vaste rechtspraak objectief vastgesteld worden door een daartoe deskundig persoon dat er sprake is van geestelijk letsel. Bovendien wordt gesteld dat [naam slachtoffer 1] gedwongen is tot seksuele handelingen, hetgeen mede de psychische impact zou staven, maar dit is pertinent onjuist. [naam slachtoffer 1] heeft zelf verklaard bij de politie dat ze niet gedwongen is en dit blijkt ook duidelijk uit de inhoud van de berichten die ze aan de verdachte stuurde.

Uit de bijgevoegde stukken blijkt voorts dat de thuissituatie een groot probleem vormt en dat de houding van de ouders niet bijdraagt aan de studieresultaten van [naam slachtoffer 1] . Gelet op de zorgen van de middelbare school van [naam slachtoffer 1] om deze thuissituatie, is nu niet vast te stellen of en in hoeverre de hulpvragen en de studievertraging van [naam slachtoffer 1] in causaal verband staan tot de handelingen van de verdachte. De vordering is aldus te ingewikkeld en onvoldoende onderbouwd en vormt daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding. Voorts heeft de raadsvrouw onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad aangevoerd dat voorschotten niet toegewezen kunnen worden in het strafrecht. De ouders kunnen zich ook niet stellen wegens immateriële schade die hun dochter heeft geleden. Een dergelijke vordering is namelijk niet overdraagbaar.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Als meest vergaande verweer tegen de vordering heeft de raadsvrouw bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij haar vordering dusdanig laat heeft ingediend dat de verdediging zich daarop niet meer heeft kunnen voorbereiden.

De rechtbank gaat hierin niet mee. De meest voor de hand liggende (en meest proportionele) reactie van de raadsvrouw was geweest om dan om aanhouding van de zaak te vragen. Dat heeft zij echter niet gedaan. De raadsvrouw heeft ook gemotiveerd verweer weten te voeren tegen de vordering, daarmee eigenlijk aantonend dat zij zich dus wel degelijk op een verweer tegen de vordering heeft kunnen voorbereiden. Wat van dit alles zij, met de raadsvrouw is de rechtbank wel van oordeel dat de vordering onwenselijk laat is ingediend door de raadslieden van de benadeelde partij; niet valt in te zien waarom deze vordering niet eerder gedaan had kunnen worden.

Dan over de vordering zelf.

Immateriële schade

De rechtbank stelt voorop dat de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade ex artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek slechts in beperkte gevallen toewijsbaar is.

De Nederlandse wet kent immers een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van een dergelijke vergoeding. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

  1. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

  2. ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

  3. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die [naam slachtoffer 1] stelt te hebben geleden, valt onder categorie b. Uit het eerste lid onder b van voormeld artikel volgt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding, indien de benadeelde (onder meer) in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door de verdachte gepleegde ontucht een ernstige inbreuk is gemaakt op de integriteit van [naam slachtoffer 1] , waardoor zij in haar persoon is aangetast. Zij heeft immers op twaalfjarige leeftijd veelvuldig geslachtsgemeenschap gehad met de verdachte. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.6 Hierbij valt met name te denken aan zedenzaken, waarin het strafbare feit een dusdanig ernstige inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom smartengeld toegewezen kan worden. Het vaststellen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is dan voor de vergoeding van smartengeld niet nodig.7

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat vergoeding van immateriële schade aan [naam slachtoffer 1] wettelijk gezien mogelijk is. Dat deze schade namens haar door haar wettelijke vertegenwoordigers wordt gevorderd, maakt dit oordeel niet anders.

Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding wegens immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven. Namens de benadeelde is primair het standpunt ingenomen dat aansluiting moet worden gezocht bij categorie 5 van die lijst. Dit is de zwaarste categorie en hieronder vallen zedenmisdrijven waarbij er sprake was van seksueel binnendringen onder verzwarende omstandigheden. De rechtbank overweegt dat er sprake was van ontucht gedurende meerdere maanden, maar ook dat deze ontucht plaats vond binnen een affectieve relatie en zonder dwang. Zij acht het daarom meer passend om aansluiting te zoeken bij categorie 4, betreffende zedenmisdrijven waarbij sprake is van seksueel binnendringen gedurende een langere periode stelselmatig gebeurd. De bijbehorende uitkering van het Schadefonds bedraagt € 10.000,00.

