Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2745

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
5238107 cv 16-7343
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-werknemer vordert betaling van 3284,45 overuren. Ex-werkgever heeft geen deugdelijke sluitende administratie bijgehouden. Ten aanzien van 1988 overuren heeft ex-werknemer urenstaten overlegd. Bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting daarvan worden 1988 overuren toegewezen, neerkomend op een bedrag van € 31.808,00 bruto. Er is geen sprake van rechtsverwerking. De betaling van de overige overuren wordt afgewezen omdat hier de onderbouwing ontbreekt.

In reconventie twisten partijen over de vraag of ex-werknemer tijdig de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft ingetrokken. In een eerder gevoerd kort gedingprocedure heeft ex-werknemer betaling van salaris c.a. gevorderd. De vermeldingen in de dagvaarding worden aangemerkt als een beroep op vernietiging van het ontslag op staande voet. Gelet op het bepaalde in artikel 9 BBA (oud) is tijdig de vernietiging ingeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1755
AR-Updates.nl 2017-0426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5238107 \ CV EXPL 16-7343

Vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] (Duitsland),

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. W.N. Scheien,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LOONWERKBERDRIJF [gedaagde partij] B.V.,

gevestigd te Maria Hoop, gemeente Echt-Susteren,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. H.G.M Hilkens.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is op 1 september 2011 bij [gedaagde partij] voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2012 in dienst getreden in de functie van loonwerker. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 september 2012 stilzwijgend verlengd tot en met 31 augustus 2013. Hierna heeft stilzwijgende verlenging plaatsgevonden tot en met 31 augustus 2014. Per 1 september 2014 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan.

2.2.

[eisende partij] is vanaf 5 mei 2015 arbeidsongeschikt. Op 19 mei 2015 heeft [eisende partij] de bedrijfsarts bezocht, welke heeft geconcludeerd dat [eisende partij] arbeidsongeschikt is voor eigen of aangepast werk. [eisende partij] is thans nog steeds arbeidsongeschikt.

2.3.

Bij brief van 26 mei 2015 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] [eisende partij] op staande voet ontslagen.

2.4.

Bij vonnis van 16 mei 2015 is [gedaagde partij] in kort geding veroordeeld tot betaling van het achterstallig en nog te ontvangen loon, zulks onder afgifte van een bruto/netto specificatie en vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Verder is [gedaagde partij] veroordeeld om [eisende partij] in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid te hervatten, zulks op verbeurte van een dwangsom. [gedaagde partij] is verder nog veroordeeld in de kosten en de nakosten.

2.5.

Geen van partijen is een bodemprocedure gestart. Het ontslag dateert van voor het intreden van de wetswijziging op 1 juli 2015, zodat het “oude” recht van toepassing is.

2.6.

[gedaagde partij] heeft bij de Duitse rechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Dit verzoek is daarna ingetrokken.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 52.551,20, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 200,00 netto per maand vanaf 1 juli 2014 tot en met dag der algehele voldoening, vermeerderd met rente.

[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in de periode van september 2011 tot en met augustus 2014 1.296,45 overuren heeft gemaakt die niet zijn uitbetaald. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eisende partij] urenstaten in het geding gebracht. De urenstaten van in totaal 15 maanden ontbreken.

3.2.

[gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] overuren heeft gemaakt. In elk geval betwist [gedaagde partij] dat [eisende partij] de op de urenstaten vermelde uren heeft gewerkt. De urenstaten zijn voor het merendeel met de hand ingevuld, waartoe [eisende partij] niet gerechtigd was. Aan [eisende partij] zijn de urenstaten ter beschikking gesteld, in die zin dat [eisende partij] deze in de kantine kon inzien. Het was echter niet de bedoeling dat deze kaarten, zonder toestemming van of overleg met [gedaagde partij] , meegenomen werden uit de personeelskantine. Derhalve is niet meer controleerbaar of en in hoeverre de overgelegde urenstaten de originele zijn of dat deze op een later tijdstip zijn vervangen.

Betaling van een maandelijkse netto vergoeding van € 200,00 is nooit afgesproken.

Verder is sprake van rechtsverwerking.

In reconventie vordert [gedaagde partij] – samengevat – te verklaren voor recht dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op 26 mei 2015 is geëindigd door ontslag op staande voet, althans voor recht te verklaren dat het vorderingsrecht van [eisende partij] tot vernietiging van het ontslag op staande voet is verjaard per 29 november 2015, althans per 16 januari 2016, althans per 7 juni 2016, althans per 16 juni 2016, met veroordeling van [eisende partij] tot restituering van het na 26 mei 2015 ontvangen salaris, vermeerderd met kosten.

[gedaagde partij] legt aan de vordering ten grondslag dat de kort gedingprocedure enkel heeft geleid tot een doorbetalingsverplichting. De kantonrechter heeft zich niet uitgelaten over de vraag of het ontslag al dan niet terecht was. [eisende partij] heeft tot op heden geen vordering tot nietigverklaring van het ontslag op staande voet ingediend. Aan een dergelijke vordering is een verjaringstermijn van zes maanden verbonden. Per 29 november 2015 is de verjaringstermijn voltooid zodat het ontslag op staande voet per die datum onaantastbaar is. Mocht de kort gedingprocedure als stuitingshandeling worden aangemerkt, dan is per 16 januari 2016 de verjaringstermijn voltooid. Wordt de brief van 7 december 2015 als stuitingshandeling aangemerkt, dan is de verjaring voltooid per 16 juli 2016 dan wel per 7 juni 2016.

3.3.

Tegen de vordering in reconventie voert [eisende partij] het volgende aan. In de kort gedingdagvaarding van 29 juni 2015 is de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en is een beroep gedaan op de vernietigingsgronden. Gelet op het bepaalde in artikel 9 BBA (oud) is tijdig de vernietiging ingeroepen. Het rechtsgevolg is dat de opzegging nooit geldig is geweest en de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. Het standpunt van [gedaagde partij] dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd is in strijd met het ingediende en vervolgens ingetrokken verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in Duitsland. Een ontbindingsverzoek is enkel ontvankelijk als er sprake is van een geldige arbeidsovereenkomst.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie

4.1.

Beoordeelt dient te worden of [eisende partij] recht heeft op betaling van 3.284,45 overuren. De kantonrechter stelt stelt daarbij voorop dat op [gedaagde partij] als werkgever de verplichting rustte om de administratie van onder andere de gemaakte overuren bij te houden. Verder moet worden vooropgesteld dat in het algemeen een werknemer het door hem gestelde tegoed aan overuren zal moeten bewijzen indien de werkgever voldoende gemotiveerd heeft betwist dat aan de werknemer nog overuren toekomen. De werkgever zal zijn betwisting in beginsel mede moeten motiveren aan de hand van de uit zijn administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding moeten worden gebracht (HR 12 september 2003, NJ 2003, 604).

4.2.

[eisende partij] stelt dat hij over de maanden waarvan de urenstaten voorhanden zijn 1988 overuren heeft gemaakt. Een specificatie daarvan is als productie 4 bij dagvaarding overgelegd. [gedaagde partij] voert daartegen aan dat [eisende partij] deze urenstaten uit de personeelskantine zonder toestemming heeft meegenomen en dat deze handmatig zijn ingevuld. [gedaagde partij] kan daarom niet controleren of het de originele kaarten zijn of dat deze op een later tijdstip zijn vervangen.

4.3.

De kantonrechter constateert dat [gedaagde partij] geen deugdelijke, sluitende, administratie heeft bijgehouden. Kennelijk wordt naast de vermelding op de urenstaten geen andere administratie bijgehouden van overuren, vakantiedagen en ander opgenomen verlof.