De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, het bedrag voor de thans geleden immateriële schade naar billijkheid vast op € 10.000,00 en wijst het bedrag voor het meerdere af.

Aan de rechter komt een grote discretionaire bevoegdheid toe wanneer het gaat om de begroting van de immateriële schade, maar dit bedrag wordt begrensd door het concrete bedrag zoals door de benadeelde partij is gevorderd, zoals dat geldt voor elke civiele vordering die op geld is gewaardeerd. Namens [naam slachtoffer 1] is een voorschot gevraagd op de door haar geleden immateriële schade. Het is echter een misverstand dat de strafrechter een schadebedrag bij wijze van voorschot kan toewijzen. Dit is voorbehouden aan de voorzieningenrechter. Voor het deel van de vordering dat de strafrechter inhoudelijk beoordeelt, geeft hij een definitieve vaststelling behoudens hoger beroep.

Studievertraging of verlies van arbeidsinkomen

De strafrechter dient na te gaan of de strafbare gedraging van de verdachte jegens [naam slachtoffer 1] een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de schade, zoals zij stelt te hebben geleden. Aannemelijk moet zijn dat die schade zonder de strafbare gedragingen niet zou zijn ingetreden. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld wat de omvang van de schadevergoedingsverplichting is. Artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek stelt daartoe nadere eisen aan de causaliteit. Beoordeeld moet worden of de schade in een zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat de schade aan de verdachte, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als een gevolg van het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat zij vorenstaande vragen thans niet kan beantwoorden op basis van de voorhanden stukken. Het causaliteitsvraagstuk wordt in ernstige mate bemoeilijkt door het feit dat uit de bij de vordering gevoegde stukken blijkt dat er veel zorgen zijn omtrent de thuissituatie van [naam slachtoffer 1] en dat (bijvoorbeeld) vermoed wordt dat ook de houding van de ouders niet bijdraagt aan de studieresultaten. Dit zijn recent opgemaakte stukken door de middelbare school die [naam slachtoffer 1] op dit moment bezoekt en daarbij betrokken hulpverleners. Een nader onderzoek naar de causaliteit, hetgeen ook in het belang van de verdediging is, vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de zaak ook voor [naam slachtoffer 1] en haar ouders reeds lang sleept en dat ook zij gebaat zijn bij een strafrechtelijk eindoordeel over de aan verdachte verweten gedragingen, nu dit erkenning van het leed dat [naam slachtoffer 1] is aangedaan met zich mee zal brengen.

Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde voor dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en bepaalt de rechtbank dat [naam slachtoffer 1] dit deel van haar vordering bij de civiele rechter kan aanbrengen.

Conclusie

In totaal acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,00 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2015. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 223 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde moet zich melden en blijven melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres] . Hij moet dit blijven doen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. veroordeelde wordt verboden om contact te (laten) leggen met [naam slachtoffer 1] , haar ouders en de overige leden van dit gezin, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde feit tot een taakstraf voor de duur van 180 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 10.000,00 wegens immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 september 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  • -

    wijst de vordering voor immateriële schade voor het overige af;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gestelde materiële schade niet ontvankelijk is en bepaalt dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] , van € 10.000,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 september 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 maart 2017.

Buiten staat

Mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 12 september 2015 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [naam slachtoffer 1] , geboren op 20 september 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] .

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700478-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 28 maart 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

Raadsvrouw is mr. E. Frins, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, divisie Regionale Recherche, afdeling Expertisecentrum Zeden, proces-verbaalnummer 2015171537, gesloten d.d. 15 september 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 169.

2 Proces-verbaal van aangifte door [naam aangever] d.d. 19 september 2015, pagina’s 37 tot en met 40.

3 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 14 september 2015, pagina’s 167 en 168.

4 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2017.

5 Proces-verbaal van verhoor van [naam slachtoffer 1] d.d. 31 mei 2016, pagina’s 153 tot en met 162.

6 ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

7 ECLI:NL:HR:2004:AO7721.