De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] met de overlegging van de urenstaten zijn aanspraak op 1988 overuren voldoende heeft aangetoond. Het is aan [gedaagde partij] om hiertegen gemotiveerd verweer te voeren. Dit heeft [gedaagde partij] niet dan wel in onvoldoende mate gedaan. Zo heeft [gedaagde partij] niet aangetoond dat de vermelde overuren niet zijn gemaakt en evenmin heeft zij aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de handmatige aanpassingen/vermeldingen niet zouden kloppen. Door [gedaagde partij] zijn ook geen stukken of verklaringen in het geding gebracht waaruit zou kunnen blijken dat [eisende partij] de gestelde overuren niet heeft gemaakt.

Bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting wordt de vordering van [eisende partij] ten aanzien van de 1988 overuren toegewezen. Dit correspondeert met een bedrag van € 31.808,00 bruto (1988 x € 16,00 bruto). [gedaagde partij] heeft de vergoeding ad € 16,00 bruto per uur immers niet betwist. Over het bedrag van € 31.808,00 bruto zal de wettelijke verhoging worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft dit bedrag immers te laat betaald en heeft tegen dit deel van de vordering niet op aparte gronden verweer gevoerd.

4.4.

De kantonrechter is verder van oordeel dat er geen sprake is van rechtsverwerking. Hiervan is immers sprake als een schuldeiser zich dusdanig heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is als hij nog een beroep op dit recht doet. Van onverenigbaarheid is sprake in twee gevallen: als de schuldeiser bij de schuldenaar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de schuldeiser zijn vorderingsrecht niet meer te gelden zou maken en als de schuldenaar onredelijk wordt benadeeld of bezwaard indien de schuldeiser nog een beroep doet op zijn recht. Van het een noch het ander is in casu sprake.

4.5.

De overige gevorderde overuren zullen worden afgewezen. Ten aanzien van dit deel van de vordering heeft [eisende partij] zijn vordering niet onderbouwd. [eisende partij] heeft niet aangetoond dat hij gedurende de periode waarvan geen urenstaten voorhanden zijn, daadwerkelijk overuren heeft gemaakt. [eisende partij] heeft ook niet gevorderd [gedaagde partij] te veroordelen de betreffende urenstaten aan hem te doen toekomen. De stelling dat het ervoor gehouden moet worden dat [eisende partij] in de 15 maanden waarvan de urenstaten niet voorhanden zijn 1.296,45 overuren heeft gemaakt, acht de kantonrechter onvoldoende om de vordering – voor zover daarop gebaseerd – toe te wijzen.

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu [eisende partij] zijn vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.

4.6.

[eisende partij] vordert verder betaling van de overeengekomen netto maandelijkse vergoeding ad € 200,00 per maand vanaf 1 juli 2014 en tot aan de dagvaarding becijferd op een bedrag van € 4.800,00, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente.

[eisende partij] heeft zijn stellingen echter niet van een feitelijke onderbouwing voorzien, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Weliswaar biedt [eisende partij] uitdrukkelijk bewijs aan door het horen van getuigen, maar hieraan wordt, bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing, niet toegekomen. Het had in dit verband op de weg van [eisende partij] gelegen om zijn stellingen te onderbouwen door middel van het overleggen van bijvoorbeeld schriftelijke verklaringen van de andere en voormalige werknemers. [eisende partij] heeft geen enkel schriftelijk stuk overgelegd waaruit de gestelde maandelijkse netto betaling van € 200,00 zou kunnen worden afgeleid.

in reconventie

4.7.

In reconventie twisten partijen over de vraag of [eisende partij] tijdig de nietigheid van het op 26 mei 2015 gegeven ontslag op staande voet heeft ingeroepen dan wel dat er sprake is van verjaring. De verjaringstermijn van zes maanden heeft op 26 mei 2015 een aanvang genomen.

4.8.

Anders dan onder het huidige recht kon tot 1 juli 2015 een werknemer een (onterecht) gegeven ontslag op staande voet vernietigen door het uitbrengen van een (buitengerechtelijke) verklaring daartoe. Bij exploot d.d. 29 juni 2015 is [gedaagde partij] door [eisende partij] in kort geding gedagvaard voor de zitting van 7 juli 2015. In de kort gedingdagvaarding staat onder meer het volgende vermeld:

Eiser is van mening dat het aan hem verleende ontslag op staande voet nietig is wegens het ontbreken van een dringende reden daartoe.

Het ontslag op staande voet voldoet bovendien in het geheel niet aan de daarvoor in de wet gestelde eisen.

De beweerdelijke gronden voor het ontslag op staande voet bij brief d.d. 26 mei 2015 (productie 10) fixeren de ontslaggrond. Deze gronden zijn totaal niet geconcretiseerd en in het geheel niet onderbouwd. Het is derhalve voor eiser onmogelijk om zich hiertegen te verweren.

De ontslagbrief is bovendien enkel in het Nederlands aan eiser verstrekt. Daar eiser de Duitse nationaliteit bezit, had gedaagde resp. de gemachtigde van gedaagde de ontslagbrief in de Duitse taal moeten verstrekken om zich ervan te vergewissen dat eiser de beweerdelijke ontslagreden ook begreep. Dit heeft gedaagde niet gedaan.

De beweerdelijke gronden voor het ontslag op staande voet zijn onjuist. Eiser heeft altijd naar behoren gefunctioneerd, waarbij nooit enige beschuldiging van deze aard aan hem bekend is gesteld. Er is derhalve geen sprake van een dringende reden/grond.

Van onverwijldheid van het ontslag kan ook geen sprake zijn, aangezien eiser reeds vanaf 5 mei 2015 niet meer aanwezig is op zijn werk wegens ziekte.

De werkgever dient bij opzegging wegens een dringende reden immers voortvarend te werk te gaan. Van voortvarendheid aan de zijde van gedaagde is gezien het feitencomplex in de onderhavige zaak niet gebleken. Mocht er sprake zijn geweest van een vertraging aan de zijde van gedaagde, dan had gedaagde de reden voor deze vertraging aan eiser moeten melden. Dit is uitdrukkelijk niet gebeurd.”

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter moeten voorgaande vermeldingen in de kort gedingdagvaarding als een beroep op vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet worden aangemerkt. De verklaring ex artikel 9 BBA moet door de werknemer worden gedaan aan de werkgever. Zoals [eisende partij] terecht opmerkt worden aan een dergelijke klaring geen vormvereisten gesteld, terwijl ook de Hoge Raad geen strenge inhoudelijke eisen stelt. Gelet op de hiervoor geciteerde inhoud alsook het feit dat [eisende partij] in de kort gedingprocedure doorbetaling van het salaris c.a. heeft gevorderd voor zolang de arbeidsovereenkomst zal voortduren, kon en mocht [gedaagde partij] dit niet anders als een verklaring tot vernietiging van het ontslag op staande voet opvatten.

4.10.

Op basis van voorgaande overwegingen komt de kantonrechter daarom tot het oordeel dat het beroep op vernietiging tijdig en binnen de vervaltermijn van zes maanden is gedaan. Nu gesteld noch gebleken is dat de arbeidsovereenkomst op enige andere wijze is beëindigd, duurt die derhalve nog steeds voort. Dit brengt met zich dat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

4.11.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.12.

[gedaagde partij] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 98,87

  • -

    griffierecht 471,00

  • -

    salaris gemachtigde in conventie 800,00 (2 x tarief € 400,00)

  • -

    salaris gemachtigde in reconventie 200,00 (2 x 0,5 tarief € 200,00)

totaal € 1.569,87

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.13.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 31.808,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2016 tot aan de voldoening,

in reconventie

5.2.

wijst de vordering af,

in conventie en in reconventie

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] gevallen en tot op heden begroot op € 1.569,87,

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: